Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt
Einde inhoudsopgave
Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (FM nr. 134) 2010/4.2.3:4.2.3 INZO-arrest
Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (FM nr. 134) 2010/4.2.3
4.2.3 INZO-arrest
Documentgegevens:
dr. S.T.M. Beelen, datum 01-03-2010
- Datum
01-03-2010
- Auteur
dr. S.T.M. Beelen
- JCDI
JCDI:ADS298339:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Europees belastingrecht / Richtlijnen EU
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 29 februari 1996, zaak C-110/94 (INZO); V-N 1996, blz. 1396.
Dit oordeel werd nog eens bevestigd in HvJ EG 8 juni 2000, zaak C-400/98 (Breitsohl), besproken door E.M. Vrouwenvelder, Over de aanvang van het ondernemerschap en over de levering van gebouwen en het erbij behorende terrein, BtwBrief 2000, nr. 11 [29].
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Na het Rompelman- en Lennartz-arrest bleef nog wel de vraag open of de aftrek in stand bleef wanneer achteraf bleek dat de voorgenomen activiteiten geen doorgang vonden. Dat de aanschaf van goederen en diensten als economische activiteit kwalificeert en de aftrek niet herzien kan worden, ook als de beoogde latere uitgaande prestaties geen doorgang vinden, blijkt uit het later gewezen INZO-arrest1 waarin het Hof voortborduurt op het Rompelman-arrest. Een aantal Belgische provincies en gemeenten richten zich op de Intercommunale voor zeewaterontzilting (INZO, die als doel heeft het ontwikkelen en exploiteren van procédés voor de behandeling van zee- en brak water en het winnen en verkopen van drinkwater). INZO doet investeringen en maakt kosten (zij laat onder andere een rentabiliteitsonderzoek verrichten). De Belastingdienst geeft de voorbelasting aan INZO terug. Als gevolg van de bij het onderzoek gebleken rentabiliteitsproblemen trok een aantal investeerders zich terug en werd afgezien van het project. INZO ziet af van de beoogde activiteit. Bij latere controle stelde de Belastingdienst vast dat geen belastbare handeling was verricht. De teruggegeven btw werd nageheven. De Belgische rechter verzocht het Hof van Justitie EU aan te geven of er sprake was van een economische activiteit in de zin van art. 4 Zesde richtlijn (thans art. 9 btw-richtlijn). Het hof besliste dat art. 4 Zesde richtlijn aldus moet aldus worden uitgelegd dat als de Belastingdienst van een (rechts)persoon, die voornemens is belastbare handelingen te gaan verrichten, in navolging van het Rompelman-arrest de belastingplicht heeft erkend, de opdracht van een rentabiliteitsstudie met betrekking tot de beoogde activiteit als een economische activiteit in de zin van die bepaling kan worden aangemerkt, zelfs indien deze studie ten doel heeft te onderzoeken, in hoeverre de beoogde activiteit rendabel is. Aan deze (rechts)persoon kan, behoudens in het geval van fraude of misbruik, de hoedanigheid van btw-belastingplichtige niet met terugwerkende kracht worden ontnomen. De aftrek blijft in stand, ook indien later op grond van de resultaten van deze studie is besloten niet tot de operationele fase over te gaan en de vennootschap in vereffening te stellen, zodat de beoogde activiteit niet tot belaste handelingen heeft geleid. Kosten die gemaakt worden om te beoordelen of het rendabel zal zijn uitgaande economische activiteiten te verrichten kwalificeren als economische activiteiten die leiden tot belastingplicht.2