Einde inhoudsopgave
Re-integratie zieke werknemer (MSR nr. 66) 2014/9.1.3
9.1.3 Sociale rechtsvorming of gevormd sociaal recht?
mr.dr. G.A. Diebels, datum 24-09-2014
- Datum
24-09-2014
- Auteur
mr.dr. G.A. Diebels
- JCDI
JCDI:ADS582816:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Europees arbeidsrecht
Rechtswetenschap / Algemeen
Sociale zekerheid arbeidsongeschiktheid / Re-integratie
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Voetnoten
Voetnoten
In sociaalrechtelijke wetgeving van na 2007, het jaar waarin de EU flexicurity adopteerde, is bij mijn weten geen structurele aandacht geschonken aan flexicuritydoelen. Zo is bij de totstandkoming van de WWZ in 2014, een van de ingrijpendste wetgevingsprojecten uit de arbeidsrechtelijke geschiedenis, het woord ‘flexicurity’ één keer gebruikt, door de PVV.
Zie hoofdstuk 5 en § 6.1.1 tot en met 6.1.4. Aan die verantwoordelijkheidsverdeling is al veel aandacht besteed, bijvoorbeeld door Hoogendijk, Fluit 2001 en Sparrius.
Zie bijv. ook Hofman/Pennings, p.37-38.
Zie uitgebreider in § 4.7.1.
In § 4.7.1 heb ik bestaanszekerheid onderverdeeld in inkomenszekerheid en werkzekerheid, dat laatste kort gezegd: employabilityeffecten voor niet-zwakke groepen op de arbeidsmarkt. Bij de toepassing van het toetsingskader gaat het juist wel om een zwakkere groep op de arbeidsmarkt, namelijk de arbeidsongeschikten. Employabilityeffecten voor deze groep worden behandeld bij het insluitingsbeginsel en niet bij werkzekerheid als onderdeel van bestaanszekerheid. Ik laat dat in de toepassing dus buiten beschouwing.
In het toetsingskader van § 4.8 is gepleit voor het verplicht stellen bij sociale rechtsvorming van een beginselentoets waaruit is af te leiden of en zo ja, hoe er rekening wordt gehouden met de leidende sociaalrechtelijke waarden en beginselen. Verder is gepleit voor het verplicht stellen van een flexicuritytoelichting zodat duidelijk wordt gemaakt aan welk flexicuritydoel wordt gewerkt met bepaalde sociale rechtsvorming. Bij een botsing tussen beginselentoets en flexicuritytoelichting zou een voorrangsregel moeten worden toegepast, die er toe moet leiden dat in elk geval aan enig flexicuritydoel wordt gewerkt. Dat is allemaal niet gebeurd: de wetgever heeft de afgelopen decennia bij sociale rechtsvorming niet op een systematische manier rekening gehouden met sociaalrechtelijke waarden en beginselen. Evenmin is iets van een flexicuritytoelichting te bekennen in wetgeving,1waardoor aan een eventuele voorrangsregel uiteraard ook niet is toegekomen. Het is nuttig omdat toetsingskader nu toe te passen, niet op sociale rechtsvorming maar op gevormd sociaal recht. Ik wil onderzoeken: is bij het gevormde sociaal recht rekenschap te geven van sociaalrechtelijke waarden en beginselen? Dat is zo als ten minste één waarde of beginsel wordt gediend. De vervolgvraag is dan: is met een maatregel gewerkt aan flexicuritydoelen? Ook dat is zo als ten minste één flexicuritydoel wordt gediend.
Het toetsingskader wordt toegepast op het gevormd sociaal recht, te weten het positieve re-integratierecht bij arbeidsongeschiktheid. Maar wat omvat dat precies? Het bestaande systeem kent controle-, verzuim- en re-integratievoorschriften die zonder meer tot het re-integratierecht horen. Ik heb dat de voorschriften voor interventies bij arbeidsongeschiktheid genoemd (§ 1.4.3). Aan het re-integratierecht zou ik de loondoorbetalingsverplichting bij ziekte toe willen voegen. De OESO heeft bij interventies enige financiële verantwoordelijkheid van de werkgever doelmatig geacht (§ 1.4.1). In Nederland is dat overduidelijk terug te vinden, omdat de werkgever vanuit een re-integratiegedachte wordt geprikkeld werk te maken van re-integratie, door hem verantwoordelijk te maken voor loondoorbetaling bij ziekte.2 De regeling van het inkomen in de eerste twee jaar van arbeidsongeschiktheid is onmiskenbaar gericht op activering van de zieke werknemer door de werkgever en hoort daarom bij het positieve re-integratierecht.3 Ook op de loondoorbetalingsverplichting bij ziekte, die al is besproken in § 2.7.1, moeten dus de beginselentoets en de flexicuritytoelichting worden toegepast. Ten slotte komt aan de orde of de voorrangsregel moet worden gehanteerd op het re-integratierecht.
De beginselentoets richt zich op de relatie met de zes leidende sociaalrechtelijke waarden en beginselen in Nederland:4
Gelijkheid behandeling en non-discriminatie: gelijke behandeling in gelijke gevallen.
Bestaanszekerheid: sociaal-economische bestaanszekerheid, hier bestaande uit inkomenszekerheid.5
Subsidiaire verantwoordelijkheid: de werknemer moet eerst zelf al het redelijke doen voordat een ander verantwoordelijk wordt, waarbij voor de werknemer kenbaar moet zijnwat van hem wordt verwacht (kenbaarheid) alsook dat het niet voldoen betekent dat hij zelf de verantwoordelijkheid draagt (subsidiariteit).
Bescherming: ongelijkheidscompensatie en gezond en veilig werken.
Solidariteit: positieve wederzijdse ondersteuning tussen groepen of individuen; gemeenschappelijke belangen gemeenschappelijk dragen.
Insluiting: het voorkómen van sociale uitsluiting en deelnemen naar de mate van zijn vermogen met bevordering van ontplooiing en gelijke kansen.
De flexicuritytoelichting richt zich op de bijdrage van de verschillende onderdelen van het re-integratierecht aan het bereiken van flexicuritydoelstellingen. Het is wel verstandig om daar enige focus in aan te brengen aangezien er veel doelen zijn. Zonder toespitsing blijft de flexicuritytoelichting te breed.