Einde inhoudsopgave
Eigendomsgrondrecht en belastingen (FM nr. 161) 2020/13.5
13.5 Conclusie
dr. T.C. Gerverdinck, datum 13-03-2020
- Datum
13-03-2020
- Auteur
dr. T.C. Gerverdinck
- JCDI
JCDI:ADS197382:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Mensenrechten
Voetnoten
Voetnoten
Van der Hulle 2015.
EHRM 14 mei 2013, nr. 66529/11 (N.K.M. v. Hungary), EHRC 2013/170 m.nt. Leijten.
EHRM (Grand Chamber) 19 juni 2006, nr. 35014/97 (Hutten-Czapska v. Poland), EHRC 2006/105 m.nt. Adriaansens.
EHRM 11 december 2014, nr. 3851/12 (Anthony Aquilina v. Malta).
EHRM 14 mei 2013, nr. 66529/11 (N.K.M. v. Hungary), EHRC 2013/170 m.nt. Leijten.
EHRM 14 mei 2013, nr. 66529/11 (N.K.M. v. Hungary), EHRC 2013/170 m.nt. Leijten.
EHRM (Grand Chamber) 19 juni 2006, nr. 35014/97 (Hutten-Czapska v. Poland), EHRC 2006/105 m.nt. Adriaansens.
EHRM 11 december 2014, nr. 3851/12 (Anthony Aquilina v. Malta).
Vgl. Barkhuysen, Van Emmerik & Ploeger 2005, p. 85.
Brief van de staatssecretaris van Financiën van 6 september 2019, kenmerk 2019-0000148689.
Aanvankelijk lag bij de Hoge Raad de nadruk vooral op het voldoen aan procedurele vereisten (het bieden van een effectief rechtsmiddel bij aantasting van eigendom). Toch komt het in het grootste deel van de zaken over artikel 1 Eerste Protocol die door de belastingkamer van de Hoge Raad is behandeld aan op de vraag of een fair balance bestaat tussen het algemene belang en het individuele belang. Recent zijn ook meer materiële aspecten op de voorgrond getreden, met name bij de beoordeling van box 3 op individueel en op regelniveau. Op stelselniveau is die heffing materieel onaanvaardbaar geoordeeld vanaf 2013. De wide margin of appreciation die de Hoge Raad in navolging van het EHRM in aanmerking neemt, blijkt voor veel belastingplichtigen op individueel niveau echter een onneembare horde.1
Over het algemeen kan worden geconstateerd dat de Hoge Raad zich in zijn rechtspraak over artikel 1 Eerste Protocol richt op het EHRM. Zo volgt de Hoge Raad in beginsel het toetsingsschema van het EHRM om te bepalen of (i) een beroep kan worden gedaan op artikel 1 Eerste Protocol, en (ii) of een rechtvaardiging bestaat voor een aantasting van eigendom. Ook verwijst de Hoge Raad met enige regelmaat naar Straatsburgse jurisprudentie.
Toch zijn mij een aantal verschillen opgevallen tussen de rechtspraak van de Hoge Raad en het EHRM. Ik som op:
Het ontbreken van een effectief rechtsmiddel kan volgens de Hoge Raad onder omstandigheden worden gerechtvaardigd, bijvoorbeeld als het zou gaan om een klein financieel belang. Ik meen dat uit de rechtspraak van het EHRM kan worden afgeleid dat een aantasting van eigendom altijd vergezeld moet gaan van een effectief rechtsmiddel, ongeacht de omvang van het financiële belang.
Anders dan het EHRM, onderzoekt de Hoge Raad proportionaliteit expliciet afzonderlijk op regelniveau en op individueel niveau.
De Hoge Raad beoordeelt wetgeving alleen op basis van verklaarde intenties van de wetgever; het EHRM juist – en mijns inziens terecht – op basis van de werkelijke effecten ervan op de positie van de erdoor getroffenen; het EHRM liet met name in N.K.M.2(zie par. 9.6) blijken dat als verklaarde bedoelingen duidelijk ongeloofwaardig zijn, daarvan niet uitgegaan kan worden.
De Hoge Raad eist dat een belastingplichtige, zelfs als vaststaat dat overheidsmaatregelen hem in een structurele verliespositie hebben gedwongen, ‘meer dan in het algemeen’, dus meer dan anderen getroffen wordt door de – aldus effectief onteigenende – maatregel. In de EHRM-rechtspraak komt die eis echter niet voor. Uit Hutten-Czapska3, Aquilina4 en N.K.M.5 blijkt juist dat een disproportionate and excessive burden geenszins individual hoeft te zijn (in Hutten-Czapska ging het om meer dan 100.000 gevallen) om onrechtmatig te zijn, laat staan in de zin van ‘meer dan bij andere getroffenen’.
De Hoge Raad kijkt bij de beoordeling of de vermogensrendementsheffing leidt tot een “individual and excessive burden” naar de volledige financiële positie van de betrokkene. Een belasting die structureel meer dan 100% van de vermogensinkomen belast en dus het bestaande vermogen aantast, zou daardoor nog acceptabel kunnen zijn zolang de belastingplichtige over voldoende draagkracht beschikt om de belasting te voldoen. Het EHRM keek in N.K.M.6 niet of de betrokkene beschikte over ander inkomen of over vermogen waaruit de excessieve belastingheffing zou kunnen worden voldaan, en in de excessieve huurbeschermingszaken Hutten-Czapska7 en Aquilina8 (zie par. 9.4) niet naar eventuele andere inkomsten of vermogen dat een verlies of afwezigheid van rendement op de beschermde huurwoningen zou kunnen opvangen.
Dit overziende, kan geconstateerd worden dat de Hoge Raad soms marginaler toetst dan het EHRM, hoewel het volgens het EHRM juist aan de nationale rechter is, die de nationale omstandigheden immers beter kent, om de Straatsburgse toetsingsmaatstaven in concreto te waarborgen. Nationaalrechtelijk lijkt dit ook op gespannen voet te staan met artikel 94 Gw, dat de rechter immers opdraagt om minimaal het Straatsburgse beschermingsniveau te handhaven.
De uitspraken van de Hoge Raad over de vermogensrendementsheffing van box 3 illustreren dat een belastingplichtige die zich verzet tegen een onteigenende belastingheffing en die rechtsherstel wenst, bij de Nederlandse rechter vaak niet aan het juiste adres is. Een arrest waarin de Hoge Raad een schending van artikel 1 Eerste Protocol constateert, is daarmee niet meer dan een belangrijke aanwijzing voor de wetgever en het bestuur dat maatregelen genomen moeten worden om de schending op te heffen.9 Geconstateerd kan worden dat de Staatssecretaris van Financiën en het parlement het signaal ter zake van box 3 hebben opgepikt, want in een brief van 6 september 2019 is een voorstel gedaan om vanaf 2022 meer aansluiting te zoeken bij de werkelijkheid door rekening te gaan houden met de werkelijke verhouding tussen spaargeld, beleggingen en schulden van een belastingplichtige en voor spaargeld meer aan te sluiten bij werkelijk spaarrendement.10 Het parlement heeft zijn parlementair advocaat om advies gevraagd wat de wetgever moet doen nu de Hoge Raad box 3 op stelselniveau vanaf 2013 onhoudbaar heeft geoordeeld voor zover het effectieve tarief op spaargeldrendement 100% of hoger is.11 De laatste heeft het parlement geadviseerd om te doen wat de rechter niet gedaan heeft, namelijk rechtsherstel geven over de verstreken jaren waarin ten onrechte meer is geheven dan er aan vermogensinkomsten is genoten.12