Afspraken en Aanspraken
Einde inhoudsopgave
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/2.6:2.6 Samenvatting
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/2.6
2.6 Samenvatting
Documentgegevens:
N. van Triet, datum 23-12-2022
- Datum
23-12-2022
- Auteur
N. van Triet
- JCDI
JCDI:ADS685416:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de loop van de 20e eeuw is, na een fragmentarische evolutie, een volwaardig systeem van bestuursrechtelijke rechtsbescherming door onafhankelijke bestuursrechtspraak tot stand gekomen. De bestuursrechter toetst heden ten dage aan zowel het geschreven als het ongeschreven recht (waaronder de niet gecodificeerde algemene beginselen van behoorlijk bestuur) en toetst het aanwenden van discretionaire bevoegdheden door een bestuursorgaan in de regel terughoudend. De bestuursrechter en de wetgever leggen de nadruk vandaag de dag op het recours subjectif, en niet langer op toetsing aan het objectieve recht. Dit past binnen een ontwikkeling van het bestuursrecht waarbij in de huidige wijze van geschilbeslechting veel aandacht is voor maatwerk, responsief bestuursrecht en toetsing van overheidshandelen aan evenredigheid. Al die kenmerken en ontwikkelingen worden tevens in verband gebracht met de toetsing aan het vertrouwensbeginsel.
Het vertrouwensbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur is voortgekomen uit het rechtszekerheidsbeginsel. Het belang van rechtszekerheid geldt al sinds de opkomst van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur als toetsingscriterium voor ‘behoorlijkheid’. In de loop der jaren – circa sinds de jaren 50 van de 20e eeuw – is uit die algemene notie van rechtszekerheid en redelijkheid en billijkheid de gedachte ontstaan dat de overheid de door haar in de vorm van verklaringen of gedragingen gewekte verwachtingen over toekomstig overheidshandelen in een concreet geval voor zover mogelijk moet honoreren. Niet alleen kan gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend aan een rechtshandeling als een beschikking, maar ook aan bijvoorbeeld toezeggingen en inlichtingen. Gerechtvaardigd vertrouwen kan zelfs leiden tot besluitvorming in strijd met regelgeving. Dit vertrouwensbeginsel – het beschermen van verwachtingen gewekt voorafgaand aan besluitvorming – is door de verschillende (hoogste) bestuursrechters aangenomen en vandaag de dag kan een succesvol beroep op het beginsel worden gedaan indien sprake is van uitlatingen of gedragingen van overheidsfunctionarissen die bij de betrokkene redelijkerwijs de indruk wekken van een welbewuste standpuntbepaling van het bestuur over de manier waarop in zijn geval een bevoegdheid zal worden uitgeoefend. Aan de nakoming van dat vertrouwen mogen geen zwaarder wegende belangen in de weg staan. Uit bovenstaande definitie volgt dat aan drie voorwaarden moet zijn voldaan om het vertrouwensbeginsel met succes bij de bestuursrechter in te roepen: (i) het aantonen van een welbewuste standpuntbepaling over de uitoefening van een bevoegdheid in een concreet geval, (ii) die afkomstig is van het bevoegde bestuursorgaan of daaraan kan worden toegerekend, en (iii) het niet aflegt tegen zwaarder wegende belangen (de belangenafweging). De uitwerking van dit juridisch kader volgt in hoofdstuk 6.
Ik heb tot slot gewezen op de rechtsstatelijke inbedding van informatieverstrekking door de overheid. Gelet op de complexiteit van wet- en regelgeving, kan een burger op basis van raadpleging van die teksten onvoldoende zijn rechtspositie bepalen. Op de overheid rust dan ook – onder andere op grond van het rechtszekerheidsbeginsel – de taak om een burger alsnog ‘rechtszeker’ te maken. Die rechtsstatelijke inbedding van informatieverstrekking maakt dat ook aan onjuiste inlichtingen rechtsgevolgen moeten kunnen worden verbonden.