Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/8.2
8.2 Onrechtmatige daad: rechtvaardiging
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS590937:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Polak 1949, p. 75; Schut 1963, p. 136; Van Maanen 1997, p. 258. Lankhorst 1992a gaat op de vraag waarom de relativiteitsleer nodig is nauwelijks in, ook Bloembergen 1993, p. 143 viel dit op. Den Hollander 2016, p. 65 stelt wel de vraag waarom het relativiteitsvereiste nodig is.
Moore 2009, p. 199. Te bedenken valt overigens dat in nr. 496 zal blijken dat wanneer de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis het risico op verdere schade vergroot, dat in het algemeen rechtvaardigt om de schade die geldt als verwezenlijking van zo’n vergroot risico ook toe te rekenen ook als deze schade niet kon worden voorzien.
Vgl. Bloembergen 1993, p. 143 die op de dissertatie van Lankhorst de terechte kritiek uit dat, hoewel Lankhorst zich als geharnast voorstander van de relativiteitsleer laat kennen, Lankhorst geen principiële verdediging van deze leer geeft.
Vgl. Van Gelein Vitringa 1919, p. 33.
Ook in de opvatting van Bloembergen was dus de redelijkheid bij het begrenzen van aansprakelijkheid beslissend en het werken met de strekking van de norm een middel tot het doel van het verkrijgen van een redelijke begrenzing.
Bloembergen 1965, nr. 121.
Polak 1941, p. 421.
Lankhorst 1992a, p. 18, 19. Wolfsbergen 1946, p. 91 t/m 92 wees er, mijns inziens terecht, op dat het beperken van het gebruik van subjectieve rechten met het leerstuk van misbruik van recht, iets anders is dan het ter zake van de verplichting tot schadevergoeding bij schending van het objectieve recht verlangen dat met de norm het geschonden belang beoogd werd te beschermen.
Dezelfde passage treft men ook aan in onder meer Asser/Rutten 3-II 1954, p. 551.
Recent heeft Den Hollander 2016, p. 77 e.v. nog een nieuwe visie op de ratio van het relativiteitsvereiste gegeven, die zich naar mijn mening niet laat volhouden. Zijns inziens dient op grond van art. 6:162 BW schade te worden vergoed die het gevolg is van een onrechtmatige daad in de zin van art. 6:162 lid 2 BW. Een onrechtmatige daad in de zin van art. 6:162 lid 2 BW is volgens hem een ‘normschending’. Zo’n normschending is, zo vervolgt hij, niet een feit en kan daarom geen schade veroorzaken. Hierom dient op een andere manier vastgesteld te worden of de schade een gevolg is van de normschending. Zijns inziens gebeurt dat in het kader van de relativiteitstoets. Deze gedachtegang laat zich reeds niet volhouden omdat art. 6:162 BW voor aansprakelijkheid vereist dat een onrechtmatige daad schade veroorzaakt. Een onrechtmatige daad is wel een feit (zo blijkt ook uit art. 6:162 lid 2 BW waar onder meer wordt gesproken van een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht) waarvan kan worden vastgesteld of daardoor schade is veroorzaakt. Dat er een norm is die een dergelijke gedraging verbiedt doet aan het feitelijke karakter van de gedraging niet af. Bovendien geldt dat zelfs als in art. 6:162 BW besloten zou liggen dat een verband dient te bestaan tussen de normschending en de schade, daarmee niet de vraag is beantwoord – en daar gaat het juist om – hoe het stellen van een dergelijke voorwaarde zich laat rechtvaardigen. Den Hollander 2016, p. 107 schrijft dat het relateren van geschonden norm en geschaad belang een “doel op zich” is en lijkt zo de kwestie van de rechtvaardiging hiervan te willen ontlopen.
Hofmann/Drion & Wiersma 1959, p. 126.
Vgl. Van Dam 1989 nr. 73 die terecht betoogde dat de relativiteitseis in wezen een correctie is op de eenzijdigheid van het criterium van de wettelijke norm waarin gedrag centraal staat en geen aandacht is voor de te beschermen belangen.
