Gerechtshof Amsterdam 28 januari 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:224.
HR, 03-12-2021, nr. 20/01459
ECLI:NL:HR:2021:1804
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
03-12-2021
- Zaaknummer
20/01459
- Vakgebied(en)
Bouwrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Juridische beroepen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2021:1804, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 03‑12‑2021; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:431, Gevolgd
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2020:224, Bekrachtiging/bevestiging
ECLI:NL:PHR:2021:431, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 23‑04‑2021
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:1804, Gevolgd
Beroepschrift, Hoge Raad, 28‑04‑2020
- Vindplaatsen
NJ 2022/27 met annotatie van T.F.E. Tjong Tjin Tai
JOR 2022/76 met annotatie van Koolen, V.G.
NTHR 2022, afl. 2, p. 79
Uitspraak 03‑12‑2021
Inhoudsindicatie
Verbintenissenrecht. Art. 7:768 BW; notarieel depot; 5%-regeling. Kan bankgarantie gezien de voorwaarden voor het inroepen ervan worden aangemerkt als vervangende zekerheid als bedoeld in art. 7:768 lid 3 BW? Wet kwaliteitsborging voor het bouwen.
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 20/01459
Datum 3 december 2021
ARREST
In de zaak van
[de notaris],kantoorhoudende te [vestigingsplaats],
EISER tot cassatie,
hierna: de Notaris,
advocaat: M.E. Bruning,
tegen
WONINGBORG N.V.,gevestigd te Gouda,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: Woningborg,
advocaat: D. Rijpma.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
het vonnis in de zaak C/13/624494/ HA ZA 17-214 van de rechtbank Amsterdam van 23 mei 2018;
het arrest in de zaak 200.246.699/01 van het gerechtshof Amsterdam van 28 januari 2020.
De Notaris heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Woningborg heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor Woningborg toegelicht door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van de Notaris heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) In 2013 is een kantoorpand in [plaats] gesplitst in elf appartementsrechten, die vervolgens zijn verkocht en geleverd aan elf kopers. Voor de her- en afbouw van het kantoorpand tot appartementsgebouw hebben de appartementseigenaren aannemingsovereenkomsten met een aannemingsbedrijf gesloten.
(ii) Woningborg is een schadeverzekeraar, gespecialiseerd in woninggaranties.
(iii) De aannemingsovereenkomsten zijn opgesteld overeenkomstig een modelcontract van Woningborg, met toepassing van een garantieregeling. Die garantieregeling kent onder andere een afbouwwaarborg.
(iv) In de op de aannemingsovereenkomsten toepasselijke algemene voorwaarden is onder meer het volgende bepaald:
“Definities
(...)
2 Onder verkrijger wordt in deze Algemene Voorwaarden verstaan degene, die
ingevolge de aannemingsovereenkomst de opdrachtgever is (...)
Opschortingsrecht
Artikel 12
l. De verkrijger kan (...) maximaal 5% van de aanneemsom inhouden op de laatste
termijn (...) en dit bedrag, in plaats van aan de ondernemer te betalen, in depot storten bij de notaris.
2 Dit recht bestaat niet in de volgende gevallen:
a. indien de ondernemer (...) ten behoeve van de verkrijger een bankgarantie van 5% van de aanneemsom als bedoeld in artikel 13 van deze Algemene Voorwaarden aan de verkrijger stelt (...) De notaris beoordeelt of deze bankgarantie aan de wet en de in artikel 13 van deze Algemene Voorwaarden gestelde eisen voldoet en treedt als bewaarder (...) van de bankgarantie op. Een kopie van de bankgarantie stuurt de ondernemer aan de verkrijger;
(...)
Artikel 13
Voor het geval de ondernemer een bankgarantie stelt als bedoeld in artikel 12 lid 2
sub a. van deze Algemene Voorwaarden in plaats van het depot, dient deze bankgarantie te zijn afgegeven door een te goeder naam bekend staande en in
Nederland gevestigde instelling en dient deze aan te vangen per de datum van
oplevering van het privé-gedeelte, onvoorwaardelijk te zijn en voort te duren totdat:
a. drie (3) maanden zijn verstreken na het tijdstip van oplevering van het privé-gedeelte, tenzij de verkrijger de notaris voordien schriftelijk meedeelt dat hij van de in artikel 6:262 BW (...) toegekende bevoegdheid wenst gebruik te maken. (...)
b. de verkrijger schriftelijk instemt met het vervallen van de bankgarantie;
c. bij een uitspraak, die partijen bindt, is beslist dat de bankgarantie niet of niet langer gerechtvaardigd is. (...)”
(v) In de aannemingsovereenkomsten is de Notaris aangewezen als de notaris die uitvoering geeft aan de 5% depotregeling zoals bedoeld in art. 12 lid 1 van de algemene voorwaarden, en die de bankgarantie ingevolge artikel 12 lid 2 van de algemene voorwaarden beoordeelt.
(vi) De appartementseigenaren hebben 10% van de aanneemsom in depot gestort bij de Notaris. Bij oplevering van de privé-gedeelten van het appartementsgebouw is de helft van het in depot gestorte bedrag uitbetaald aan het aannemingsbedrijf. Ten aanzien van negen van de appartementseigenaren is de in het depot resterende 5% van de aanneemsom op verzoek van het aannemingsbedrijf op de voet van art. 7:768 lid 3 BW vervangen door een bankgarantie.
(vii) In de bankgarantie, afgegeven door ABN AMRO Bank N.V. (hierna: ABN AMRO) en gedateerd op 18 december 2015, is onder meer het volgende vermeld:
“(...)
[ABN AMRO] stelt zich onherroepelijk garant jegens de individuele verkrijgers voor de betaling van al hetgeen elke verkrijger volgens de notaris blijkens het hierna bepaalde van de ondernemer [HR: het aannemingsbedrijf] te vorderen heeft. Deze garantie gaat voor elke verkrijger in op de datum van oplevering van diens woning en is geldig tot een maximum bedrag van 5% van het totaal van de aanneemsommen van alle woningen van voormeld bouwplan, zijnde een totaalbedrag van EUR 502.150,00 (...) met dien verstande dat per individuele verkrijger een maximum geldt van 5% van de (...) individueel overeengekomen aanneemsom.
[ABN AMRO] verbindt zich derhalve op het eerste schriftelijke namens de betreffende verkrijger ingediende verzoek van de notaris (...) inhoudende diens verklaring dat een origineel afschrift van een partijen bindende beslissing gewezen in een procedure tussen de ondernemer en de verkrijger aan hem ten genoegen is overgelegd, aan de betreffende verkrijger volgens de aanwijzingen van de notaris als eigen schuld te zullen betalen, het bedrag dat (…) volgens de in het verzoek opgenomen verklaring van de notaris het maximum van 5% van de met de desbetreffende verkrijger individueel overeengekomen aanneemsom niet overschrijdt en dat de verkrijger blijkens voornoemde bindende beslissing opeisbaar van de ondernemer te vorderen heeft.
