Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker
Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/6.2.1:6.2.1 Het Gewijzigd Ontwerp van 1976
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/6.2.1
6.2.1 Het Gewijzigd Ontwerp van 1976
Documentgegevens:
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS299220:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Het voornoemde werd opgemerkt in de toelichting (MvA) op de art. 6.3.2.5-10tezamen. De toelichting op het afzonderlijke art. 6:181 bestaat uit niet meer dan een verwijzing naar die opmerkingen, zie Parl. gesch. Boek 6, p. 767.
Parl. gesch. Boek 6, p. 745.
Parl. gesch. Boek 6, p. 745-746. Zie hierover reeds par. 3.3.1 en 5.4.2.
Parl. gesch. Boek 6, p. 745-747.
Parl. gesch. Boek 6, p. 745-747, 767.
Zie nader par. 2.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij de introductie van art. 6:181 als geheel nieuwe bepaling in het Gewijzigd Ontwerp van 1976, werd aan het bedrijfsbegrip van dit artikel geen afzonderlijke aandacht besteed. In de toelichting werd enkel opgemerkt dat ter bepaling van degene op wie de aansprakelijkheid voor schade door zaken of dieren rust, onderscheid gemaakt moet worden tussen gevallen van ‘bedrijfsmatig’ gebruik en gevallen waarin daarvan geen sprake is.1 In het laatste geval rust in beginsel de aansprakelijkheid op de bezitter, aldus de toelichting.2 Toch valt uit deze vroege wetsgeschiedenis wel af te leiden naar welke aansprakelijke personen de gedachten van de wetsontwerper in de context van art. 6:181 (vooral) uitgingen. Om de wenselijkheid van de rechtsregel van art. 6:181 te illustreren, werd het – inmiddels bekende – voorbeeld gegeven van een explosie binnen een bedrijf waarvan de oorzaak niet meer is te achterhalen.3 Ten eerste valt op dat de toelichting daarbij de termen ‘onderneming’ en ‘bedrijf’ willekeurig en zonder nadere uitleg door elkaar gebruikt. Dit is exemplarisch voor ook de overige toelichting op het Gewijzigd Ontwerp waarin art. 6:181 werd geïntroduceerd.4 In de in de wetsgeschiedenis ten aanzien van art. 6:181 gegeven andere praktische voorbeelden ging het voorts steeds om het gebruik van bedrijfspanden en fabrieksgebouwen, het werken met machines en gevaarlijke stoffen, het verrichten van ‘gevaarlijke activiteiten’, en de inschakeling daarbij van ondergeschikten en zelfstandige hulppersonen.5 ‘Industriële activiteiten’ derhalve, bedrijfsvoering in traditionele zin: het bedrijf als een commerciële organisatie van arbeid en kapitaal, die goederen levert of werken tot stand brengt, waar risico’s worden gelopen en die streeft naar winst om te kunnen voortbestaan. Dat de toelichting op art. 6:181 was gericht op dit soort ‘organisaties’ valt goed te verklaren gezien de achtergrond waartegen deze bepaling het levenslicht zag. Vanaf de tweede helft van de 19e eeuw werd de samenleving steeds gevaarlijker en onoverzichtelijker door toenemende industrialisatie en schaalvergroting. Met art. 6:181 werd beoogd te dien aanzien zowel benadeelden als (potentieel) aansprakelijken een ‘centraal adres’ voor aansprakelijkheid te bieden. Daarbij ging het veelal om in ‘bedrijfsmatig’ – in de zin van geïndustrialiseerd – verband gecreëerde risico’s.6