Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid
Einde inhoudsopgave
Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 106) 2017/5.6.1:5.6.1 Het verhalen van kosten op grond van art. 2:354 BW
Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 106) 2017/5.6.1
5.6.1 Het verhalen van kosten op grond van art. 2:354 BW
Documentgegevens:
mr. C.E.J.M. Hanegraaf, datum 25-06-2017
- Datum
25-06-2017
- Auteur
mr. C.E.J.M. Hanegraaf
- JCDI
JCDI:ADS302484:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Dit is de wettekst. Bedoeld zal zijn: “binnen”.
Zie hierover o.a.: Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 779.
Zie: Geerts, aantekening 2.
Gerechtshof Amsterdam (OK) 28 juli 2011, JOR 2011, 329 (Scherpenzeel Pensioen/ Königsberg), met name r.o. 5.4.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Art. 2:354 BW bepaalt dat de Ondernemingskamer – na kennisneming van het verslag (van de uitkomst van het onderzoek) – op verzoek van de rechtspersoon kan beslissen, dat deze de kosten van het onderzoek geheel of gedeeltelijk kan verhalen op de verzoekers, indien uit het verslag blijkt dat het verzoek niet op redelijke grond is gedaan, dan wel op een bestuurder, een commissaris of een ander die in dienst van de rechtspersoon is, indien uit het verslag blijkt dat deze verantwoordelijk is voor een onjuist beleid of een onbevredigende gang van zaken van1 de rechtspersoon.2 Aan dit artikel ligt de gedachte ten grondslag dat het niet redelijk is de rechtspersoon de kosten van het onderzoek te laten dragen indien bepaalde personen verantwoordelijk gehouden kunnen worden voor het ontstaan van die kosten.3
In de zaak Gerechtshof Amsterdam (OK) d.d. 28 juli 2011, JOR 2011, 3294 benoemde de Ondernemingskamer een onderzoeker. De Ondernemingskamer bepaalde dat de kosten verbonden aan de werkzaamheden van de onderzoeker voor rekening kwamen van de rechtspersoon-bestuurder die verantwoordelijk was voor het gevoerde wanbeleid (art. 2:354 BW). Ook de natuurlijk persoon die bestuurder was van de betreffende verantwoordelijke rechtspersoon-bestuurder werd “op de voet van artikel 2:11 BW” veroordeeld tot betaling van de facturen van de onderzoeker.
Hoewel het Gerechtshof Amsterdam in voormeld arrest via art. 2:11 BW komt tot een “kostenveroordeling” van de tweedegraads bestuurder in kwestie, kan men zich de vraag stellen of het in art. 2:354 BW ten aanzien van een bestuurder bepaalde daadwerkelijk via art. 2:11 BW doorwerkt naar een tweedegraads bestuurder. Sommige schrijvers ondersteunen die visie. Andere schrijvers zijn van mening dat art. 2:11 BW in een dergelijk geval niet gehanteerd kan worden.