Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/VII.3.4.4
VII.3.4.4 De bewijsvermoedens in een one tier board
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242721:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Zie Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 6, p. 15-16 (NV).
Evenzo Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/142-143. Zie hierover § VI.2.2.
Evenzo onder anderen Bulten 2012, p. 23; en Strik 2010, p. 145.
In de literatuur is, zij het niet specifiek met betrekking tot de one tier board, regelmatig bij deze vraag stilgestaan. Vooral de zware sanctie die art. 2:138/248 lid 2 BW verbindt aan het niet naleven van de verplichtingen van art. 2:394 BW ligt onder vuur. Tot op de dag van vandaag wordt in de literatuur bepleit de verwijzing naar de publicatieplicht in art. 2:138/248 lid 2 BW te schrappen, zie onder anderen Beckman, TVVS 1998/169; die zijn standpunt herhaalt in Beckman 2017, p. 118-119; Bulten 2012, p. 23; Van Schilfgaarde 1986, p. 56; Schild 2015, p. 472; Strik 2010, p. 102; en Wezeman 2017, p. 468-469.
Strik 2010, p. 141-142. Ik wijs erop dat Strik deze mening was toegedaan vóór de inwerkingtreding van de Wet bestuur en toezicht op 1 januari 2013. Omdat Strik destijds schreef over het wetsvoorstel Wet bestuur en toezicht en de tekst van art. 2:138/248 BW nadien niet is gewijzigd, acht ik haar opvatting ook thans relevant.
HR 28 juni 1996, NJ 1997, 58 m.nt. Maeijer; JOR 1996/85 m.nt. Van den Ingh (Bodam Jachtservice).
HR 28 juni 1996, NJ 1997, 58; JOR 1996/85 (Bodam Jachtservice). Volgens Huizink is de raad van commissarissen niet verplicht regelmatig te inspecteren of behoorlijk wordt boekgehouden en te controleren of de jaarrekening inderdaad is gedeponeerd. Zie Huizink, GS Rechtspersonen, art. 2:149 BW, aant. 3a. Zie ook Rb. ’s-Hertogenbosch 9 november 2011, JOR 2012/74 m.nt. Bulten (Van der Meer q.q./Dietz), waarin de rechtbank bovenstaande opvatting van Huizink instemmend citeert.
Zie voor een voorbeeld Rb. Maastricht 22 augustus 1996, JOR 1997/2 m.nt. Wezeman (Primosa); Hof ‘s-Gravenhage 26 april 2005, JOR 2005/171 m.nt. Borrius (Berntsen/Lampe); en recenter nog Rb. Midden-Nederland 19 juni 2013, JOR 2013/237 m.nt. Verboom (Landis); en Rb. NoordNederland 4 december 2013, JOR 2014/64 m.nt. Van Thiel (Betelgeuze).
HR 28 juni 1996, NJ 1997, 58; JOR 1996/85 (Bodam Jachtservice).
Ten overvloede wijs ik erop dat een verantwoordelijkheidsverdeling tussen de uitvoerende en de niet-uitvoerende bestuurders op gespannen voet zou staan met Richtlijn 2013/34/EU. In art. 33 van deze richtlijn is vastgelegd dat de leden van het bestuursorgaan collectief verantwoordelijk zijn voor de opstelling en openbaarmaking van de jaarrekening en het jaarverslag, zie Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (PbEU 2013, L, 182/19).
Ook Van Ginneken 2017, p. 212, lijkt deze opvatting te zijn toegedaan.
Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel Wet bestuur en toezicht merkte de minister op dat het financiële beheer en de taak om de jaarrekening te publiceren ‘specifiek uitvoerende taken’ zijn. Deze taken kunnen volgens hem zonder meer worden toebedeeld aan een of meer uitvoerende bestuurders.1 Ik zie dat niet anders. De administratie- en publicatieplicht vallen mijns inziens namelijk niet onder de algemene gang van zaken, waar iedere bestuurder direct verantwoordelijkheid voor draagt.2
Ik ga ervan uit dat de niet-uitvoerende bestuurders zich in de praktijk niet met het voeren van de administratie en het publiceren van de jaarrekening bezighouden. Hun taak zal zich in de regel beperken tot het houden van actief toezicht op de naleving van deze plichten.3 Actief, omdat bij het niet naleven van de administratie- en publicatieplicht de sanctie van hoofdelijke aansprakelijkheid ex art. 2:138/248 BW op de loer ligt. Tegen deze achtergrond rijst de vraag of de zware sanctie die het tweede lid van art. 2:138/248 BW verbindt aan het schenden van de administratie- of publicatieplicht in het geval van een one tier board wel wenselijk is.4
Strik meent van niet. Zij vraagt zich af waarom er ten aanzien van de niet-uitvoerende bestuurder een onweerlegbaar vermoeden van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling moet worden aangenomen wanneer een uitvoerend bestuurder heeft verzuimd aan de administratie- of publicatieplicht te voldoen. Volgens haar zou voor de niet-uitvoerende bestuurders een regime moeten gelden dat soortgelijk is aan het regime dat voor commissarissen geldt.5
De bewijsvermoedens van art. 2:138/248 lid 2 BW zijn niet een-op-een van toepassing op commissarissen. De Hoge Raad stelde in Bodam Jachtservice voorop dat commissarissen niet zelf verplicht zijn aan de administratie- of publicatieplicht te voldoen, ook niet als het bestuur in de nakoming daarvan tekortschiet.6 Wel is het hun taak op de nakoming van die verplichtingen toezicht te houden. Zo nodig moeten de commissarissen ingrijpen, bijvoorbeeld door een bestuurder te schorsen of zijn ontslag te bevorderen.7 Heeft de raad van commissarissen onvoldoende toezicht gehouden op de uitvoering van de administratie- of publicatieplicht door het bestuur, dan vinden de bewijsvermoedens van art. 2:138/248 lid 2 BW toepassing.8
Ik wijs er voor de volledigheid op dat in dit kader een bijzondere bewijslastverdeling geldt. In beginsel is het aan de curator om te stellen en zo nodig te bewijzen dat de commissaris zijn toezichthoudende taak onbehoorlijk heeft vervuld. Heeft het bestuur niet aan de verplichtingen van art. 2:10 BW of art. 2:394 BW voldaan, dan mag van de commissaris worden verlangd dat hij voldoende feitelijke gegevens verstrekt ter motivering van zijn betwisting van de stellingen van de curator, aldus de Hoge Raad in Bodam Jachtservice.9
In tegenstelling tot Strik, acht ik het niet nodig art. 2:138/248 BW op dit punt aan te passen. Anders dan de commissarissen, maken de niet-uitvoerende bestuurders deel uit van het bestuur. Dit betekent simpelweg dat de niet-uitvoerende bestuurders bestuursverantwoordelijkheid dragen voor het voeren van een deugdelijke administratie en het opstellen en tijdig publiceren van de jaarrekening.10 Bovendien biedt het derde lid van art. 2:138/248 BW mijns inziens ruimte om met de bijzondere positie van de niet-uitvoerende bestuurder rekening te houden.11