(...)
De garantie vervalt - per individuele verkrijger telkenmale voor een pro rata gedeelte - indien:
(…).
Niettegenstaande het bovengenoemde vervalt deze garantie uiterlijk op 1 juni 2016.
(...)”
(viii) De in de bankgarantie genoemde vervaldatum is daarin opgenomen nadat (een medewerker van) het aannemingsbedrijf en (een medewerker van) de Notaris daarover in e-mails hadden overlegd. Het aannemingsbedrijf wilde een vervaltermijn van drie maanden in de bankgarantie opgenomen hebben, terwijl de Notaris te kennen gaf dat de looptijd op een jaar gesteld diende te worden. Vervolgens heeft het aannemingsbedrijf ABN AMRO gevraagd om in de bankgarantie, in afwijking van de standaardtekst, de vervaldatum van 1 juni 2016 op te nemen. De e-mailwisseling tussen het aannemingsbedrijf en de Notaris over de vervaltermijn heeft het aannemingsbedrijf aan ABN AMRO meegestuurd.
(ix) De Notaris heeft na ontvangst van de bankgarantie het hiervoor onder (vi) bedoelde in het depot resterende bedrag (zijnde € 419.650,--) aan het aannemingsbedrijf uitbetaald.
(x) Het aannemingsbedrijf is op 15 april 2016 failliet verklaard. De gemeenschappelijke gedeelten van het appartementsgebouw waren op dat moment nog niet afgebouwd. De curator in het faillissement van het aannemingsbedrijf heeft op 22 april 2016 aan Woningborg laten weten dat de aannemingsovereenkomsten niet gestand worden gedaan.
(xi) Bij brief van 28 april 2016 heeft Woningborg, mede namens de appartementseigenaren, ABN AMRO verzocht om uitbetaling onder de bankgarantie. ABN AMRO heeft daaraan geen gevolg gegeven, ook niet na tussenkomst van de Notaris.
(xii) Woningborg heeft de gemeenschappelijke gedeelten van het appartementsgebouw door een andere aannemer laten afbouwen. De meerkosten van de afbouw bedroegen ruim € 1,7 miljoen.
2.2
Woningborg vordert, voor zover in cassatie van belang, (i) een verklaring voor recht dat de Notaris zijn zorgplicht jegens de appartementseigenaren en/of Woningborg heeft geschonden door een bankgarantie met vervaltermijn te accepteren en (ii) veroordeling van de Notaris om aan Woningborg de door haar geleden schade ter hoogte van € 419.650,-- te betalen.
2.3
De rechtbank heeft de vorderingen van Woningborg afgewezen.
2.4
Het hof1.heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en, voor zover in cassatie van belang, voor recht verklaard dat de Notaris zijn zorgplicht jegens de appartementseigenaren heeft geschonden door een bankgarantie met vervaltermijn per 1 juni 2016 te accepteren en de Notaris veroordeeld om aan Woningborg de door haar geleden schade ter hoogte van € 419.650,-- te betalen. Het hof heeft daartoe onder meer als volgt overwogen.
“3.8. Naar oordeel van het hof waren de voorwaarden waaronder de bankgarantie kon worden ingeroepen zodanig, dat deze garantie niet kan worden aangemerkt als vervangende zekerheid als bedoeld in art. 7:768 lid 3 BW in verbinding met art. 6:51 lid 2 BW. De op 18 december 2015 afgegeven bankgarantie kon slechts worden ingeroepen nadat een partijen bindende beslissing was gewezen in een procedure tussen [het aannemingsbedrijf] en de desbetreffende appartementseigenaar. Tevens bevatte de bankgarantie een vervaltermijn per 1 juni 2016. Zij had daarmee een looptijd van nog geen zes maanden. Daarmee was bij voorbaat duidelijk dat vrijwel ondenkbaar was dat de bankgarantie met succes zou kunnen worden ingeroepen: ten aanzien van een geschil dat nog moest ontstaan in verband met de op 18 december 2015 nog niet gerealiseerde oplevering zou dan vóór 1 juni 2016 een partijen bindende uitspraak moeten zijn gewezen. Gelet op deze voorwaarden waaronder de bankgarantie kon worden ingeroepen, was van vervangende zekerheid als bedoeld in art. 7:768 lid 3 BW geen sprake. Door het depot tegen het stellen van een dergelijke bankgarantie vrij te geven heeft de notaris, mede gelet op art. 12.2 en 13 van de Algemene Voorwaarden (…), niet jegens de appartementseigenaren gehandeld overeenkomstig hetgeen een redelijk handelend en redelijk bekwaam notaris betaamt. Voor zover de appartementseigenaren natuurlijke personen zijn die niet handelden in de uitoefening van een beroep of bedrijf, heeft de notaris jegens hen tevens gehandeld in strijd met zijn in art. 7:768 lid 3 BW neergelegde wettelijke plicht.”
3. Beoordeling van het middel
3.1
Onderdeel 2c van het middel klaagt onder meer dat het oordeel van het hof (in rov. 3.8) dat de bankgarantie niet kan worden aangemerkt als vervangende zekerheid als bedoeld in art. 7:768 lid 3 BW, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Volgens de klacht heeft het hof miskend dat ten tijde van het handelen van de Notaris de voorwaarden waaronder de bankgarantie kon worden ingeroepen in de praktijk gebruikelijk en naar de heersende rechtsopvatting geoorloofd waren.
3.2.1
Art. 7:768 BW is van toepassing op aanneming van werk die strekt tot de bouw van een woning, bestaande uit een onroerende zaak of bestanddeel daarvan, in opdracht van een natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf (art. 7:765 BW). De bepaling beoogt de positie van de particuliere opdrachtgever ten opzichte van de aannemer van een nieuwbouwwoning te versterken.2.Op grond van art. 7:769 BW kan van art. 7:768 BW niet ten nadele van de opdrachtgever worden afgeweken, behoudens bij een standaardregeling als bedoeld in art. 6:214 BW.
Op grond van art. 7:768 lid 1 BW kan de opdrachtgever maximaal 5% van de aanneemsom inhouden op de laatste termijn(en) en dit bedrag in plaats van aan de aannemer te betalen, in depot storten bij een notaris.
