Einde inhoudsopgave
De integratie van fiscale gegevens in het rijksbrede toezicht (FM nr. 155) 2018/5.7.2.4
5.7.2.4 De toepassing van het verschoningsrecht
M. Snippe, datum 20-10-2018
- Datum
20-10-2018
- Auteur
M. Snippe
- JCDI
JCDI:ADS382519:1
- Vakgebied(en)
Privacy / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Ook dient de ontheffing te worden onderscheiden van het procesrechtelijke verschoningsrecht op grond van de Awb (art. 8:33 lid 3 Awb), Rechtsvordering (art. 191 lid 2 aanhef en onder b Rv) en Strafvordering (art. 218 Sv).
HR 8 november 1991, LJN:ZC0409, NJ 1992/277.
EHRM 27 maart 1996, NJCM-Bulletin 1996, p. 725-737 (Goodwin vs. Verenigd Koninkrijk) en HR 10 mei 1996, NJ 1996/578 (m.nt. E.J. Dommering) en NJCM- Bulletin 1996, p. 683-695, r.o. 3.2 (Van den Biggelaar/Dohmen & Langenberg); zie ook EHRM 22 november 2007, nr. 64752/01 (Voskuil vs. Nederland).
De wetshistorie geeft voor journalisten expliciet aan dat zij hun medewerking moeten verlenen aan het verstrekken van gegevens (voorzover) zij administratieplichtig zijn. Zij kunnen fiscaal relevant materiaal onder zich hebben als bouwstenen voor een artikel (Kamerstukken II 1989/21 287, nr. 4, p. 15).
Kamerstukken 1992/93, 29 041, nr. 3, p. 13-14.
Hof Den Haag 23 april 2013, LJN:CA3041.
Kamerstukken 1992/93, 29 041, nr. 3, p. 13-14.
Kamerstukken II 2016/17, 25 087 en 31 477, nr. 138, Brief van de staatssecretaris van Financiën, 17 januari 2017, Tweede Kamer kenmerk 2017-0000009651, p. 8.
OECD (2013), Global Forum on Transparency and Exchange of Information for Tax Purposes Peer Reviews: The Netherlands 2013: Combined: Phase 1 + Phase 2, incorporating Phase 2 ratings, OECD Publishing.
‘It is recommended that the Netherlands’ authorities make it clear that the privilege which can be claimed by lawyers under Article 53(a) of the GSTA only relates to confidential communication produced for the purpose of seeking or providing legal advice or produced for the purpose of use in existing or contemplated legal proceedings’ Ibid, p. 81.
De toezichthouder kan zich ook wenden tot verschoningsgerechtigden. Voor hen geldt echter geen medewerkingsverplichting voorzover dat in strijd zou zijn met hun geheimhoudingsverplichting uit ‘hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift’ (art. 5:20 lid 2 Awb). Dit zogenaamde verschoningsrecht op grond waarvan de medewerking kan worden geweigerd, sluit redactioneel aan bij de algemene geheimhoudingsbepaling van artikel 2:5 Awb. Die kan afwijken van het fiscale verschoningsrecht.1
De Awb heeft het verschoningsrecht, in tegenstelling tot het fiscale recht, niet vormgegeven door het limitatief benoemen van de verschoningsgerechtigden. De onbenoemde kring personen kan daardoor verder strekken dan het wettelijke verschoningsrecht in het fiscale domein. Daar geldt in beginsel qua aard eenzelfde verschoningsrecht, namelijk indien en voorzover sprake is van een geheimhoudingsverplichting uit hoofde van hun stand, ambt of beroep (art. 53a AWR). Het verschoningsrecht wordt echter limitatief bepaald voor bekleders van een geestelijk ambt, notarissen, advocaten, artsen en apothekers. Alleen zij, en niemand anders, kunnen zich wettelijk op dat recht beroepen. In het fiscale domein geldt de ontheffing alleen voor verplichte medewerking in het kader van een derdenonderzoek. Voor hun eigen belastingplicht kunnen zij zich niet op een verschoningsrecht beroepen (art. 53a AWR).
