Einde inhoudsopgave
De verbintenisrechtelijke bescherming van de kleine opdrachtnemer (MSR nr. 85) 2023/4.2.1
4.2.1 De opzegbevoegdheid van de opdrachtgever
N.M.Q. van der Neut, datum 22-09-2023
- Datum
22-09-2023
- Auteur
N.M.Q. van der Neut
- JCDI
JCDI:ADS855333:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. rb. Almelo 27 juli 2012, ECLI:NL:RBALM:2012:BX2976; hof Amsterdam 10 december 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:4372; hof Den Haag 31 maart 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:1911; rb. Overijssel 2 februari 2022, ECLI:NL:RBOVE:2022:364.
Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 7 titels 1, 7, 9 en 14, 1991, p. 363. Of, om in de woorden van de toelichting op Boek 7 BW te spreken: de opzegbevoegdheid van de opdrachtgever berust op de gedachte ‘(…) dat de autonomie van de menselijke persoon medebrengt dat hij te allen tijde een dienstverrichting van een ander te zijnen behoeve moet kunnen beëindigen, en dat hij aan een verplichting tot dienstverrichting zijnerzijds steeds een einde moet kunnen maken’ (Toelichting Boek 7, p. 994).
Het volledig contractueel uitsluiten van de opzegbevoegdheid, dus ook vanwege gewichtige redenen, zal doorgaans naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn (art. 6:248 lid 2 BW) (Asser/Kortmann, De Leede & Thunnissen 5-III 1994/110; Du Perron 1995, p. 236; De Vries 2015, p. 226).
Zie bijv. rb. Rotterdam 25 mei 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:4296. Overigens is een verruiming van de opzegbevoegdheid van de opdrachtgever geen mogelijkheid, omdat afd. 7.7.1 BW met art. 7:408 lid 1 BW de opdrachtgever al de meest ruime opzegbevoegdheid geeft.
Kamerstukken II 1982/83, 17 779, 3, p. 6. Bij een gewichtige reden kan overigens worden gedacht aan een verandering in de omstandigheden die van dusdanige aard is dat de opdracht billijkheidshalve onmiddellijk of na korte tijd behoort te eindigen. Deze definitie is ontleend aan art. 7.7.1.11 van het voorontwerp en komt bovendien overeen met art. 7:685 BW (oud).
Bouma & Frouws 2011, p. 48.
Bouma & Frouws 2011, p. 48.
De opdrachtgever heeft de bevoegdheid de overeenkomst te allen tijde op te zeggen (artikel 7:408 lid 1 BW) en kan dit in iedere vorm doen (artikel 3:37 lid 1 BW). Dit geldt voor alle overeenkomsten van opdracht, dus ongeacht of de overeenkomst voor bepaalde of onbepaalde tijd is aangegaan, ongeacht of de overeenkomst een inspannings- of resultaatsverbintenis inhoudt en ongeacht de grootte van partijen.1 Anders gezegd: ook de multinational die opdrachtgever is, kan op basis van afdeling 7.7.1 BW de overeenkomst met bijvoorbeeld de opdrachtnemer aan de onderkant opzeggen zonder dat hij hiervoor een specifieke grond nodig heeft. De ratio van deze ruime opzegbevoegdheid is gelegen in de aard van de overeenkomst van opdracht zelf: de opdrachtgever is in principe vrij op welke manier hij zijn belangen behartigd wil zien worden en moet niet gedwongen kunnen worden de door hem bedongen prestatie te aanvaarden.2 Vanuit het beschermingsperspectief van de opdrachtnemer aan de onderkant klinkt dat misschien problematischer dan het in veel gevallen daadwerkelijk is. Het komt immers best vaak voor dat deze opdrachtnemer uitsluitend een financieel belang heeft. De ruime opzegbevoegdheid van de opdrachtgever zal naar mijn mening dan ook slechts tot nijpende gevallen leiden als blijkt dat de opdrachtnemer die louter een financieel belang heeft, onvoldoende financiële opzeggingsbescherming geniet, waarbij ik denk aan het ontbreken van de bescherming die kan voortvloeien uit een redelijke opzegtermijn of opzegvergoeding. Pas als de opdrachtnemer duidelijk meer dan alleen een financieel belang heeft, zou dat in mijn ogen aanleiding kunnen geven tot het beperken van de opzegbevoegdheid van de opdrachtgever door de eis van een voldoende zwaarwegende opzeggingsgrond te stellen (zie paragraaf 4.3.1.1).
De opzegbevoegdheid van de niet-particuliere opdrachtgever heeft een regelend karakter, waardoor partijen deze bevoegdheid contractueel kunnen uitsluiten3 of beperken.4 Zo kunnen zij bedingen dat de opdrachtgever de overeenkomst slechts schriftelijk kan opzeggen als sprake is van een gewichtige reden.5 Dit voorbeeld kent een dubbele beperking, namelijk ten aanzien van de vorm (schriftelijk) en de inhoud (gewichtige reden). Het contractueel inperken van de opzegbevoegdheid van de opdrachtgever en op die wijze bescherming afdwingen lijkt geen reële mogelijkheid voor de opdrachtnemer aan de onderkant. Uit onderzoek blijkt immers dat de opdrachtgever in belangrijke mate het tarief van deze opdrachtnemer bepaalt.6 Hoewel dit betrekking heeft op de hoogte van het loon en dit niet te gemakkelijk op één lijn moet worden gesteld met het thema opzegging, zegt het wel degelijk iets over de onderhandelingspositie van deze opdrachtnemer tegenover de opdrachtgever. Hierdoor komt het naar mijn overtuiging onlogisch voor dat deze opdrachtnemer doorgaans wel in de positie zou verkeren te onderhandelen over een beperking van de opzegbevoegdheid van de opdrachtgever. Dit ligt bijvoorbeeld anders voor de opdrachtnemer die een hoog tarief in rekening brengt. Het tarief van deze opdrachtnemer komt namelijk meestal tot stand door onderhandeling of hij bepaalt dat zelf.7 Bovendien heeft deze opdrachtnemer – gezien zijn hoge tarief – vermoedelijk een asset die de opdrachtgever wil en zal ook dat een reden zijn hem te willen behouden.