Art. 7:768 lid 3 BW bepaalt onder meer dat de notaris het in depot gestorte bedrag in de macht van de aannemer brengt voor zover de aannemer vervangende zekerheid stelt. Het stellen van vervangende zekerheid is dan dus een voorwaarde voor de betaling aan de aannemer van het in depot gestorte bedrag. Dit betekent dat op grond van art. 6:51 leden 1 en 2 BW de aangeboden zekerheid zodanig moet zijn dat de vordering en, zo daartoe gronden zijn, de daarop vallende rente en kosten behoorlijk gedekt zijn en dat de schuldeiser daarop zonder moeite verhaal zal kunnen nemen.
3.2.2
Mede gelet op de consumentenbeschermende strekking van art. 7:768 BW moet art. 7:768 lid 3 BW in verbinding met art. 6:51 lid 2 BW zo worden uitgelegd dat alleen dan sprake is van vervangende zekerheid indien de aangeboden zekerheid gelijkwaardig is aan het depot. Wanneer de zekerheid bestaat in een bankgarantie, betekent dit dat de bankgarantie in dezelfde gevallen en onder dezelfde voorwaarden inroepbaar moet zijn als het depot.
Deze uitleg strookt ook met de totstandkomingsgeschiedenis van de (nog niet in werking getreden) Wet kwaliteitsborging voor het bouwen.3.Met de inwerkingtreding van deze wet zal het begrip ‘vervangende zekerheid’ in art. 7:768 lid 3 BW (art. 7:768 lid 4 (nieuw) BW) worden vervangen door het begrip ‘een aan het depot gelijkwaardige zekerheid’. Uit de totstandkomingsgeschiedenis volgt dat met deze aanpassing geen inhoudelijke wijziging is beoogd, maar de verduidelijking dat de vervangende zekerheid een gelijke mate van zekerheid moet bieden als het depot.4.
3.3
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.2.1-3.2.2 is overwogen heeft het hof geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de in dit geval afgegeven bankgarantie niet kan worden aangemerkt als vervangende zekerheid zoals bedoeld in art. 7:768 lid 3 BW op de grond dat – gezien de voorwaarden waaronder de bankgarantie kon worden ingeroepen – bij voorbaat duidelijk was dat vrijwel ondenkbaar was dat de bankgarantie met succes zou kunnen worden ingeroepen. De hiervoor in 3.1 weergegeven klacht faalt dus.
3.4
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt de Notaris in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Woningborg begroot op € 6.971,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien de Notaris deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op 3 december 2021.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 03‑12‑2021
Wet van 15 mei 2019, Stb. 2019, 382.
Kamerstukken II 2015/16, 34453, nr. 3, p. 39 en 93 en Kamerstukken II 2015/16, 34453, nr. 6, p. 24 en 25.
Conclusie 23‑04‑2021
Inhoudsindicatie
Verbintenissenrecht. Onrechtmatige daad. Aansprakelijkheid notaris voor vrijgave van door kopers appartementsrechten op de voet van art. 7:768 lid 1 BW in depot gestorte bedragen aan de (nadien gefailleerde) aannemer? Bankgarantie met daarin opgenomen voorwaarden (vervalbeding en het vereiste van een bindende uitspraak) ‘vervangende zekerheid’ als bedoeld in art. 7:768 lid 3 BW in verbinding met art. 6:51 lid 2 BW? Taak notaris op de voet van art. 7:768 lid 3 BW. Strekt 5%-depot zich uit tot verzekering van deugdelijke oplevering van de gemeenschappelijke gedeelten van het gebouw (of alleen de privégedeelten)? Subrogatie Woningborg in schadevergoedingsvorderingen appartementseigenaren ingevolge art. 7:962 BW? Causaal verband tussen normschending notaris en schade.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 20/01459
Zitting 23 april 2021
CONCLUSIE
R.H. de Bock
In de zaak
[de notaris]
mr. M.E. Bruning
tegen
Woningborg N.V.
Mr. D. Rijpma
In deze zaak staat in cassatie centraal of eiser tot cassatie (hierna: de notaris) zijn zorgplicht jegens de kopers van appartementsrechten (hierna: de appartementseigenaren) heeft geschonden. De appartementseigenaren hadden aannemingsovereenkomsten gesloten met een aannemer voor de bouw van een in woningen te transformeren kantoorpand. Conform art. 7:768 lid 1 BW is door ieder van de appartementseigenaren 5% van de laatste termijn van de aanneemsom in depot bij de notaris gestort. Op verzoek van de aannemer zijn de 5%-depots vervangen door een bankgarantie. De notaris heeft daarop de depots uitgekeerd aan de aannemer. In de op 18 december 2015 gestelde bankgarantie is bepaald dat deze slechts kan worden ingeroepen nadat een partijen bindende beslissing is gewezen in een procedure tussen de aannemer en de desbetreffende appartementseigenaar. Tevens is bepaald dat de bankgarantie vervalt per 1 juni 2016. Wanneer de aannemer enige tijd later failliet gaat, zijn de gemeenschappelijke gedeelten van het gebouw nog niet afgebouwd. De bank weigert uitbetaling te doen onder de bankgarantie. Op grond van de op de aannemingsovereenkomsten van toepassing zijnde garantieregeling heeft Woningborg op haar kosten het appartementsgebouw laten afbouwen. In de onderhavige procedure spreekt Woningborg de notaris aan tot schadevergoeding wegens onzorgvuldig handelen. Het hof wijst die vordering toe, omdat de notaris op grond van art. 7:768 lid 3 BW niet de depots had mogen vrijgeven zonder dat vervangende, gelijkwaardige zekerheid was gesteld. De bankgarantie voldeed daar niet aan. In cassatie wordt dat oordeel met verschillende klachten bestreden. De klachten hebben onder meer betrekking op de strekking van het 5%-depot bij appartementengebouwen (ziet dit alleen op de privégedeelten of óók op de gemeenschappelijke gedeelten van het gebouw?), de uitleg van het begrip ‘vervangende zekerheid’ als bedoeld in art. 7:768 lid 3 BW en de taak en verantwoordelijkheid van de notaris in het kader van de vrijgave van het depot tegen vervangende zekerheid op de voet van art. 7:768 lid 3 BW.
Woningborg heeft in een parallelle procedure ook de bank aangesproken uit onrechtmatige daad. In die procedure wordt eveneens heden conclusie genomen (zaaknr. 20/01453).
1. Feiten
In deze zaak kan worden uitgegaan van de volgende feiten, ontleend aan rov. 2.1-2.17 van het arrest van het Hof Amsterdam van 28 januari 2020.1.
1.1
In 2013 is een toenmalig kantoorpand aan de [a-straat 1] te [plaats] gesplitst in elf appartementsrechten. Deze appartementsrechten zijn verkocht aan zowel consumenten als niet-consumenten (hierna: de appartementseigenaren). Voor de (her- en af)bouw van het kantoorpand tot appartementsgebouw zijn aannemingsovereenkomsten met [de aannemer] B.V. (hierna: de aannemer) gesloten.
