Wilsdelegatie in het erfrecht
Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/6.5.2.2:III.6.5.2.2 Erfstelling onder voorwaarde: de aard van de erfstelling en wilsafhankelijke voorwaarden
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/6.5.2.2
III.6.5.2.2 Erfstelling onder voorwaarde: de aard van de erfstelling en wilsafhankelijke voorwaarden
Documentgegevens:
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS622760:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie evenwel ook mijn nuanceringen hierop in pagraaf 5.2.3 en 5.2.4.4.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De bepalingen van art. 4:137-140 BW zien met name op de erfstelling. Voor wat de legaten betreft, kan veelal te rade worden gegaan bij de bepalingen omtrent voorwaardelijke verbintenissen in Boek 6 BW (afdeling 6.1.4 BW). En voor wat de wilsafhankelijke voorwaarden betreft, zoals in de vorige paragraaf naar voren kwam, in het bijzonder bij het leerstuk van potestatieve voorwaarden. Uit dit leerstuk kan voor alle uiterste wilsbeschikkingen, als belangrijkste les, worden opgemerkt dat een voorwaarde niet in strijd mag komen met het wezen ofwel de aard van de uiterste wilsbeschikking (vgl. art. 3:38 lid 1 BW). De aard van de erfstelling verzet zich, getuige art. 4:137140 BW, niet tegen voorwaarden, maar verzet deze aard zich misschien wel tegen wilsafhankelijke voorwaarden?
In paragraaf 5.2 behandelde ik de aard van de erfstelling en merkte ik reeds op dat deze aard ertoe leidt dat wilsdelegatie ten aanzien van het bepalen van de erfgenamen en erfdelen in beginsel niet mogelijk is.1 Voor wat de wilsafhankelijke voorwaarden betreft, betekent dit dat de voorwaarde niet kan inhouden dat een ander door middel van de voorwaarde bepaalt wie bijvoorbeeld de erfgenamen zijn. In dat geval zou immers in strijd worden gehandeld met art. 4:115 BW en de daarin gelegen woorden ‘daarbij aangewezen’ die het vereiste van onmiddellijke identificeerbaarheid tot uitdrukking brengen. Het is dus niet toegestaan om als volgt te beschikken: ‘Mijn erfgenamen zijn X, Y en Z, tenzij mijn vriend A tot mijn erfgenamen aanwijst Q en U’ of ‘tenzij mijn vriend anders bepaalt’. Een dergelijke voorwaarde komt zoals gezegd in strijd met de aard van de erfstelling, in het bijzonder met de woorden ‘daarbij aangewezen’ en het daarin gelegen vereiste van onmiddellijke identificeerbaarheid. Met een voorwaarde mag met andere woorden niet worden bewerkstelligd dat er op ontoelaatbare wijze wordt geknutseld aan de inhoud en daarmee aan de aard van een uiterste wilsbeschikking. Voor wat toelaatbaar en ontoelaatbaar is met betrekking tot inhoudelijke wilsdelegatie, verwijs ik naar het schema aan het slot van deel II van dit onderzoek.
Wat naar mijn mening eveneens in strijd zou kunnen komen met de aard van de erfstelling, is een erfstelling onder zuiver opschortende potestatieve voorwaarde die in feite inhoudt dat de erflater nog geen erfstelling heeft gewild. Bijvoorbeeld: ‘ik benoem X tot mijn erfgenaam, indien mijn vriend A dit wil’. Dit botst overigens sowieso ook met het vereiste van onmiddellijke identificeerbaarheid (art. 4:115 BW). X is immers niet onmiddellijk identificeerbaar, omdat er eerst nog een voorwaarde moet worden vervuld (namelijk de voorwaarde dat A de benoeming van X wil).