Einde inhoudsopgave
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/7.2.2.2
7.2.2.2 Zwaarwegende maatschappelijke belangen
mr. P. Teunissen, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. P. Teunissen
- JCDI
JCDI:ADS955415:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zoals fabrikanten, afnemers, distributeurs en andere deelnemers in de productie- en distributieketen.
Par. 6.4.2.3 sub (i). Zou art. 6:168 BW een ruimer belangbegrip hanteren, dan is dat overigens niet problematisch. De rechter kan zich in het kader van de evenredigheidstoets beperken tot individualiseerbare belangen.
Parl. Gesch. Boek 6, p. 36. Zie ook Van der Helm 2023, nr. 445.
Zie par. 6.3.2.2.
Zie in deze zin (maar in mijn ogen te strikt): LG Düsseldorf 4 augustus 2020, 4c O 43/19 (Flexibles Atemrohr), rn. 46. Zie ook par. 6.4.2.2 sub (ii).
Anders: Rb. Den Haag 18 juli 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:8777, rov. 4.52 (geen beroep mogelijk op zwaarwegende maatschappelijke belangen vanwege mogelijkheid tot vorderen van een dwanglicentie).
Dwanglicentie op grond van het algemeen belang: Rb. Den Haag (pres.) 17 maart 1995, BIE 1999/443, IER 1995/149, m.nt. Ch. Gielen (Cook/Fujinon), rov. 13. Dwanglicentie wegens afhankelijkheid: Hof Den Haag 4 mei 1995, BIE 1996/44 (Lindholst/Stork, ‘Kropboor’), rov. 17.
In de vorige paragraaf is het standpunt verdedigd dat bij de toepassing van art. 3:13 BW ook derdenbelangen moeten worden meegenomen. Daaronder vallen onder meer bedrijfseconomische belangen die verband houden met de inbreuk.1 Voor de bescherming van maatschappelijke belangen verschaft art. 6:168 BW een bijzondere regeling. De uitleg die in de parlementaire geschiedenis en de literatuur is gegeven aan het belangenbegrip, lijkt op het eerste gezicht verenigbaar met het eerder bepleite vereiste van individualiseerbaarheid.2 Er zijn echter ook enkele aspecten van de bepaling die vragen oproepen over haar geschiktheid als vehikel voor de evenredigheidstoets. Ik behandel hieronder de belangrijkste kwesties.
(i) Rechtsgevolgen
Allereerst rijst de vraag in hoeverre art. 6:168 BW ruimte biedt voor maatwerkoplossingen zoals een respijttermijn. De bewoordingen van de bepaling lijken namelijk te impliceren dat zij alleen ruimte laat voor een algehele afwijzing van een verbod. Uit de parlementaire geschiedenis volgt evenwel dat ook een voorwaardelijk verbod mogelijk is.3 Dit wijst erop dat art. 6:168 BW ook een grondslag kan bieden voor een aangepast verbod, al dan niet voorzien van een respijttermijn of een carve-out.4 Deze interpretatie komt ook overeen met de strekking van de bepaling. Zwaarwegende maatschappelijke belangen kunnen in de regel immers ook voor een bepaalde periode of onder bepaalde omstandigheden in de weg staan van toewijzing van een verbod. Neem bijvoorbeeld het geval waarin door een wereldwijde pandemie een dringende maatschappelijke behoefte ontstaat aan octrooirechtelijk beschermde geneesmiddelen. Het lijkt evident dat voor een afwijzing van een verbod slechts ruimte bestaat zolang er ook daadwerkelijk een dringende behoefte bestaat om de geneesmiddelen te gebruiken.5
(ii) Verhouding tot de dwanglicentie
Gelet op hetgeen in het vorige hoofdstuk is besproken acht ik niet verdedigbaar dat een bestaande regeling met betrekking tot de verlening van een dwanglicentie op voorhand in de weg staat aan een beroep op art. 6:168 BW.6 Het enkele feit dat een verzoek tot het verlenen van een dwanglicentie openstaat rechtvaardigt deze conclusie evenmin.7 Die omstandigheid legitimeert immers juist dat de rechter terughoudendheid in acht neemt bij de toewijzing van een verbod. Het ligt in zulke gevallen voor de hand om de inbreukprocedure aan te houden of te schorsen in afwachting van de beslissing over de verlening van de dwanglicentie.8