1.2
De aannemingsovereenkomsten zijn opgesteld conform het modelcontract aannemingsovereenkomst transformatie appartementsrechten 2012 van Woningborg met toepassing van de Woningborg Garantie- en waarborgregeling Transformatie in algemene zin en de Woningborg Garantie- en waarborgregeling Transformatie 2012 (hierna tezamen: de garantieregeling). De garantieregeling kent twee soorten waarborgen, te weten de herstelwaarborg en de voor deze zaak relevante afbouwwaarborg, neergelegd in artikel 15. Over de afbouwwaarborg is in de garantieregeling onder meer te lezen:
“De afbouwwaarborg
(...)
Wat houdt deze waarborg nu precies in? Wanneer de ondernemer onverhoopt tijdens de bouw van (...) het appartementengebouw insolvent raakt (failliet gaat), en u bent in het bezit van het Woningborg-certificaat én eigenaar van (...) het appartementsrecht, dan zal Woningborg u schadeloos stellen.
Woningborg heeft bij de uitvoering van de afbouwwaarborg twee mogelijkheden:
of de woning c.q. het appartementengebouw wordt afgebouwd, waarbij Woningborg de meerkosten voor de afbouw van de woning c.q. het appartementengebouw aan een afbouwende ondernemer zal betalen;
(...)
Met een Woningborg-certificaat bent u zodoende gedurende de bouw gedekt tegen financiële risico's wanneer de ondernemer onverhoopt mocht failleren.
(...)
DEFINITIES
(...)
Garantiegerechtigde
De in het bezit van het Certificaat zijnde Verkrijger (...) alsmede de in het bezit van het Certificaat zijnde Vereniging van Eigenaars voor het haar betreffende gedeelte.
(...)
De afbouwwaarborg
Artikel 15
(...)
15.3.1
Door ondertekening (...) heeft Garantiegerechtigde Woningborg onherroepelijk (...) gemachtigd om in geval van insolventie van de Ondernemer voor en namens Garantiegerechtigde de gevolgen van de insolventie van de Ondernemer te regelen, waaronder begrepen het voeren van onderhandelingen met de curator en het treffen van een afbouwregeling.
(...)
15.3.2
Woningborg zal na bekendwording van de insolventie van de Ondernemer, namens de Garantiegerechtigde, de curator bij schriftelijke sommatie (...) bevestiging verzoeken van de afbouw van (...) het Gebouw. Bij gebreke van voornoemde bevestiging dan wel ingeval van een schriftelijke melding van de curator dat hij de Overeenkomst niet gestand doet, geldt de schaderegeling als hierna in artikel 15.4. omschreven en wordt de Garantiegerechtigde geacht een beroep te hebben gedaan op deze afbouwwaarborg.
15.4
Indien en zodra Woningborg uitvoering geeft aan de afbouwwaarborg, wordt de Garantiegerechtigde door Woningborg schadeloos gesteld met inachtneming van de volgende voorwaarden en bepalingen.
Woningborg heeft bij de schadeloosstelling de keuze uit de volgende opties:
a. Woningborg betaalt de meerkosten voor de Garantiegerechtigde voor het afbouwen van het (...) Privé-gedeelte en het Gebouw ten opzichte van de (...) overeengekomen (...) aanneemsom;
(...)
15.5
De Garantiegerechtigde (...) is in het bijzonder verplicht zijn vordering op de Ondernemer uit hoofde van de Overeenkomst ter zake van de geleden schade en te lijden schade alsmede zijn vordering op het depot c.q. de vervangende zekerheid in het kader van het wettelijk 5%-opschortingsrecht aan Woningborg te cederen."
1.3
Op de aannemingsovereenkomsten zijn ook van toepassing verklaard de Algemene Voorwaarden Transformatie voor de aannemingsovereenkomst transformatie voor appartementsrechten met toepassing van de Woningborg garantie- en waarborgregeling transformatie (hierna: Algemene Voorwaarden). In de Algemene Voorwaarden is onder meer bepaald:
“Definities
(...)
2 Onder verkrijger wordt in deze Algemene Voorwaarden verstaan degene, die ingevolge de aannemingsovereenkomst de opdrachtgever is (...)
Opschortingsrecht
Artikel 12
1. De verkrijger kan (...) maximaal 5% van de aanneemsom inhouden op de laatste termijn (...) en dit bedrag, in plaats van aan de ondernemer te betalen, in depot storten bij de notaris.
2. Dit recht bestaat niet in de volgende gevallen:
a. indien de ondernemer (...) ten behoeve van de verkrijger een bankgarantie van 5% van de aanneemsom als bedoeld in artikel 13 van deze Algemene Voorwaarden aan de verkrijger stelt (...) De notaris beoordeelt of deze bankgarantie aan de wet en de in artikel 13 van deze Algemene Voorwaarden gestelde eisen voldoet en treedt als bewaarder (...) van de bankgarantie op. Een kopie van de bankgarantie stuurt de ondernemer aan de verkrijger;
(...)
Artikel 13
Voor het geval de ondernemer een bankgarantie stelt als bedoeld in artikel 12 lid 2 sub a. van deze Algemene Voorwaarden in plaats van het depot, dient deze bankgarantie te zijn afgegeven door een te goeder naam bekend staande en in Nederland gevestigde instelling en dient deze aan te vangen per de datum van oplevering van het privé-gedeelte, onvoorwaardelijk te zijn en voort te duren totdat:
a. drie (3) maanden zijn verstreken na het tijdstip van oplevering van het privé- gedeelte, tenzij
de verkrijger de notaris voordien schriftelijk meedeelt dat hij van de in artikel 6:262 BW (...) toegekende bevoegdheid wenst gebruik te maken. (...)
b. de verkrijger schriftelijk instemt met het vervallen van de bankgarantie;
c. bij een uitspraak, die partijen bindt, is beslist dat de bankgarantie niet of niet langer gerechtvaardigd is. (...)”
1.4
In de aannemingsovereenkomsten is de notaris aangewezen als de notaris die uitvoering geeft aan de 5% depotregeling en de bankgarantie ingevolge artikel 12 lid 2 van de Algemene Voorwaarden dient te beoordelen.
1.5
Woningborg heeft aan iedere appartementseigenaar het in de garantieregeling bedoelde Woningborgcertificaat afgegeven. Woningborg is een schadeverzekeraar, gespecialiseerd in het waarborgen van woninggaranties.
