Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/8.2.3.3.1
8.2.3.3.1 Oogmerktoets
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS394725:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II, 2009-2010, nr. 32129, nr. 8, blz. 28.
HR 7 november 1973, nr. 17182, BNB 1974/2, Besluit staatssecretaris, 15 oktober 1975, BNB 1975/11.
Voor een nadere uiteenzetting zie Kamerstukken II, 2009-2010, nr. 32129, nr. 3, blz. 59.
Art. 13 lid 10a Wet VPB 1969 bepaalt dat een deelneming bij fictie als belegging wordt aangemerkt indien de bezittingen van die deelneming geconsolideerd doorgaans voor meer dan de helft bestaan uit belangen van minder dan 5% in dochtermaatschappijen. Deze fictie heeft als doel het voorkomen dat de deelnemingsvrijstelling onbedoeld van toepassing wordt op belangen van minder dan 5% door het invoegen van een tussenhoudster. Art. 13 lid 10b Wet VPB 1969 bepaalt dat er ook sprake is van een beleggingsdeelneming, indien de functie van de deelneming voor meer dan de helft bestaat uit het financieren van de moedermaatschappij of met haar verbonden lichamen. Hieronder wordt ook het ter beschikking stellen van bedrijfsmiddelen verstaan.
De oogmerktoets houdt in dat de deelnemingsvrijstelling van toepassing is indien de deelneming niet met een beleggingsoogmerk wordt aangehouden (art. 13 lid 9 Wet VPB 1969). In veel gevallen wordt dan niet meer toegekomen aan de bezittingen- en onderworpenheidstoets, omdat uit de oogmerktoets al volgt dat de dochtermaatschappij niet als belegging wordt gehouden. In de parlementaire geschiedenis is aangegeven dat bij een gemengd oogmerk het zwaartepunt de doorslag geeft.1 Door de invoering van de oogmerktoets herleefde ook weer het belang van het roemruchte holding-arrest (BNB 1974/2) en het daarop gebaseerde beleid (BNB 1975/11) voor tussen- en tophoudstervennootschappen.2 De deelnemingsvrijstelling is volgens dat beleid van toepassing als de vennootschap als tussen- of tophoudster een essentiële rol vervult voor de bedrijfsactiviteiten binnen het concern. Een houdstervennootschap wordt bijvoorbeeld geacht een essentiële rol te vervullen binnen de groep als zij een schakel vormt tussen de bedrijfsactiviteiten van de moedermaatschappij en de (indirecte) deelnemingen.3 De oogmerktoets is aangevuld met een tweetal ficties waarbij geacht wordt niet te zijn voldaan aan de oogmerktoets (art. 13 lid 10 Wet VPB 1969).4