Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/2.II.C.4.a
a. Fiscaal volgt civiel
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS476167:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Zie tevens grenspost 1, hfdst. II, onderdeel A.2.C.
Handelingen II 2005/2006, nr. 101, p. 6225 (2e kolom). Zie tevens grenspost 1, hfdst. II, onderdelen A.2.b en A.2.C.
Kamerstukken II 2005/2006, 30509, nr. 15. Zie tevens grenspost 1, hfdst II, onderdelen A.2.b en A.2.C.
Vgl. B.F. Preller, ‘De Wet inrichting landelijk gebied en kavelruil’, in: JBN 2007/10. Zie tevens B.F. Preller, ‘Kavelruil en de vrijstelling van overdrachtsbelasting’, in: FBN 2005/10.
Lees: de kavelruil voldoet aan de eisen van art. 85-88 WILG en, sinds 1 januari 2010 aan art. 31a BILG.
In dezelfde zin J.W.A. Rheinfeld, ‘Kavelruil anno 2013: de stand van zaken’, p. 242-243.
D.W. Bruil, ‘Kavelruil geregeld?’, p. 634.
Zie J.WA Rheinfeld, ‘Kavelruil anno 2013: de stand van zaken’, p. 243. De Belastingdienst Noord, kantoor Leeuwarden haalt mijn woorden letterlijk aan in een brief d.d. 27 maart 2012 inzake de toepassing van de vrijstelling van artikel 15, lid 1, onderdeel 1, WBR in een concrete kavelruil-casus.
Zie A. Verduijn, ‘Fiscaal agrarische actualiteiten’, in: Agrarisch recht 2007/3, p. 107.
Zie onderdeel B.2 hiervoor.
Zie nader grenspost 1, hfdst ïï, onderdeel E.2.
De ene kavelruil is de andere dus niet, zo zal eveneens blijken uit onderdeel b hierna. Zie tevens J.W.A. Rheinfeld, ‘De ene kavelruil is de andere niet’, in: FBN 2013/13, alsmede J.W.A. Rheinfeld, ‘De ene kavelruil is de andere niet’, in: Notarisklerk 2013/7-8.
De op handen zijnde invoering van de WILG en het daarmee gepaard gaande afscheid van de Landinrichtingswet zou een goede mogelijkheid zijn om de gewenste duidelijkheid omtrent de civielrechtelijke en Fiscale samenhang op het terrein van de kavelruil (alsnog) te verschaffen, na de ‘misser’ van 12 november 2004. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt naar mijn mening dat de overheid zich (enigszins) bewust was van deze behoefte aan het schenken van klare wijn op dit terrein. De woorden van ‘held’ van de kavelruil Slob1 zijn in dit kader illustratief:
“(…) Ik denk ook aan de Belastingdienst, die in november 2004 heeft aangegeven zelf wel te gaan bepalen of er sprake is geweest van een geldige kavelruil of niet. De Belastingdienst komt ook jaarlijks met naheffmgen voor ten onrechte verkregen belastingvoordelen in het kader van kavelruil. Kortom, er is wel iets aan de hand.”2
Tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel WILG in de Tweede Kamer is door de Kamerleden Koopmans, Van der Vlies en Snijder-Hazelhoff een motie ingediend, welke door de Kamer is aangenomen. De motie kent de navolgende inhoud:
“(…) overwegende, dat onder de oude Landinrichtingswet grondoverdracht in aanmerking Icwam voor vrijstelling van kadaster- en notariskosten;
overwegende, dat voorheen deze vrijstelling van kadaster- en notariskosten gekoppeld was aan een vrijstelling van de overdrachtsbelasting;
verzoekt de regering er zorg voor te dragen dat de koppeling tussen het goedkeuren van kavelruil en de vrijstelling van overdrachtsbelasting gehandhaafd blijft en dat de Belastingdienst deze ook als zodanig hanteert (,..)”3
De fiscale autoriteit zal zich derhalve, voor de fiscale behandeling van de kavelruil onder vigeur van de WILG, bij de civielrechtelijke realiteit moeten aansluiten.4 Het regime zoals dat gold tot 12 november 2004 zal daarmee de facto herleven, waarbij er geen enkele ruimte voor twijfel meer is: zodra een kavelruil civielrechtelijk in orde is, 5 is de weg naar artikel 15, lid 1, onderdeel 1, WBR vrij. Voor een zelfstandige fiscale toetsing, die aan een civielrechtelijk ‘kloppende’ WILG-kavelruil de ‘hoofdprijs’ kan ontzeggen, is alsdan geen plaats meer.6 Of, zoals Bruil het verwoordt:
“(…) Daarmee lijkt dus geen licht te zitten tussen de civielrechtelijke consequenties en de fiscale.”7
Wel dient de Belastingdienst de toepasselijkheid van de vrijstelling in concrete gevallen afzonderlijk te beoordelen, maar dit zal niet meer dan een formaliteit zijn: de Belastingdienst dient enkel de vereisten van artikel 85-88 WILG en 31a BILG ‘af te vinken’.8
De praktijk was opgelucht: voor het eerst sinds jaren was er volkomen duidelijkheid op fiscaal terrein. De autonome fiscus die door naheffingen menig deelnemer aan een kavelruil schrik aanjoeg, was door de minister weer terug in zijn fiscale hok gezet Feitelijk betekende deze koerswijziging op fiscaal gebied9 een terugkeer naar het ongecompliceerde systeem zoals dat gold onder de Ruilverkavelingswet 1938.10 Noch in de wettekst van artikel 101 Ruilverkavelingswet 1938, noch in overige wetgeving waren nadere, beperkende voorwaarden ten aanzien van de fiscaliteit opgenomen. Hetzelfde gold per 1 januari 2007 voor de WILG-kavelruil, zij het dat de ‘verboden categorieën’ uit artikel 31a BILG11 de kavelruil per 1 januari 2010 op civielrechtelijk vlak inperken, hetgeen door de (nieuwe) koppeling ‘civiel = fiscaal’ uiteraard een directe doorwerking heeft richting de fiscale behandeling van de kavelruil.
De gevoelens van opluchting naar aanleiding van het nieuwe, heldere beleid op fiscal terrein gelden echter enkel voor ‘nieuwe’ kavelruilen, onder het regime van de WILG.12 Voor bestaande Liw-kavelruilen aangegaan in de periode 20 november 2004 tot 31 december 2006 geldt derhalve nog het oude, onzekere systeem waarbij de autonome fiscale toetsing zeer wel mogelijk is. De beleidswijziging werpt haar schaduw dus niet vooruit.