1.6
De appartementseigenaren hebben 10% van de aanneemsom in depot gestort bij de notaris. Daarvan is de helft bij oplevering van de privé-gedeelten in de periode december 2015 tot en met februari 2016 uitbetaald aan de aannemer. Van twee appartementseigenaren is de resterende 5% van de aanneemsom op de voet van artikel 7:768 lid 1 BW - en overeenkomstig artikel 12 lid 1 van de Algemene Voorwaarden - in depot gebleven bij de notaris. Het resterende 5% depot van de andere appartementseigenaren is op verzoek van de aannemer op de voet van artikel 7:768 lid 3 BW vervangen door een bankgarantie.
1.7
Aan de bankgarantie is overleg voorafgegaan tussen ( [betrokkene 1] , een medewerker van) de aannemer en ( [betrokkene 2] , een medewerker van) de notaris. Op 16 december 2015 heeft [betrokkene 1] per e-mail aan [betrokkene 2] geschreven:
“Bijgevoegd heb ik de standaard bankgarantie tekst die onze bankier hanteert bij vergelijkbare projecten.
(...)
Onder verklaart het navolgende:
Tot een maximum bedrag van 5% van het totaal van de aanneemsom, zijnde een totaalbedrag van € 502.150,-.=.
LET OP: de garantie heeft een maximale doorlooptijd van 3 maanden waarna de garantie opnieuw verlengd moet worden.
Ik wil u vragen dit intern af te stemmen met de notaris, zodat bij de sleuteloverdracht de betalingen 100% kunnen plaatsvinden. Ik zal dan voor die datum de bankgarantie verstrekken aan u, zodat de kopers hun zekerheid behouden op de 5%.”
1.8
Bij e-mail van 17 december 2015 heeft [betrokkene 2] aan [betrokkene 1] geantwoord:
“Ik heb een en ander met de [notaris] besproken. Naast een kleine tekstuele opmerking (...) hebben wij één inhoudelijke opmerking met betrekking tot de looptijd van de garantie. De door u voorgestelde looptijd van drie maanden is te kort; deze dient gesteld te worden op één jaar. Bij een normale gang van zaken zijn binnen dat jaar de opleveringen van alle woningen afgerond en is de bankgarantie voor alle woningen vervallen.”
1.9
Bij e-mail van 17 december 2015 heeft [betrokkene 1] hierop als volgt gereageerd:
“In de Algemene Voorwaarden Transformatie van de Woningborg, behorende bij de aannemingsovereenkomst, staat in art. 14 lid 1 dat de aannemer uiterlijk binnen 3 maanden na oplevering eventuele tekortkomingen dient te herstellen.
Bij een normale gang van zaken is binnen 3 maanden alles afgerond.
Wat ik u wil voorstellen is het volgende:
De opleveringen zijn gepland rond half januari 2016.
Dat ik in de af te geven garantie de datum 1 juni 2016 als eind datum laat vermelden. Tussen half januari en 1 juni zullen wij toch een aantal keren contact hebben, omdat in die periode de bankgarantie verlaagd kan worden voor de bouwnummers waarvan alle opleverpunten zijn afgehandeld. Ik wil met u afspreken dat wij half mei contact hebben omtrent een verlenging van de bankgarantie voor de bouwnummers, waarvan op dat moment nog niet alle opleverpunten zijn afgehandeld.”
1.10
De onder 1.7-1.9 aangehaalde e-mails zijn op 17 december 2015 door (R. Duits, medewerker van) de aannemer doorgestuurd aan de bank (met een kopie aan [betrokkene 1] ). Het e-mailbericht luidt, voor zover van belang:
“Bijgaand de aanvraag voor een notarisgarantie volgens jullie model (...).
(...)
Onder verklaart het navolgende:
Tot een maximum bedrag van 5% van het totaal van de aanneemsommen, zijnde een totaalbedrag van € 502.150,=.
En afwijkend van de tekst opnemen einddatum op 1 juni 2016.
(...)
Onder dit bericht de mailwisseling die plaatsgevonden heeft tussen ons en de notaris. De op te nemen einddatum komt voort uit de gesprekken die met deze notaris zijn gevoerd.”
1.11
In de bankgarantie, gedateerd 18 december 2015, is onder meer het volgende vermeld:
“(...)
A. dat [de aannemer] (hierna te noemen "de ondernemer") een in appartementsrechten gesplitst complex van 11 woningen bouwt (...),
B. dat de ondernemer met diverse verkrijgers in dit bouwplan overeenkomsten met toepassing van de [garantieregeling] is aangegaan;
C. dat elke individuele verkrijger, zonder een beroep te doen op artikel 6:262 BW en onder voorbehoud van zijn recht op levering op grond van de tussen de verkrijger en de ondernemer gesloten overeenkomst en de wet, gerechtigd is een bedrag van maximaal 5% van de aanneemsom in te houden op de laatste termijn (...) en in depot te storten bij de notaris,
D. dat de ondernemer gerechtigd is om in de plaats van dit opschortingsrecht een bankgarantie te doen stellen als zekerheid voor de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst,
E. dat [de bank] zich bereid heeft verklaard een collectieve bankgarantie te stellen ten behoeve van de verkrijgers van het (...) bouwplan en als bedoeld in de Algemene Voorwaarden (...) met toepassing van de [garantieregeling],
F. dat de in de overeenkomst genoemde notaris [de notaris, hof] (...) optreedt als bewaarder van deze bankgarantie,
VERKLAART HET NAVOLGENDE:
[De bank] stelt zich onherroepelijk garant jegens de individuele verkrijgers voor de betaling van al hetgeen elke verkrijger volgens de notaris blijkens het hierna bepaalde van de ondernemer te vorderen heeft. Deze garantie gaat voor elke verkrijger in op de datum van oplevering van diens woning en is geldig tot een maximum bedrag van 5% van het totaal van de aanneemsommen van alle woningen van voormeld bouwplan, zijnde een totaalbedrag van EUR 502.150,00 (...) met dien verstande dat per individuele verkrijger een maximum geldt van 5% van de (...) individueel overeengekomen aanneemsom.
De [bank] verbindt zich derhalve op het eerste schriftelijke namens de betreffende verkrijger ingediende verzoek van de notaris (...) inhoudende diens verklaring dat een origineel afschrift van een partijen bindende beslissing gewezen in een procedure tussen de ondernemer en de verkrijger aan hem ten genoegen is overgelegd, aan de betreffende verkrijger volgens de aanwijzingen van de notaris als eigen schuld te zullen betalen, het bedrag dat die verkrijger volgens de in het verzoek opgenomen verklaring van de notaris het maximum van 5% van de met de desbetreffende verkrijger individueel overeengekomen aanneemsom niet overschrijdt en dat de verkrijger blijkens voornoemde bindende
beslissing gewezen in een procedure tussen de ondernemer en de verkrijger aan hem ten genoegen is overgelegd, aan de betreffende verkrijger volgens de aanwijzingen van de notaris als eigen schuld te zullen betalen, het bedrag dat die verkrijger volgens de in het verzoek opgenomen verklaring van de notaris het maximum van 5% van de met de desbetreffende verkrijger individueel overeengekomen aanneemsom niet overschrijdt en dat de verkrijger blijkens voornoemde bindende beslissing opeisbaar van de ondernemer te vorderen heeft.
