Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/4.7.5.2
4.7.5.2 Toepasselijk recht: Haags Vertegenwoordigingsverdrag 1978
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS394761:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Convention on the law applicable to agency, Verdrag van 14 maart 1978, in werking getreden op 1 mei 1992. Voor Nederland is het verdrag in werking getreden op 1 oktober 1992. Zie voor het Verdrag Tri). 1987, 138.
Met de term 'het interne recht' wordt in het IPR tot uitdrukking gebracht, dat het IPR, dat evenzeer tot het nationale recht behoort, buiten beschouwing moet worden gelaten. Daarmee wordt de zogenaamde terugverwijzing of renvoie voorkomen. Daarvan is sprake als het IPR van het ene land, bijvoorbeeld Nederland, naar het recht van een ander land verwijst, bijvoorbeeld Oostenrijk, maar het IPR van dat land vervolgens weer naar een ander land, bijvoorbeeld Nederland. Renvoie brengt mee, dat de Nederlandse rechter in dat geval, ondanks de verwijzing door het Nederlandse IPR naar Oostenrijks recht, toch het materiële Nederlandse recht zal moeten toepassen.
Nu de schaderegelaar in de ene lidstaat wordt aangesteld door een in een andere lidstaat gevestigde verzekeraar (en ook in die lidstaat werkzaam is), moet de vraag worden besproken welk recht van toepassing is op de verschillende relaties die uit de vertegenwoordigingsverhouding tussen schaderegelaar en verzekeraar voortvloeien. Met name is op deze plaats van belang welk recht de vraag van de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de schaderegelaar en de vraag naar de gevolgen van onbevoegde vertegenwoordiging beheerst.
Voor Nederland is in dit opzicht van belang het Haags Vertegenwoordigingsverdrag 1978, meer in het bijzonder art. 5 en 6 voor zover het betreft de interne verhouding tussen vertegenwoordiger en vertegenwoordigde en art. 11 e.v. voor wat betreft de verhouding tussen de vertegenwoordigde en de derde 1 Dat verdrag geeft echter slechts voor een zeer beperkt aantal gevallen antwoord op de vraag naar het toepasselijk recht. Het is immers, naast door Nederland, slechts geratificeerd door en van kracht voor Frankrijk, Portugal en (buiten de EU) Argentinië. Dat brengt mee dat de vraag naar het toepasselijk recht in situaties waarin andere lidstaten betrokken zijn, onder omstandigheden elders moet worden gevonden. In dit verband moet worden genoemd Verordening Rome I, die echter blijkens art. 1 lid 2 onder g niet van toepassing is op de vraag of een vertegenwoordiger zijn principaal kan binden. Die vraag zal dan weer moeten worden beoordeeld naar het nationale IPR van de betreffende lidstaat. Zie hierna, paragraaf 4.7.53.
Welke antwoorden geeft het Haags Vertegenwoordigingsverdrag 1978?
Op de verhouding tussen de vertegenwoordigde (de verzekeraar) en de vertegenwoordiger (de schaderegelaar) is op grond van art. 5 en 6 van het verdrag, behoudens uitdrukkelijke of met redelijke zekerheid uit de bepalingen van de overeenkomst of de omstandigheden van het geval af te leiden rechtskeuze, van toepassing het interne recht van het land waar de vertegenwoordiger zijn kantoor, of bij gebreke daarvan zijn gewone verblijfplaats heeft.2 In verband met de eis van de Richtlijn, art. 21 lid 1, derde alinea, dat de schaderegelaar zijn woonplaats of vestiging heeft in de lidstaat waar hij is aangesteld en dus in de lidstaat van de woonplaats van de benadeelde, zal, rechtskeuze buiten beschouwing gelaten, op de verhouding tussen verzekeraar en schaderegelaar het recht van het land van vestiging van de schaderegelaar van toepassing zijn. Het aldus toepasselijke recht beheerst met name de vraag naar het bestaan, de omvang, de wijziging en de beëindiging van de bevoegdheden van de vertegenwoordiger en de vraag naar zijn bevoegdheid om een onder- of medevertegenwoordiger aan te stellen; ook de gevolgen van overschrijding of misbruik van vertegenwoordigingsbevoegdheid en de vraag of de vertegenwoordiger overeenkomsten mag sluiten op naam van de vertegenwoordigde worden naar dat recht beoordeeld. Zie voor een en ander art. 8 lid 2 van het Haags Vertegenwoordigingsverdrag.
Op vragen rond vertegenwoordiging in de verhouding tussen de vertegenwoordigde en de derde, in ons geval dus die tussen de verzekeraar en de in eigen land teruggekeerde benadeelde, is op grond van art. 11 van het verdrag van toepassing de interne wet van het land waar de vertegenwoordiger kantoor had op het tijdstip waarop hij handelde. In het kader van de '4e Richtlijn' dus wederom in de praktijk het land waar de vertegenwoordiger is aangesteld en waar de benadeelde woont. Het gaat hier met name om de vraag naar het bestaan en de omvang van de vertegenwoordigingsbevoegdheid en de gevolgen van het werkelijk of beweerdelijk uitoefenen van zijn bevoegdheden, kortom: de vraag of door het handelen van de schaderegelaar een (vaststellings)overeenkomst tussen verzekeraar en benadeelde tot stand is gekomen. De vraag naar de betrekkingen tussen vertegenwoordiger en derde - dus tussen schaderegelaar en benadeelde - die voortvloeien uit het feit dat de schaderegelaar zijn bevoegdheden heeft overschreden of wellicht geheel onbevoegd handelde wordt, aldus art. 15 van het verdrag, ook beheerst door het recht dat op de verhouding tussen vertegenwoordigde en derde van toepassing is. In feite gaat het hier om de vraag of de derde - wellicht naast een vordering op de vertegenwoordigde - ook een vordering op de vertegenwoordiger heeft.
Ook hier bestaat een mogelijkheid van rechtskeuze. Voorwaarde is - aldus art. 14 van het Verdrag - dat een schriftelijke aanwijzing van een ander rechtsstelsel door de vertegenwoordiger of de derde schriftelijk door de wederpartij wordt aanvaard. Deze bepaling is in het kader van het internationale verkeersrecht van weinig praktisch belang.