Einde inhoudsopgave
De verbintenisrechtelijke bescherming van de kleine opdrachtnemer (MSR nr. 85) 2023/2.2
2.2 De loonregels van afdeling 7.7.1 BW
N.M.Q. van der Neut, datum 22-09-2023
- Datum
22-09-2023
- Auteur
N.M.Q. van der Neut
- JCDI
JCDI:ADS855295:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De formulering van art. 7:406 lid 1 BW brengt mee dat slechts onkosten die uitsluitend zijn gemaakt ten dienste van deze ene opdracht, voor vergoeding in aanmerking komen (Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 7 titels 1, 7, 9 en 14, 1991, p. 337 en 338). Verder is deze aanspraak begrensd tot de kosten die redelijk en verantwoord zijn voor een juiste uitoefening van de werkzaamheden, waarbij de opdrachtnemer voorzichtigheid in acht moet nemen bij het maken van onkosten (Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 7 titels 1, 7, 9 en 14, 1991, p. 337). Als zowel de overeenkomst als het (normale) gebruik geen opheldering biedt t.a.v. de vraag of de onkosten in het loon zijn verwerkt, zal dit veelal kunnen worden bepaald aan de hand van de wijze waarop het loon wordt vastgesteld (zie daarover Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2022/139).
Zie bijv. hof Arnhem-Leeuwarden 10 november 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:9287. Uitzonderingen op dit uitgangspunt kunnen overigens uit de wet of het ongeschreven recht voortvloeien (zie uitgebreider Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2022/128).
De keuze om deze bescherming aan dit type opdrachtnemer te koppelen is in zoverre opvallend, nu in andere gevallen juist bescherming wordt geboden aan de opdrachtnemer die niet in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf handelt. De verklaring hiervoor is dat de overeenkomst van opdracht bijv. ook – anders dan in deze studie wordt aangenomen – een ‘vriendendienst’ kan zijn, in welk geval de regel van art. 7:405 lid 1 BW niet passend zou zijn.
Deze discussie speelt tevens m.b.t. de algemene voorwaarden. Ook in dit kader wordt wel een ruime interpretatie van het begrip ‘in de uitoefening van een beroep of bedrijf’ aangehouden (Asser/Sieburgh 6-III 2022/499 e.v.).
Kamerstukken II 1982/83, 17 779, 3, p. 4; Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 7 titels 1, 7, 9 en 14, 1991, p. 334.
Vgl. Asser/Kortmann-De Leede-Thunnissen 5-III 1994/55; Pitlo/Croes e.a. 1995, p. 232-233; Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2022/127. Volledigheidshalve merk ik op dat zonder aanspraak op art. 7:405 lid 1 BW de weg van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 1 BW) nog wel openstaat en die hetzelfde resultaat kan bewerkstelligen.
Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2022/127. Zie bijv. hof Amsterdam 16 februari 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:392, waarin de overweging is te vinden dat twee derde van de maaltijdbezorgers – in ieder geval in fiscale zin – hobbymatig werkt.
Er bestaan bijv. onvoldoende aanknopingspunten voor de vaststelling van het gebruikelijk loon, zoals het aantal gewerkte uren en een gebruikelijk uurloon.
Zie bijv. HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG1680 (3Span/Recreatiebeheer), waarin een projectmanagementperiode van elf maanden en een vaste vergoeding waren overeengekomen. Gedurende het project werden de werkzaamheden uitgebreid, waardoor de projectmanagementperiode met drie maanden werd verlengd en de opdrachtnemer een vergoeding voor de extra werkzaamheden vorderde op grond van art. 7:405 lid 2 BW. Hierbij kon de opdrachtnemer echter het exacte aantal uren van het meerwerk niet specificeren doordat alle uren als één groot project door elkaar waren gemaakt. Ondanks het feit dat het loon van het extra werk niet op de gebruikelijke wijze was vast te stellen, kon aan de hand van de wel beschikbare gegevens toch een redelijk loon worden bepaald. In deze zaak kon o.m. acht worden geslagen op de aard en omvang van de extra werkzaamheden in vergelijking met de aard en omvang van de in de overeenkomst beschreven werkzaamheden. Na verwijzing werkte het hof ’s-Hertogenbosch uiteindelijk twee berekeningsmethoden uit (hof ’s-Hertogenbosch 19 januari 2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:BL0928).
HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG1680 (3Span/Recreatiebeheer).
HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG1680 (3Span/Recreatiebeheer). Zie bijv. ook hof Arnhem-Leeuwarden 17 maart 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:2309. De rechter zal in het algemeen kunnen volstaan met de vermelding welke omstandigheden hij n.a.v. het debat tussen partijen in aanmerking heeft genomen en hoe hij met de inachtneming van die omstandigheden tot de bepaling van het redelijke loon is gekomen.
Vgl. concl. A-G Timmerman, ECLI:NL:PHR:2008:BG1680 voor HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG1680 (3Span/Recreatiebeheer); Hijma, NJ 2011/4.
Voor opdrachtnemers (aan de onderkant) die artistieke prestaties leveren, zoals fotografen, journalisten en tekstschrijvers, speelt bijv. ook nog het risico dat zij contractueel afstand doen van hun auteurs- of beeldrechten en exploitatierechten, waardoor zij bij hergebruik geen extra betaling ontvangen (vgl. Aerts 2007, p. 363).
De afspraken tussen de opdrachtgever en opdrachtnemer bepalen in principe of loon is verschuldigd en wat de hoogte daarvan is. De afdeling inzake de opdracht (afdeling 7.7.1 BW) is vrij beknopt en algemeen van aard en dit komt ook naar voren ten aanzien van het onderwerp loon. Als geen afspraken zijn gemaakt over het recht op loon of de hoogte daarvan, geeft deze afdeling daar invulling aan (artikel 7:405 BW) (zie hieronder nader). Daarnaast kent afdeling 7.7.1 BW een bepaling die meebrengt dat de opdrachtgever de aan de opdracht verbonden onkosten moet vergoeden, tenzij deze in het loon zijn begrepen (artikel 7:406 lid 1 BW).1 Deze verplichting van de opdrachtgever blijft hier buiten beschouwing, omdat daarin geen daadwerkelijke (inkomens)bescherming voor de opdrachtnemer ligt opgesloten. Verder is in deze afdeling geregeld wanneer en in welke mate de opdrachtnemer bij een voortijdig einde van de opdracht recht heeft op loon (artikel 7:411 BW). Omdat deze bepaling niet los kan worden gezien van de beëindiging van de overeenkomst, komt de bespreking daarvan in het hoofdstuk over opzegging aan bod (zie paragraaf 4.2.3.1). In het vervolg van deze paragraaf richt ik mij op de bescherming die afdeling 7.7.1 BW de opdrachtnemer met betrekking tot (de hoogte van) het loon kan bieden.
Partijen spreken meestal af op welk loon de opdrachtnemer aanspraak kan maken. Ook zonder dergelijke afspraak heeft de opdrachtnemer die de overeenkomst in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf is aangegaan, recht op loon (artikel 7:405 lid 1 BW).2 Het ligt voor de hand dat het begrip ‘in de uitoefening van een beroep of bedrijf’ ruim moet worden geïnterpreteerd en dat hieronder de opdrachtnemer valt die zowel geheel als gedeeltelijk ten behoeve van zijn beroeps- of bedrijfsactiviteiten handelt,3 zoals een pakketbezorger en kunstenaar.4 Als de opdrachtnemer buiten de uitoefening van een beroep of bedrijf handelt, mag volgens de wetgever normaal gesprokenworden verondersteld dat partijen hebben beoogd dat geen loon is verschuldigd.5 Deze veronderstelling vaart op het gerechtvaardigd vertrouwen. Een redelijke uitleg van artikel 7:405 lid 1 BW lijkt mee te brengen dat de opdrachtnemer die niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf handelt en geen afspraak over de verschuldigdheid van loon heeft gemaakt, hier toch recht op kan hebben indien de dienstverlening in principe alleen tegen een contraprestatie wordt verricht.6 In dat geval ontbreekt immers het gerechtvaardigd vertrouwen dat de dienstverlening ‘om niet’ zou geschieden. Daarbij kan worden gedacht aan opdrachten die worden verstrekt via een platform; platformwerkers beogen inkomen te genereren voor de werkzaamheden die zij via het platform verrichten, terwijl zij mogelijk niet beroeps- of bedrijfsmatig handelen.7