(...)
De garantie vervalt - per individuele verkrijger telkenmale voor een pro rata gedeelte - indien:
(…).
Niettegenstaande het bovengenoemde vervalt deze garantie uiterlijk op 1 juni 2016. (...)”
1.12
De 5% depots van € 419.650,- die door de bankgarantie werden vervangen, zijn door de notaris na ontvangst van de bankgarantie aan de aannemer uitbetaald. De 5% depots van de twee andere appartementseigenaren (zie 1.6) bleven gehandhaafd.
1.13
De aannemer is op 15 april 2016 failliet verklaard. De gemeenschappelijke gedeelten van het appartementsgebouw waren op dat moment nog niet afgebouwd. Op 22 april 2016 heeft de curator aan Woningborg laten weten dat de aannemingsovereenkomsten geen gestand zouden worden gedaan.
1.14
Bij brief van 28 april 2016 heeft Woningborg, mede namens de appartementseigenaren, de bank verzocht om uitbetaling onder de bankgarantie. De bank heeft daaraan geen gevolg gegeven, ook niet na tussenkomst van de notaris.
1.15
Op 19 mei 2016 heeft Woningborg de curator geschreven dat de appartementseigenaren de partiële ontbinding van de aannemingsovereenkomsten inroepen en dat zij jegens de aannemer aanspraak maken op vergoeding van de extra afbouwkosten van de gemeenschappelijke gedeelten van het appartementsgebouw tot een maximum van 5% van de aanneemsom. In mei/juni 2016 zijn onderhandse akten opgemaakt tussen de negen appartementseigenaren van wie het 5% depot werd vervangen door de bankgarantie en Woningborg. In de cessieakten staat dat de desbetreffende appartementseigenaar zijn schadevordering op de aannemer ter zake van de afbouwkosten tot 5% van de aanneemsom aan Woningborg cedeert. Op 27 oktober 2016 heeft Woningborg namens de appartementseigenaren de vordering met betrekking tot de afbouwkosten bij de curator ter verificatie ingediend.
1.16
Woningborg heeft de gemeenschappelijk gedeelten van het appartementsgebouw door een andere aannemer namens de appartementseigenaren laten afbouwen. De meerkosten van de afbouw hebben ruim € 1.700.000 bedragen.
1.17
In augustus-oktober 2018 zijn nieuwe cessieakten opgemaakt tussen zes van de negen appartementseigenaren. Krachtens deze cessieakten hebben deze appartementseigenaren hun schadevorderingen op de notaris en de bank aan Woningborg overgedragen. Bij brief van 31 oktober 2018 heeft Woningborg van deze akten mededeling gedaan aan de notaris en de bank.
2. Procesverloop
2.1
Bij dagvaarding van 10 februari 2017 heeft Woningborg een procedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank Amsterdam tegen de bank, de curator en de notaris. Woningborg heeft daarbij - voor zover in cassatie van belang2.- de volgende vorderingen ingesteld tegen de bank en de notaris:
jegens de bank en de notaris:
(c) hoofdelijke veroordeling om aan Woningborg de door haar geleden schade ad € 419.650 te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding en/of schadevergoeding op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
jegens de bank:
(d) een verklaring voor recht dat de bank bij de afgifte van de bankgarantie met een einddatum van 1 juni 2016 onrechtmatig jegens de appartementseigenaren en/of Woningborg heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de schade die hiervan het gevolg is;
jegens de notaris:
(f) een verklaring voor recht dat de notaris zijn zorgplicht jegens de appartementseigenaren en/of Woningborg heeft geschonden door een bankgarantie met vervaltermijn te accepteren;
alles vermeerderd met wettelijke rente en proces- en nakosten met rente.3.
2.2
Woningborg heeft aan haar vorderingen jegens de bank en de notaris het volgende ten grondslag gelegd. De bankgarantie met de vervaltermijn was geen gelijkwaardige zekerheid voor het 5% depot. Omdat de 5% depots zijn vervangen door de in tijdsduur beperkte bankgarantie kan een deel van de afbouwschade ter grootte van € 419.650 niet meer worden verhaald, terwijl dat zonder vervaltermijn wel mogelijk was geweest. De bank had op grond van haar zorgplicht moeten nagaan of deze specifiek op art. 7:768 BW gebaseerde bankgarantie in overeenstemming is met deze bepaling. De bank had bij afgifte van de bankgarantie niet op de eenzijdige instructie van haar klant de aannemer mogen afgaan. Aan de bank kan worden verweten dat zij onvoldoende rekening heeft gehouden met de kenbare belangen van zowel de appartementseigenaren als van Woningborg. Dat geldt ook voor de notaris, die geen bankgarantie met een einddatum had mogen accepteren als alternatief voor de 5% depots en evenmin tot uitbetaling van de 5% depots had mogen overgaan.4.
2.3
De bank en de notaris hebben verweer gevoerd tegen de vorderingen.
2.4
De rechtbank heeft bij vonnis van art. 23 mei 20185.het gevorderde afgewezen. De rechtbank heeft Woningborg niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen tegen de bank voor zover het betreft vorderingen van de appartementseigenaren die aan Woningborg zijn gecedeerd, omdat de cessieakten uit 2016 slechts zien op de schadevordering van de appartementseigenaren op de aannemer en niet op een vordering tegen de bank (rov. 4.3). Woningborg is eveneens niet-ontvankelijk in haar vorderingen, voor zover zij stelt in de vorderingen van de appartementseigenaren jegens de bank en de notaris te zijn gesubrogeerd. Woningborg is naar het oordeel van de rechtbank niet gesubrogeerd in de op zorgplichtschending/onrechtmatige daad gebaseerde vorderingen tegen de bank en de notaris, omdat dit geen vorderingen tot verhaal van afbouwschade betreffen (rov. 4.4). De rechtbank heeft ten slotte afgewezen de vorderingen van Woningborg jegens de notaris respectievelijk de bank voor zover deze zijn gegrond op een jegens Woningborg gepleegde onrechtmatige daad (rov. 4.5-4.7 resp. rov. 4.8-4.9).
