Einde inhoudsopgave
Exoneraties in (ICT-) contracten tussen professionele partijen (R&P nr. 141) 2006/3.5
3.5 Tussenconclusie
Mr. T.J. de Graaf, datum 15-05-2006
- Datum
15-05-2006
- Auteur
Mr. T.J. de Graaf
- JCDI
JCDI:ADS409131:1
- Vakgebied(en)
Informatierecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 12 december 1997, NJ 1998, 208 (concl. A-G Hartkamp; Stein/Driessen).
HR 31 december 1993, NJ 1993, 389 (cond. A-G Hartkamp; Matatag/De Schelde of 'Serra'; m.nt. Brunner).
HR 7 december 2001, JOR 2002, 44 (concl. A-G De Vries Lentsch-Kostense; GeerisNan Beusekom).
Door over het handelen van de bedrijfsleiding te spreken ga ik er van uit dat de betreffende persoon ook in die hoedanigheid handelt. Zie voor een geval waarin onduidelijk is in welke hoedanigheid een persoon handelt (in privé of als bestuurder van een vennootschap) HR 5 december 2003, NJ 2004, 506 (concl. A-G Timmerman; DistelbergNan der Meulen).
Broekema-Engelen (Verbintenissenrecht), art. 76, aant. 22 ten aanzien van de verhouding tussen de art. 6:75 en 76 BW; Asser/Hartkamp 2002 (4-III), nr. 258 ten aanzien van de verhouding tussen de art. 6:162 en 170 lid 3 BW.
Een beroep op een exoneratie is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid in het algemeen onaanvaardbaar als sprake is van eigen opzet of bewuste roekeloosheid of opzet of bewuste roekeloosheid van de bedrijfsleiding (Stein/ Driessen).1 Een beroep op iedere andere exoneratie is dus a contrario (in beginsel) geoorloofd (Matatag/De Schelde als alter ego van Stein/Driessen).2Zo mag bijvoorbeeld (in beginsel) worden geëxonereerd voor schade veroorzaakt door opzet of bewuste roekeloosheid van ondergeschikten (die niet tot de bedrijfsleiding behoren) en onderaannemers. Anders gezegd, door middel van een exoneratie kan worden afgeweken van het regelend recht van de art. 6:76 (aansprakelijkheid voor hulppersonen bij wanprestatie), 6:170 (aansprakelijkheid voor ondergeschikten bij onrechtmatige daad) en 6:171 BW (aansprakelijkheid voor niet-ondergeschikten bij onrechtmatige daad). Ik schrijf steeds 'in beginsel' omdat een zodanige exoneratie weliswaar is toegestaan, maar het van de omstandigheden van het geval zal afhangen of een beroep op die exoneratie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is op grond van art. 6:248 lid 2 BW. In het volgende hoofdstuk werk ik deze gedachte verder uit.
Een aansprakelijkheidsbeperking bestaat altijd uit een hoofdregel (dat wil zeggen een gedeelte waarin aansprakelijkheid wordt aanvaard, bijvoorbeeld: 'leverancier is aansprakelijk voor schade die direct of indirect verband houdt met deze overeenkomst tot een bedrag van EUR x per jaar') en een uitzondering (dat wil zeggen een gedeelte waarin staat onder welke omstandigheden de aansprakelijkheidsbeperking niet geldt, bijvoorbeeld 'behoudens opzet of bewuste roekeloosheid van de leverancier of diens bedrijfsleiding').
Als een exoneratie geen expliciete uitzondering bevat, dan is de exoneratie geldig, maar moet de uitzondering 'behoudens opzet of bewuste roekeloosheid van de leverancier of diens bedrijfsleiding' erbij worden gedacht.3
Als de afnemer een beroep wenst te doen op de hoofdregel, dan moet hij onder andere bewijzen dat (i) het handelen van degene die hem schade toebrengt als handelen van de leverancier heeft te gelden (Babbelleer) of (ii) de leverancier voor dat handelen kwalitatief aansprakelijk is (art. 6:76, 170 of 171 BW).
Als de afnemer een beroep wenst te doen op de uitzondering, dan moet hij onder andere bewijzen dat het handelen van degene die hem schade toebrengt als handelen van de leverancier heeft te gelden. Het handelen van de bedrijfsleiding geldt automatisch als handelen van de leverancier; het handelen van anderen zal niet snel als handelen van de leverancier gelden.4 Dit komt door de strekking van de exoneratie, het alles-of-niets karakter en het vergaande gevolg van de sanctie als het handelen wordt toegerekend (onbeperkte aansprakelijkheid) alsmede de mogelijkheid de exoneratie in combinatie met andere Saladin/HBu-omstandigheden alsnog onaanvaardbaar te achten. De afnemer heeft geen mogelijkheid de leverancier onder de uitzondering aan te spreken op basis van kwalitatieve aansprakelijkheid (art. 6:76, 170 of 171 BW).
Broekema-Engelen en Hartkamp menen dat de praktijk weinig behoefte heeft de wanprestatie althans onrechtmatige daad van een ondergeschikte te laten gelden als wanprestatie althans onrechtmatige daad van de leverancier zelf omdat de leverancier toch wel uit hoofde van de art. 6:76 of 170 BW kwalitatief aansprakelijk is5 De situatie waarin de afnemer een beroep wenst te doen op de uitzondering en dus geen mogelijkheid heeft de leverancier kwalitatief aansprakelijk te laten zijn, vormt mijns inziens een goed voorbeeld van een situatie waarin de praktijk behoefte heeft aan toerekening in plaats van kwalitatieve aansprakelijkheid.
Hoe een exoneratie voor bepaalde vormen van opzet en schuld zich verhoudt tot de dekking onder een third party aansprakelijkheidsverzekering, bespreek ik in 5.2.6. Voor een leverancier is immers interessant na te gaan in hoeverre hij bij bepaalde vormen van opzet en schuld, ondanks het feit dat hem geen beroep toekomt op zijn exoneratie, toch aanspraak kan maken op zijn verzekeringsdekking.