Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/68.3
68.3 Digitaal procederen; de periode 2010-2015
prof. mr. B.J. van Ettekoven, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
prof. mr. B.J. van Ettekoven
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 29 april 2004 (Stb. 2004, 214), houdende aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht met regels over verkeer langs elektronische weg tussen burgers en bestuursorganen en daarmee verband houdende aanpassing van enige andere wetgeving (Wet elektronisch bestuurlijk verkeer).
Art. 8:40a Awb is per 12 juni 2017 vervallen in verband met de inwerkingtreding van Afd. 8.1.6.a Awb.
Dit besluit is ingetrokken voor procedures en gerechten waarvoor digitaal procederen geldt.
Besluit van 8 mei 2006 ex artikel 97 Vw 2000, houdende algemene eisen ten aanzien van het horen van personen per videoconferentie, Stb. 2006, 275.
Regeling van 22 september 2010, Stcrt. 2010, nr. 15.000.
ABRvS 29 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX5972 en CRvB 7 mei 2013, ECLI:NL:CRvB:2013:BZ9982, AB 2014/11.
CRVB 22 mei 2013, ECLI:NL:CRvB:2013:CA0743.
ABRvS 11 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2374, AB 2014/293 en JB 2014/16.
ABRvS 22 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:99, JB 2014/62.
ABRvS 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1384, AB 2014/219.
ABRvS 24 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ8406.
ABRvS 13 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1598, JB 2015/117.
Terwijl het langs elektronische weg informatie uitwisselen tussen burger en bestuursorgaan in de Awb in 20041 van een grondslag is voorzien, duurde het tot 2010 voordat met de bestuursrechter elektronisch kon worden gecommuniceerd. De grondslag daarvoor was artikel 8:40a Awb, dat inmiddels is vervallen.2 Het eerste lid van dat artikel bepaalde dat Afdeling 2.3 van de Awb van overeenkomstige toepassing is op het verkeer met de bestuursrechter.
Het ging om digitaal verkeer met de handrem er op. Het bestuursorgaan kon kiezen om de elektronische poort te openen (artikel 2:15 Awb). In dat geval konden berichten langs elektronische weg worden verzonden, maar alleen aan burgers die daarvoor toestemming hadden gegeven (artikel 2:14 Awb). De
AMvB op grond van artikel 8:40a Awb is het Besluit elektronisch verkeer met de bestuursrechter (Stb. 2010, 278)3 en de nadere regels over videoconferentie zijn gesteld in het Besluit Videoconferentie.4 Daarnaast gold de Regeling aanwijzing betrouwbaarheidsniveau authenticatie bij elektronisch verkeer met de bestuursrechters5 en overige spelregels in de procesregelingen van de bestuursrechtelijke colleges, die inhoudelijk nogal verschilden. Zo gold bij de rechtbanken dat een beroepschrift alleen in behandeling werd genomen indien ingediend via de webapplicatie van de rechtspraak (dit gold NIET voor faxverkeer),6 terwijl bij de belastingkamers van de gerechtshoven een hoger beroepschrift alleen per fax kon worden ingediend en niet op andere elektronische wijze.7
De bestuursrechtspraak heeft zich al snel moeten uitlaten over ontvankelijkheidsperikelen rondom het elektronisch verkeer. Een greep uit de grote hoeveelheid rechtspraak. Uit de rechtspraak van de (hoogste) bestuursrechters volgt dat (ook) het gebruik van mail tot de nodige problemen leidt, vooral als die wijze van elektronisch verkeer niet is toegestaan. Als het (hoger) beroepschrift per mail is ingediend, mag dit pas niet-ontvankelijk worden verklaard nadat de gelegenheid is geboden dit verzuim te herstellen.8 Het gebruik van mail heeft voordelen, maar ook nadelen. De ‘escape’ van de zevende week van artikel 6:9, lid 2 Awb geldt alleen als het beroepschrift aantoonbaar tijdig ter post is bezorgd, en dus niet als het beroepschrift per mail is ingediend.9 De eis dat een (hoger) beroepschrift moet worden ondertekend, ook als digitaal wordt geprocedeerd, geldt ook voor bestuursorganen; voor een enkel bestuursorgaan blijkt dit teveel gevraagd.10 De vraag of een e-mail een Awb-besluit kan zijn, is positief beantwoord.11 Ook de verantwoordelijkheid van de gerechten voor een fatsoenlijk werkend systeem kwam al vroeg in de rechtspraak aan de orde:12
‘Volgens de memorie van toelichting op de Wet elektronisch verkeer met de bestuursrechter (Kamerstukken II, 2008/09, 31 867, nr. 3, blz. 14) is een gerecht juridisch verantwoordelijk voor het naar behoren functioneren van de netwerkcomputer, de eindserver daaronder begrepen, waarvan het gebruik maakt. Het ophouden van berichten of stukken bij de netwerkcomputer van het gerecht komt niet voor risico van partijen. Dit geldt ook indien de bestuursrechter een tijdig verzonden beroepschrift eerst na afloop van de beroepstermijn ontvangt, omdat het betreffende stuk door een storing bij de eindservers is opgehouden.’
Dat DiGiD niet onder alle omstandigheden betrouwbaar is, bleek in een zaak over kinderopvangtoeslag, waarbij niet kon worden uitgesloten dat een derde aanvragen had gedaan met gebruikmaking van de DiGiD van de rechtzoekende.13 Verder blijkt uit de rechtspraak dat soms nader onderzoek moet worden gedaan om te achterhalen aan wie een technisch gebrek valt toe te rekenen. Ook al is een fax succesvol verzonden bij de rechtbank, dat sluit niet uit dat door een technische storing bij de mailserver van de advocaat van belanghebbende die fax niet bij hem is binnengekomen. De bewijsvoeringslast ligt in zo’n geval bij de belanghebbende.14