2.5
Woningborg heeft, onder aanvoering van tien grieven, hoger beroep ingesteld bij het hof Amsterdam. Woningborg heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – alsnog haar vorderingen zal toewijzen, met veroordeling van geïntimeerden in de kosten van het geding in beide instanties. Bij akte wijziging van eis heeft Woningborg vervolgens haar vordering onder c. aldus gewijzigd, dat ‘de door haar geleden schade ad € 419.650 te betalen’ wordt gewijzigd in ‘de schade van Woningborg c.q. de door middel van cessie door de appartementseigenaren aan Woningborg overgedragen schade ad € 419.650 te betalen’.6.De bank en de notaris hebben de grieven bestreden.
2.6
Bij arrest van 28 januari 2020 heeft het hof (voor zover van belang) het vonnis waarvan beroep, voor zover gewezen tussen Woningborg als eiseres en de notaris en de bank als gedaagde, vernietigd. Het hof heeft, opnieuw rechtdoende, de notaris en de bank hoofdelijk veroordeeld om aan Woningborg de door haar geleden schade ad € 419.650 te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de voldoening. Tevens heeft het hof de (onder d. en f.) gevorderde verklaringen voor recht toegewezen. Ten slotte heeft het hof de notaris en de bank hoofdelijk veroordeeld in de kosten van het geding in beide instanties.
2.7
De overwegingen van het hof laten zich – voor zover relevant voor het cassatieberoep van de notaris – als volgt weergeven:
(i) Het hof begrijpt grief 3 aldus dat daarin niet slechts een beroep op de nieuwe cessieakten wordt gedaan, maar tevens wordt geklaagd dat de rechtbank het beroep op subrogatie ten onrechte heeft verworpen (rov. 3.2).
(ii) Grief 3 is gegrond. Naar Woningborg stelt, hebben de appartementseigenaren ter zake van door hen geleden schade anders dan uit verzekering vorderingen tot schadevergoeding op de notaris en de bank gekregen. Volgens Woningborg bestaat deze schade eruit dat de appartementseigenaren tot een bedrag van € 419.560 geen verhaal hebben kunnen nemen op het depot onder de notaris tot waarborg van de voltooiing van het gebouw. Door ervoor zorg te dragen dat het gebouw alsnog op haar kosten werd voltooid, heeft Woningborg mede deze schade vergoed. Daarmee zijn de vorderingen van de appartementseigenaren jegens de notaris en de bank met betrekking tot de verhaalschade bij wijze van subrogatie op Woningborg overgegaan en is Woningborg in zoverre getreden in de (gepretendeerde) rechten van de appartementseigenaren jegens de notaris en de bank (rov. 3.3).
(iii) Ingevolge art. 7:768 lid 1 BW kan de consument-opdrachtgever zonder een beroep te doen op art. 6:262 BW en onder behoud van zijn recht op oplevering, ten hoogste 5% van de aanneemsom inhouden op de laatste termijn(en) en dit bedrag in plaats van aan de aannemer te betalen, in depot storten bij een notaris. De notaris brengt het bedrag in de macht van de aannemer nadat drie maanden zijn verstreken na het tijdstip van oplevering, tenzij zich een van de gevallen, bedoeld in art. 7:768 lid 2 BW voordoet. De notaris brengt het bedrag in de macht van de aannemer, onder meer indien de aannemer vervangende zekerheid stelt (art. 7:768 lid 3 BW). Bij de beantwoording van de vraag of een door de aannemer aangeboden zekerheid de vrijgave van het depot rechtvaardigt, is beslissend of de aangeboden zekerheid aan de eisen van art. 6:51 lid 2 BW voldoet (vgl. HR 18 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1607) (rov. 3.5).
(iv) In dit geval hebben alle appartementseigenaren gebruik gemaakt van hun bijzonder opschortingsrecht door ieder 5% van het op het desbetreffende appartementsrecht betrekking hebbende bedrag bij de notaris in depot te storten. Daarmee is dus 5% van de totale aanneemsom in depot gestort. Het depot zag dan ook zowel op alle privégedeelten, als op alle gedeelten van het gebouw die tot gezamenlijk gebruik waren bestemd (rov. 3.6).
(v) De notaris heeft ten aanzien van negen van de elf appartementseigenaren het depot vrijgegeven - dat wil zeggen tot een bedrag van € 419.650,- - nadat de aannemer de bankgarantie had gesteld. Naar de notaris ter zitting heeft bevestigd, heeft hij met de appartementseigenaren geen overleg gehad over de inhoud van de bankgarantie. Ingevolge de op de notaris rustende zorgplicht was hij slechts bevoegd het depot vrij te geven indien de bankgarantie voldeed aan de eisen als bedoeld in art. 7:768 lid 3 BW in verbinding met art. 6:51 lid 2 BW (rov. 3.7).
(vi) De voorwaarden waaronder de bankgarantie kon worden ingeroepen waren zodanig, dat deze garantie niet kan worden aangemerkt als vervangende zekerheid als bedoeld in art. 7:768 lid 3 BW in verbinding met art. 6:51 lid 2 BW. De bankgarantie kon slechts worden ingeroepen nadat een partijen bindende beslissing was gewezen in een procedure tussen de aannemer en de desbetreffende appartementseigenaar. Tevens bevatte de bankgarantie een vervaltermijn per 1 juni 2016. Zij had daarmee een looptijd van nog geen zes maanden. Daarmee was bij voorbaat duidelijk dat vrijwel ondenkbaar was dat de bankgarantie met succes zou kunnen worden ingeroepen: ten aanzien van een geschil dat nog moest ontstaan in verband met de op 18 december 2015 nog niet gerealiseerde oplevering zou dan vóór 1 juni 2016 een partijen bindende uitspraak moeten zijn gewezen (rov. 3.8).
(vii) Door het depot tegen het stellen van een dergelijke bankgarantie vrij te geven heeft de notaris, mede gelet op art. 12.2 en 13 van de Algemene Voorwaarden, niet jegens de appartementseigenaren gehandeld overeenkomstig hetgeen een redelijk handelend en redelijk bekwaam notaris betaamt. Voor zover de appartementseigenaren natuurlijke personen zijn die niet handelden in de uitoefening van een beroep of bedrijf, heeft de notaris jegens hen tevens gehandeld in strijd met zijn in art. 7:768 lid 3 BW neergelegde wettelijke plicht (rov. 3.8).
