Einde inhoudsopgave
Invloed van schuldeisers in insolventieprocedures (IVOR nr. 129) 2023/5.2.2
5.2.2 Hoofdlijnen
mr. H.J. de Kloe, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. H.J. de Kloe
- JCDI
JCDI:ADS708342:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Bijvoorbeeld Engberts 2020, p. 185 en Wessels Insolventierecht IV 2020/4226.
Molengraaff/Star Busman & Ribbius, p. 344. Zie onder verwijzing naar de druk uit 1951 van Molengraaff Wessels Insolventierecht IV 2020/4226.
Pannevis 2019, nr. 515.
Bijvoorbeeld Polak/Pannevis 2022, par. 13.3.6.1 en J.B.A. Jansen, annotatie onder Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21 augustus 2020, JOR 2021/18.
Frima, FIP 2021/94, p. 6 en Neijt 2019, p. 71-85. Het lijkt erop, gelet op de bronnen waarin het begrip ’69-verzoek’ voorkomt, dat deze verkorte variant jargon is voor rechters-commissarissen.
HR 10 mei 1985, NJ 1985/791 (Van der Giessen q.q./Rutten en Kruisman), r.o. 3.3.1. Zie hierover verder paragraaf 5.3.
Wet van 22 december 2005 tot vaststelling van titel 7.17 (verzekering) en titel 7.18 (lijfrente) van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, Stb. 2005, 700.
Zonder hiermee een volledig overzicht van alle uitspraken te geven zij verwezen naar HR 15 juli 2022, NJ 2022/367, r.o. 3.2.1; HR 10 mei 1985, NJ 1985/792 (Smit/Van der Sijs q.q.), r.o. 3.2; HR 3 oktober 1935, NJ 1936/96 en HR 31 december 1925, NJ 1926, p. 316. Zie hierover verder paragraaf 5.4.
HR 10 mei 1985, NJ 1985/793 (Brink/Curatoren THB), r.o. 3.22.
HR 15 december 2017, NJ 2018/17, r.o. 3.4.2. Zie voor een voorbeeld waar de Hoge Raad een failliet desondanks in de proceskosten veroordeelde HR 26 maart 2021, RI 2021/39, r.o. 2.3.
Zie hierover verder paragraaf 5.7.
Zie inclusief verwijzingen naar eerder uitspraken van de Hoge Raad HR 28 september 2018, NJ 2019/16, r.o. 3.33 t/m 3.35. Het oordeel van de Hoge Raad dat geen proceskostenveroordeling uitgesproken kan worden in HR 26 november 1982, NJ 1983/442 (Bouchar/Dekkers q.q.), r.o. 4.4 is hiermee achterhaald.
Artikel 69 Fw geeft iedere individuele schuldeiser, de schuldeiserscommissie en de gefailleerde het recht een verzoek in te dienen bij de rechter-commissaris om op die manier op te komen tegen elke handeling van de curator of een bevel uit te lokken dat de curator een bepaalde handeling verricht of nalaat. Dit recht wordt ook wel het klachtrecht,1 het recht van verzet2 en de controlebevoegdheid (van artikel 69 Fw)3 genoemd. Een meer neutrale omschrijving die veel gebruikt wordt voor het verzoek is het artikel 69-verzoek4 of kortweg 69-verzoek5. In dit hoofdstuk wordt met name gebruikgemaakt van de termen ‘klachtrecht’ en ’artikel 69-verzoek’ of, als het om de procedure als geheel gaat, ‘artikel 69-procedure.
De kring van belanghebbenden die het klachtrecht hebben, is limitatief omschreven in artikel 69 Fw.6 Opgemerkt zij dat artikel 69 Fw sinds 2006 van overeenkomstige toepassing is op de begunstigde van een levensverzekering, ook als de begunstigde niet de gefailleerde is (art. 22a lid 4 Fw).7 Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat artikel 69 Fw in beginsel uitsluitend is bedoeld voor het uitoefenen van invloed op het beheer van de boedel en niet om persoonlijke rechten tegenover de boedel geldend te maken.8 De rechter-commissaris toetst het beleid van de curator in volle omvang.9 Bij een veroordeling van de boedel of de failliet in de proceskosten moet wel terughoudendheid worden betracht.10 Tegen een beslissing van de rechter-commissaris op grond van artikel 69 Fw kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank op grond van artikel 67 Fw.11 De rechtbank kan overeenkomstig artikel 362 Rv in verbinding met artikel 289 Rv een veroordeling in de proceskosten uitspreken.12 Naar mijn mening heeft de rechter-commissaris deze bevoegdheid ook. De Hoge Raad overweegt dat niet expliciet, maar ik zie geen reden waarom de rechter-commissaris niet overeenkomstig artikel 289 Rv een veroordeling in de proceskosten uitspreken.