Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid
Einde inhoudsopgave
Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 106) 2017/4.16:4.16 Temporele reikwijdte in de Tweede Misbruikwet
Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 106) 2017/4.16
4.16 Temporele reikwijdte in de Tweede Misbruikwet
Documentgegevens:
mr. C.E.J.M. Hanegraaf, datum 25-06-2017
- Datum
25-06-2017
- Auteur
mr. C.E.J.M. Hanegraaf
- JCDI
JCDI:ADS300066:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De schakelbepalingen in de Tweede Misbruikwet zijn opgenomen in de betreffende wetsartikelen zelf. Om die reden hoeft niet verwezen te worden naar een algemene – zo men wil: onduidelijke – omschrijving als “ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid” zoals die is opgenomen in art. 2:11 BW.Vgl. Wezeman 1998, p. 381. Voor de Tweede Misbruikwet geldt dat alleen die bestuurder kan worden aangesproken tijdens wiens bestuur de betreffende premie- of belastingschuld is ontstaan.1Art. 36 lid 5 sub a. Invorderingswet 1990 bijvoorbeeld bepaalt dat onder “bestuurder” mede wordt begrepen de gewezen bestuurder tijdens wiens bestuur de belastingschuld is ontstaan. De in het betreffende artikel opgenomen meldingsplicht is verbonden aan het uitoefenen van de (feitelijke) bestuurstaak. Ik zie geen reden waarom een bestuurder die is afgetreden vóórdat de meldingsplicht is ontstaan nog onder de reikwijdte van bijvoorbeeld art. 36 lid 4 Invorderingswet 1990 zou vallen. Deze plicht behoort niet meer te ontstaan voor een al afgetreden bestuurder.2