In de Awb is dit onderscheid niet vastgelegd. De memorie van toelichting geeft daarentegen wel richting voor zowel de personen als de verplichting zelf. ‘Het ontheft en ontslaat daarmee in het bijzonder artsen, advocaten, notarissen en geestelijken van de medewerkingsplicht, voor zover het toezichtsbevoegdheden betreft die op derden betrekking hebben. Het recht om medewerking te weigeren heeft betrekking op alle toezichtsbevoegdheden, dus zowel die welke door de Awb als door bijzondere wetten zijn toegekend. In de praktijk is het tweede lid [MS:art. 5:20 Awb] het meest relevant voor het weigeren van medewerking in de vorm van het niet verstrekken van inlichtingen, gegevens of bescheiden.’2
Hoewel de kring van personen niet wordt ingekaderd, geeft het wel duidelijkheid over de strekking van het verschoningsrecht. Het is in principe gelijk aan het verschoningsrecht in het fiscale domein, voor zover het betrekking heeft op een derdenonderzoek. De memorie van toelichting spreekt over het verstrekken van ‘inlichtingen, gegevens en bescheiden’. Dit triplet is als zodanig niet in de Awb opgenomen. Deze nuancering ziet naar mijn mening specifiek op hetgeen voor de toepassing in het kader van het verschoningsrecht ‘het meest relevant is’. Dat ziet op zowel de inlichting- als de inzageplicht. Voor het verlenen van toegang is het bijvoorbeeld minder relevant.
De personen worden slechts ter illustratie genoemd en zijn dan ook niet limitatief voor de toepassing van het verschoningsrecht in het Awb-toezicht. Die kring is ruimer: ook een medewerker van de Belastingdienst 3 en een journalist4 kunnen er toe worden gerekend.5 Bepalend is de aard van de werkzaamheden ten opzichte van het nalevingstoezicht op derden. Dit blijkt ook uit de behandeling van de Wet toezicht trustkantoren waarbij de wetgever opmerkt dat niet het beroep van advocaat of notaris bepalend is voor het kunnen toepassen van het verschoningsrecht maar de soort dienstverlening: het gaat om ‘de beroepsspecifieke werkzaamheden (zoals een optreden in rechte)’.6
Uit jurisprudentie blijkt dat degene die vanuit een civielrechtelijk overeenkomst tot geheimhouding verplicht is, niet op die grond tot de kring van verschoningsgerechtigden wordt gerekend.7 Dit komt ook expliciet naar voren bij de parlementaire behandeling van de Wet toezicht trustkantoren. In de memorie van toelichting geeft de minister aan dat ‘een contractuele geheimhoudingsplicht onvoldoende [MS: is] om een beroep te kunnen doen op het verschoningsrecht van artikel 5:20, tweede lid.’8
Op deze plaats wil ik nog memoreren dat de reikwijdte van het fiscale verschoningsrecht, volgens de staatssecretaris, een verhindering vormt voor het uitvoeren van de taak van de inspecteur. Hij geeft begin 2017 het volgende aan ‘Indien de Belastingdienst deze gegevens en inlichtingen over derden niet ontvangt van de notaris of advocaat wordt in bepaalde gevallen niet toegekomen aan een juiste en volledige belastingheffing, wanneer deze inlichtingen niet van de belastingplichtige verkregen worden’.9 De staatssecretaris vervolgt met de constatering ‘dat de Belastingdienst meer inzicht moet hebben in de financiële transacties die advocaten voor een cliënt verrichten via een (bijzondere) rekening.’ Hij verwijst daarbij naar de Wet op het notarisambt (art. 25 lid 9 WNa). Ook in internationaal verband is het idee dat het Nederlandse fiscale verschoningsrecht te ‘breed’ is.10 De OESO lijkt ook voor de fiscaliteit aan te willen koersen op het algemene legal privilege.11 Wat dit tot gevolg heeft, laat zich nu nog niet goed voorspellen. Duidelijk is dat de staatssecretaris voorstander is van maximale fiscale transparantie. Althans, in het vergaren van informatie ten dienste van de belastingheffing. Aansluiting op het algemene legal privilege is echter niet uit te sluiten.