382. Dat geen aansprakelijkheid bestaat voor de door een onrechtmatige daad veroorzaakte schade indien het doel van de geschonden norm niet is tegen deze schade te beschermen, is mijns inziens – anders dan wel is beweerd1 – niet een min of meer logisch gegeven en spreekt ook niet geheel voor zichzelf. Het gegeven dat de laedens onrechtmatig heeft gehandeld en de gelaedeerde de schade niet zou hebben geleden indien de laedens zich naar behoren zou hebben gedragen, biedt immers een zekere rechtvaardiging om de laedens de veroorzaakte schade te laten vergoeden. Niet dadelijk valt in te zien, waarom het enkele feit dat de bestaansreden van de norm niet is te beschermen tegen de schade zoals geleden, zou maken dat de laedens deze schade niet dient te vergoeden: wat er ook zij van de (historische) reden voor het in het leven roepen van de geschonden norm, de norm góld en de laedens had zich daaraan dienen te houden en dan zou de schade niet zijn ontstaan.
In § 8.3 zal blijken dat in allerlei gevallen de laedens gehouden is de door zijn normschendende gedraging veroorzaakte schade te vergoeden, ook al is het doel van de geschonden norm niet om tegen de schade zoals geleden te beschermen.
De gedachte dat aansprakelijkheid dient te worden begrensd aan de hand van het doel van de geschonden norm, laat zich nog verder in het defensief drukken. Moore heeft in zijn boek Causation and Responsibility betoogd dat het gegeven dat de schending van een zorgvuldigheidsnorm ook kan leiden tot de verwezenlijking van een gevaar dat de laedens niet kon voorzien en ook niet behoefde te voorzien, de normschending alleen maar ernstiger doet zijn. Om die reden kan volgens Moore degene die de norm schond ook aansprakelijk gehouden worden voor de schade die niet het gevolg is van de verwezenlijking van het voorzienbare gevaar met het oog waarop in ieder geval door de laedens anders gehandeld had moeten worden. Moore schreef:
“[Degenen die een zorgvuldigheidsnorm schenden] are on moral notice, if you will, that their conduct is unjustified. When different, less significant risks in fact materialize from their conduct, they can hardly claim that it is unfair to impose upon them the costs of those harms. On the contrary, the fact that their conduct could also cause other harms beyond those that were obvious and sufficient for finding them negligent is grounds for thinking them all the more blameworthy.”2
Ook vanwege deze niet dadelijk onredelijk klinkende gedachtegang van Moore, die zich eenvoudig laat transponeren naar andersoortige onrechtmatige daden, dringt de vraag zich op waarom aansprakelijkheid begrensd dient te worden aan de hand van het doel van de geschonden norm.
383. In de Nederlandse literatuur is hiervoor geen duidelijke rechtvaardiging gegeven.3
Van Gelein Vitringa schreef bij zijn introductie van de relativiteitsleer in Nederland dat “de aanspraak op schadevergoeding een buitenkansje [zou] worden, dat iemand te beurt valt alleen omdat zijn buurman de wet heeft overtreden”.4 Bloembergen schreef dat het niet redelijk zou zijn om een norm te gebruiken ter fundering van een vordering uit onrechtmatige daad wanneer die norm niet strekte ter bescherming van het getroffen belang.5 Men haalt dan, zo schreef Bloembergen, meer uit de norm dan er in zit.6 Lankhorst wees, in navolging van R.J. Polak,7 op het verband met misbruik van recht: rechtsuitoefening moet geschieden in overeenstemming met het doel van het recht.8 Hartkamp en Sieburgh9 schrijven – daarmee een passage van Rutten overnemend10 – dat sprake is van een “toevallig samentreffen” van onrechtmatigheid en schade, maar werken dat niet verder uit.11 Deze opvattingen zijn op zichzelf niet onjuist, maar houden ook geen heldere en overtuigende rechtvaardiging in van het begrenzen van aansprakelijk aan de hand van de met de geschonden norm beoogde bescherming. Ook wordt hiermee de gedachtegang van Moore niet ontkracht.
