Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/7.3.2
7.3.2 Overwegende zeggenschap als formeel controlecriterium in art. 5:70 Wft
mr. J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
mr. J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS369995:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
In de literatuur is hier al het een en ander over geschreven zie onder meer: Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/626a; De Brauw, Toezicht Financiële Markten (Groene Serie), art. 1:1 Wft, aant. 541 en Doorman 2008-2, p. 491-495.
Vgl. Beckman 2008, p. 1006-1007. Voorzover ik kon nagaan viel deze term in de context van het verplicht bod voor het eerst in een brief van de toenmalig Minister van Justitie waarin een nadere analyse werd gegeven van het gewijzigde richtlijnvoorstel in relatie tot het (inmiddels ingetrokken) wetsvoorstel beschermingsconstructies (Kamerstukken II, 1999/00, 25 732, nr. 11, p. 6).
Controlecriteria die niet aansluiten bij een forfaitair criterium, maar bij het daadwerkelijk verwerven van controle worden materieel of feitelijk genoemd, zie Nieuwe Weme 2004, p. 124 e.v.
Kamerstukken II, 1999/00, 25 732, nr. 11, p. 6.
Zie vraag drie van het consultatiedocument “Invoering verplicht openbaar bod in Nederland”. Zie daarover Nieuwe Weme 2002-1, p. 208-209.
Een niet-aangenomen amendement stelde voor – in navolging van de City Code – een bieddrempel van 30% aan de lidstaten voor te schrijven, zie Schutte-Veenstra 2001, p. 63.
Het gaat hierbij om een minimumvoorschrift; een lager percentage is ook toegestaan, vgl. Nieuwe Weme 2004, p. 93 en 131 (met verwijzingen).
Zie Marccus/CEPS 2012 – Takeover Bids Directive Assessment Report, p. 128-129.
Ibidem.
Idem, p. 143.
Anders ten aanzien van dat laatste Nieuwe Weme 2004, p. 124-126.
Een uitgebreide analyse van het begrip “overwegende zeggenschap” valt buiten het bestek van dit onderzoek.1 Het navolgende is beperkt tot enkele voor de acting in concert-regeling relevante aspecten.
De in art. 5:70 lid 1 Wft gehanteerde term overwegende zeggenschap is nieuw in ons vennootschaps- en effectenrecht.2 In art. 1:1 Wft wordt overwegende zeggenschap gedefinieerd als:
“het kunnen uitoefenen van ten minste 30% van de stemrechten in een algemene vergadering van aandeelhouders van een naamloze vennootschap.”
Door aan te sluiten bij een percentage van de stemrechten heeft de Nederlandse wetgever voor een formeel controlecriterium gekozen.3 Opvallend is dat de regering vooruitlopend op de implementatie van de Overnamerichtlijn opmerkte dat de biedplicht kon worden gekoppeld aan de feitelijke zeggenschap in plaats van aan een percentage.4 Ook uit de eerste consultatie blijkt dat de wetgever dit nog als een optie zag.5 Klaarblijkelijk is men hier later anders over gaan denken.
De Overnamerichtlijn schrijft in beginsel een formeel controlecriterium voor. De lidstaten zijn vrij bij het bepalen van het percentage waarbij de zeggenschap wordt verkregen,6 met dien verstande dat dient te worden aangesloten bij een dusdanig percentage dat daarmee de zeggenschap wordt verkregen.7 Daarbij moet evenwel bedacht worden dat de richtlijn slechts een beperkte mate van harmonisatie behelst; afwijking van haar voorschriften is steeds toegestaan met inachtneming van de beginselen van art. 3 lid 1 Overnamerichtlijn (vgl. eerder § 3.3 en 3.4). Waar het de bieddrempel betreft hebben lidstaten deze vrijheid op verschillende manieren benut:
materiële controle, met de formele controle als een vermoeden daarvan (Estland)8
formele en materiële controle als alternatieven (Spanje)9
formele controle, met het ontbreken van de materiële controle als ontheffingsgrond indien een ander reeds de controle heeft (Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Frankrijk, Italië en België)10
Naar mijn mening verzet de Overnamerichtlijn zich niet tegen het gebruik van het materiële controlecriterium, zelfs niet indien dit het enige criterium zou zijn.11 Het verschil tussen beide is vooral een kwestie van wetgevingstechniek. Daarmee is niet gezegd dat die techniek onbelangrijk is, maar adequate bescherming van minderheidsaandeelhouders, zoals voorgeschreven in art. 3 lid 1 Overnamerichtlijn, kan langs beide wegen bereikt worden (zie ook hierna § 7.4.3).