Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/4.2.6.5.1
4.2.6.5.1 Richtlijnhistorie
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291609:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Bours geeft de destijds geldende situatie in Nederland niet helemaal correct weer. Op grond van de resolutie van 8 november 1968, nr. D68/7720 (Toelichting Onroerende goederen), V-N 1968, p. 895, paragraaf 19 werd het toekennen en overdragen van lidmaatschapsrechten in een coöperatieve flatvereniging beschouwd als een (verhuur)dienst. Niettemin werd goedgekeurd dat deze handelingen voor de btw als een levering van de onderliggende flat werd beschouwd, mits zowel de vereniging als haar leden de gevolgen van deze goedkeuring aanvaarden. De goedkeuring hield derhalve in dat het lidmaatschapsrecht in de coöperatieve flatvereniging vereenzelvigd mocht worden met het onderliggende gedeelte van de flat. Door die vereenzelviging kon het toekennen en overdragen van lidmaatschapsrechten door de ‘leveringspoort’. Deze goedkeuring is ingetrokken bij besluit van 14 juli 2009, nr. CPP2008/137M, V-N 2009/39.23.
E. Bours, Rapport inzake de toepassing van de BTW op transacties in onroerende goederen binnen de Gemeenschap, Europese Commissie: Brussel 1971, p. 167.
Raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité inzake het voorstel van de Raad betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belastingen over de toegevoegde waarde: Uniforme belastinggrondslag, PbEG 1974, C 139/17.
B.G. van Zadelhoff, Onroerende goederen en belasting over de toegevoegde waarde (diss.), Deventer: FED 1992, p. 28.
Verslag namens de Commissie voor de begrotingen van het Europees Parlement van 14 februari 1974, PE 35.687 def., p. 51, randnummer 44.
Verslag namens de Commissie voor de begrotingen van het Europees Parlement van 14 februari 1974, PE 35.687 def., p. 51, randnummer 44.
De gelijkstelling in art. 15 lid 2, onderdeel c Btw-richtlijn ziet op deelnemingsbewijzen en aandelen waarvan het bezit rechtens of in feite recht geven op de eigendom of het genot van (een deel van) een onroerend goed. De achtergrond van deze gelijkstelling wordt door Bours duidelijk geschetst: van onroerend goed. De nationale wetgever is immers in beginsel het best geplaatst om die vennootschapsbewijzen aan te wijzen die in feite dezelfde voordelen bieden als de eigendom van een onroerend goed.
“Dit probleem [van aandelen en deelnemingsbewijzen in onroerend goedmaatschappijen; MvdW] schijnt zich slechts voor te doen in het Franse en Nederlandse recht. In het Franse recht worden met onroerende goederen gelijkgesteld de “deelnemingsbewijzen en aandelen waarvan het bezit in rechte of in feite de eigendom of het genot verleent van een onroerend goed of van een deel van een onroerend goed.” In het Nederlandse recht wordt het toekennen van lidmaatschapsrechten in een coöperatieve flatvereniging welke de leden aanspraak geven op het uitsluitende gebruik van een flatwoning, beschouwd als een dienst en niet als de levering van een goed, hoewel het hier waarschijnlijk gaat om een eenvoudige technische fout welke de wetgever beoogt te corrigeren.1Om voor de hand liggende redenen van neutraliteit op nationaal vlak dienen met onroerende goederen te worden gelijk gesteld te worden de deelnemingsbewijzen en aandelen die economisch gezien gelijkwaardig zijn aan het bezitvan onroerend goed. De nationale wetgever is immers in beginsel het best geplaatst om die vennootschapsbewijzen aan te wijzen die in feite dezelfde voordelen bieden als de eigendom van een onroerend goed.
Een ruime formulering, geïnspireerd door die van het Franse recht, welke ons uitstekend lijkt, zou naar onze mening op Europees vlak moeten worden aangenomen.”2
De Europese Commissie heeft het advies van Bours opgevolgd en in art. 5 lid 1, onderdeel b Voorstel voor een zesde richtlijn gekozen voor een (verplichte) gelijkstelling waarvan de tekst op Franse leest is geschoeid. Het nadeel van die keuze is dat uit de bewoordingen niet naar voren komt dat deze gelijkstelling ziet op deelnemingsbewijzen en aandelen in onroerend goedmaatschappijen. Het Economisch en Sociaal Comité heeft dan ook geadviseerd om deze gelijkstelling te beperken tot een ‘zeer gering aantal gevallen, namelijk wanneer er een onmiskenbaar verband bestaat tussen de verkoop van aandelen en het desbetreffende onroerend goed’.3 In het Notenboom-rapport wordt gerefereerd aan de mondelinge toelichting van de Europese Commissie waaruit blijkt dat aan onderdeel b van art. 5 lid 1 Voorstel voor een zesde Richtlijn een beperkte betekenis toekomt4:
“(..) situaties, die met name in Frankrijk en Italië met betrekking tot onroerend goed maatschappijen (gezamenlijk bezit van een flat waarin de aandeelhouders ook wonen) bestaan.”5
Omdat deze beperkte betekenis niet uit de bewoordingen volgt, heeft de Commissie voor de begrotingen van het Europees Parlement de aanbeveling gedaan om de bewoordingen preciezer om dit doel af te stemmen.6 De Raad heeft deze aanbeveling (en overigens ook die van het Economisch en Sociaal Comité) in de wind geslagen, hetgeen zoals uit paragraaf 4.2.6.5.2 blijkt niet zonder gevolgen is gebleven.