384. Om het belang van het gegeven dat met de geschonden norm niet beoogd is te beschermen tegen de schade zoals geleden nader te kunnen duiden, is instructief eerst een voorbeeld te beschouwen. Ik ontleen een casus aan H. Drion:
“Stel X wil een bepaald meubel op een openbare veiling kopen. Hij zou het meubel voor 100 gulden hebben kunnen krijgen, als Y niet tegen hem op had geboden, zodat X het stuk tenslotte voor f 300,- toegewezen had gekregen. Achteraf hoort X, dat Y maar net op tijd voor het bieden was gekomen, dankzij het feit dat hij ver boven de wettelijk toegelaten maximum snelheid had gereden. Kan X nu Y aanspreken wegens de schade, die hij heeft geleden doordat hij het bewuste stuk niet voor f 100,- heeft gekregen, als een gevolg van de wetsovertreding van Y? Y wist, toen hij te hard ging rijden, dat hij anders de veiling niet tijdig zou halen. Ook kon hij redelijkerwijs verwachten dat hij door wel tijdig te komen de prijs van het goed zou opjagen en daardoor andere gegadigden zou benadelen.”12
In deze casus zou het naar ik meen evident niet redelijk zijn, indien Y aansprakelijk tegenover X zou zijn voor de door de overtreding van de wet veroorzaakte schade. Waarom is dat zo? Mijns inziens dringt deze conclusie zich niet alleen op door het doel van de door Y geschonden norm. Evenzeer is van belang dat dezelfde schade in vergelijkbare gevallen kan ontstaan en het dan redelijk wordt geacht deze schade voor rekening van de gelaedeerde te laten.
Het verschijnsel dat zich in deze casus voordoet, doet zich mijns inziens meer in het algemeen voor en laat zich als volgt onder woorden brengen. Gedragingen kunnen veelal op allerlei manieren tot schade leiden. De wetgever kan een gedraging verbieden omdat die gedraging altijd, vaak of soms tot schade kan leiden. Zo’n gedraging is dan steeds verboden. Met die gedraging kan dan ook niet meer andersoortige schade rechtmatig worden toegebracht. Dat is vooral een bijproduct van de werking van onze dogmatiek, van ons denken in termen van gedragsnormen.13 Omdat slechts sprake is van een min of meer toevallig bijproduct, bestaat onvoldoende grond om aansprakelijkheid te rechtvaardigen voor de schade die door de schending van een norm is verzaakt, terwijl die norm niet beoogde tegen deze schade te beschermen, en die in andere situaties evengoed rechtmatig toegebracht had kunnen worden. Er is in deze situatie geen voldoende reden om ten aanzien van die schade een ander rechtsgevolg aan te nemen dan wanneer diezelfde schade rechtmatig veroorzaakt zou worden en zij dus niet vergoed zou hoeven worden.
385. Tegen deze achtergrond laten zich ook de opvattingen in de Nederlandse literatuur beter begrijpen.
Van Gelein Vitringa sprak kennelijk over een ‘buitenkansje’ omdat normaliter niemand kan worden aangesproken voor de schade zoals geleden en dat een redelijke verdeling van risico’s wordt geacht. Bloembergen achtte niet ‘redelijk’ om op de geschonden norm de verplichting tot vergoeding van de veroorzaakte schade te baseren, kennelijk omdat niet valt in te zien waarom een ander rechtsgevolg op zijn plaats zou zijn dan in het geval de schade zonder normschending ontstaat en de laedens dan niet aansprakelijk is. Rutten bedoelde met zijn opvatting dat sprake is van een toevallig samentreffen tussen onrechtmatigheid en schade kennelijk dat de schade evengoed rechtmatig veroorzaakt had kunnen worden.
Ook laat zich zo inzien waarom de gedachtegang van Moore zich niet goed laat volhouden. Niet alle mogelijke manieren waarop door een bepaalde handelwijze schade kan ontstaan, dragen eraan bij dat een gedraging als onrechtmatig wordt bestempeld. Wanneer immers die andere schade normaliter rechtmatig kan worden toegebracht, valt niet in te zien waarom de mogelijkheid van het ontstaan van deze schade aan de laakbaarheid van een gedraging zou bijdragen. Het gegeven dat ten gevolge van een normschendende gedraging zich ook andere niet voorziene gevaren kunnen verwezenlijken maakt, anders dan Moore meent, deze gedraging dan niet “all the more blameworthy”.
386. Het expliciteren van de rechtvaardiging voor het begrenzen van aansprakelijkheid aan de hand van het doel van de geschonden norm, maakt duidelijk dat niet onder alle omstandigheden gerechtvaardigd is om aansprakelijkheid op deze manier te begrenzen. In de volgende paragraaf behandel ik nader onder welke omstandigheden aansprakelijkheid niet aan de hand van het doel van de geschonden norm wordt begrensd.