Het uitgangspunt is aldus dat alle niet-particuliere opdrachtnemers, waaronder de opdrachtnemer aan de onderkant die in dit onderzoek centraal staat, recht heeft op loon. Een vraag van een heel andere orde is wat de hoogte van het loon is. Deze vraag speelt niet alleen als partijen niet over de verschuldigdheid van het loon hebben gesproken (en het recht hierop dus voortvloeit uit artikel 7:405 lid 1 BW), maar ook als loon is bedongen zonder daarbij de hoogte of berekeningswijze te bepalen.8 In die situatie is de opdrachtgever het op de gebruikelijke wijze berekende loon of – bij gebreke daarvan9 – een redelijk loon verschuldigd (artikel 7:405 lid 2 BW). Zo kan naar deze norm worden gekeken indien de omvang van de werkzaamheden niet nauwkeurig vaststaat. Ook kan deze maatstaf bijvoorbeeld worden toegepast als de opdrachtnemer extra, niet in de oorspronkelijke overeenkomst begrepen werkzaamheden op zich neemt en hierdoor meer uren maakt.10
Wat een ‘redelijk’ loon is, is onder meer afhankelijk van (i) de aard van de verrichte werkzaamheden, (ii) de – zo nodig schattenderwijs te bepalen – omvang van de verrichte werkzaamheden en (iii) hetgeen in de desbetreffende branche in het algemeen gebruikelijk is.11 Het laatstgenoemde handvat toont het maatschappelijk-economische kader waarin de loonbepaling zich voordoet.12 Daarbij geldt dat aan de bepaling van een redelijk loon, anders dan normaliter het geval is bij de berekening van een gebruikelijk loon, niet een nauwkeurige berekening ten grondslag kan worden gelegd. Om die reden kunnen in een juridische procedure ter vaststelling van het loon geen hoge eisen worden gesteld aan de stelplicht en bewijslast van de opdrachtnemer omtrent het redelijke loon en aan de motivering door de rechter van zijn oordeel daaromtrent.13 Van deze soepele benadering gaat een zekere beschermende werking jegens de opdrachtnemer uit. De rechtvaardiging hiervoor kan (vooral) worden gevonden in het feit dat het redelijke loon als vangnet fungeert om het recht op loon aan de opdrachtnemer toe te wijzen in gevallen waarin vaststaat dat extra werkzaamheden zijn verricht, maar heldere criteria omtrent de hoogte van het loon ontbreken.14 Een andere benadering zou ertoe kunnen leiden dat voor de extra uitgevoerde werkzaamheden geen loon wordt betaald (en de opdrachtgever mogelijk ongerechtvaardigd wordt verrijkt). Het enkele feit dat de opdrachtnemer geen exacte urenspecificatie kan overleggen, omdat de extra uren bijvoorbeeld als één project door elkaar zijn gemaakt, kan deze vermogensverschuiving niet dragen. Een zodanige verschuiving ligt slechts voor de hand als de opdrachtnemer dusdanig weinig aanvoert dat het twijfelachtig is of hij überhaupt wel extra werkzaamheden heeft verricht.15 Bovendien zorgt deze soepele benadering ervoor dat de opdrachtnemer wordt beschermd ten aanzien van zijn bewijspositie in de situatie dat hij ‘extra’ betaling vordert voor de extra uren en de opdrachtgever zich daartegen verweert door te stellen dat een vast bedrag is overeengekomen. Deze bescherming geldt voor alle opdrachtnemers en staat dus in principe los van de hoedanigheid van partijen.
De afdeling inzake de opdracht regelt niet wanneer het loon moet worden betaald. Daarvoor moet worden teruggegrepen op de partijafspraken of, bij het ontbreken daarvan, de algemene bepalingen uit Boek 6 BW, die regelen dat de betaling terstond moet plaatsvinden (artikel 6:38 e.v. BW) (zie paragraaf 2.4.1.2). De partijafspraken beheersen dus in beginsel de regels over de verschuldigdheid van het loon, de hoogte daarvan en het betalingsmoment. Afdeling 7.7.1 BW kent geen bodembescherming omtrent bijvoorbeeld de hoogte van het loon. Oftewel: zij grijpt niet in op loonafspraken. De afdeling inzake de opdracht biedt de opdrachtnemer aan de onderkant op het terrein van loon zodoende nauwelijks bescherming.16 Zodanige bescherming kan wel buiten deze afdeling worden gevonden (zie paragraaf 2.3).