(viii) Het verweer van de notaris dat de bankgarantie uitsluitend betrekking had op de privégedeelten en niet (mede) op de tot gemeenschappelijk gebruik bestemde gedeelten van het gebouw, kan hem niet baten. Ten tijde van het stellen van de bankgarantie waren de privégedeelten noch de gemeenschappelijke gedeelten opgeleverd, terwijl het onder de notaris staande depotbedrag strekte tot zekerheid van beide gedeelten. Indien de bankgarantie inderdaad uitsluitend strekte tot vervangende zekerheid met betrekking tot de privégedeelten, impliceert dit, dat het depot is vrijgegeven zonder dat enige zekerheid was gesteld met betrekking tot de gemeenschappelijke gedeelten. In dit verband doet niet ter zake of de appartementseigenaren op grond van de garantieregeling rechtstreekse aanspraken op Woningborg tot afbouw van de gemeenschappelijke gedeelten geldend konden maken voordat deze gedeelten waren opgeleverd en een garantiecertificaat aan de vereniging van eigenaars was uitgereikt. Wat van dit standpunt verder zij (niet in geschil is dat ook de gezamenlijke gedeelten onder verantwoordelijkheid van Woningborg uiteindelijk zijn afgebouwd), de contractuele aanspraken van appartementseigenaren en de vereniging van eigenaars jegens Woningborg staan geheel los van het depot dat de appartementseigenaren overeenkomstig art. 12 van de algemene voorwaarden (en, voor zover art. 7:768 BW van toepassing is: overeenkomstig dat artikel) onder de notaris hadden gestort. Ten tijde van het stellen van de bankgarantie strekte dit depot tot zekerheid van afbouw van zowel de privé- als gemeenschappelijke gedeelten (rov. 3.9).
(ix) Het vorenstaande zou anders kunnen zijn, indien de notaris de desbetreffende appartementseigenaren naar behoren had voorgelicht over de omstandigheid dat de zekerheid die zij aan de bankgarantie konden ontlenen illusoir was en dat de appartementseigenaren niettemin met de vrijgave van het depot hadden ingestemd. Hieromtrent is evenwel niets gesteld of gebleken. De notaris heeft ter zitting in hoger beroep desgevraagd bevestigd dat hij de appartementseigenaren wel heeft geïnformeerd over het bestaan van de bankgarantie, maar dat hij de (tekst van de) bankgarantie niet aan hen heeft verstrekt (rov. 3.10).
(x) De notaris wijst er nog op dat hij de bank vóór het vervallen van de bankgarantie heeft verzocht om uit te keren, dan wel de bankgarantie te verlengen, maar dat de bank dit heeft geweigerd. Aan de notaris kan worden toegegeven dat hij zich aldus de belangen van de appartementseigenaren heeft aangetrokken en dat hij in zoverre heeft gehandeld als redelijk handelend en redelijk bekwaam notaris; dit doet evenwel niet eraan af dat hij het depotbedrag niet tegen de verstrekte bankgarantie aan de aannemer had mogen uitbetalen (rov. 3.11).
(xi) Het vorenstaande brengt mee dat de notaris jegens de appartementseigenaren niet heeft gehandeld als een redelijk bekwaam en redelijk handelend notaris door op basis van de verstrekte bankgarantie het depot tot een bedrag van € 419.650,- aan de aannemer vrij te geven (rov. 3.12).
(xii) Het vrijgeven van het depot zonder vervangende zekerheid heeft ertoe geleid dat de appartementseigenaren na het faillissement van de aannemer niet met een beroep op art. 53 Fw hun afbouwschade met de depots hebben kunnen verrekenen, zich niet op het depot konden verhalen en evenmin hun schade tot beloop van het vrijgegeven depot konden verhalen op de bankgarantie. Dit verlies aan verhaalsmogelijkheid staat in causaal (sine qua non-)verband met de respectieve normschendingen en kan zowel aan de notaris als aan de bank als gevolg van die normschendingen worden toegerekend. Daarmee hebben de appartementseigenaren schade geleden (rov. 3.17).
(xiii) Voor zover de notaris aanvoert dat de schade nog niet vaststaat in het licht van het beroep door Woningborg op de nietigheid/vernietigbaarheid van de bankgarantie, faalt dit betoog. Niet kan worden geoordeeld dat de bankgarantie, op zichzelf bezien, door inhoud of strekking in strijd is met de goede zeden, openbare orde of met een dwingende wetsbepaling. De omstandigheid dat de bankgarantie geen vervangende zekerheid behelst, brengt immers niet mee dat de garantie als zodanig in strijd is met art. 3:40 BW (rov. 3.18).
(xiv) De conclusie luidt dat de notaris en de bank ieder een jegens de appartementseigenaren te betrachten norm hebben geschonden en de appartementseigenaren daardoor schade hebben geleden, in hoofdsom begroot op € 419.560,-. Woningborg heeft deze schade aan de appartementseigenaren (in natura) vergoed en is daarmee in de rechten van de appartementseigenaren gesubrogeerd (rov. 3.22).
2.8
De notaris heeft tijdig7.cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. Woningborg heeft een verweerschrift ingediend, waarin zij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep. Woningborg heeft haar standpunt tevens schriftelijk doen toelichten. Voorts heeft Woningborg schriftelijke opmerkingen ingediend naar aanleiding van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 18 november 2019, dat door de Hoge Raad was opgevraagd bij het hof en aan partijen is gezonden. De notaris heeft ten slotte gerepliceerd.
3. Juridisch kader
Het bijzondere opschortingsrecht van art. 7:768 BW (de 5% regeling)
3.1
In art. 7:768 BW is een bijzonder opschortingsrecht opgenomen voor de bouw van een woning in opdracht van een consument. Het wetsartikel maakt onderdeel uit van Afdeling 2 van Titel 7.12 en geldt derhalve slechts voor particuliere opdrachtgevers (de opdracht moet afkomstig zijn van ‘een natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf’, zie art. 7:765 BW). Het bijzonder opschortingsrecht van art. 7:768 BW is in september 2003 geïntroduceerd in het kader van een meer omvattende wettelijke regeling ter bescherming van de belangen van consumenten die een woning kopen (de Wet koop onroerende zaken).8.Het artikel beoogt de positie van de positie van de particuliere opdrachtgever ten opzichte van de aannemer van een nieuwbouwwoning te versterken.9.
3.2
Art. 7:768 BW luidt (thans) als volgt:
1. De opdrachtgever kan, zonder beroep te doen op artikel 262 van Boek 6 en onder behoud van zijn recht op oplevering, maximaal 5% van de aanneemsom inhouden op de laatste termijn of laatste termijnen en dit bedrag in plaats van aan de aannemer te betalen, in depot storten bij een notaris.
2. De notaris brengt het bedrag in de macht van de aannemer nadat drie maanden zijn verstreken na het tijdstip van oplevering, tenzij de opdrachtgever van de in artikel 262 van Boek 6 toegekende bevoegdheid wenst gebruik te maken. In dat geval deelt de opdrachtgever aan de notaris mee tot welk bedrag het depot moet worden gehandhaafd.
3. De notaris brengt het bedrag voorts in de macht van de aannemer voor zover de opdrachtgever daarin toestemt, de aannemer vervangende zekerheid stelt of bij een uitspraak die partijen bindt, is beslist dat een depot niet of niet langer gerechtvaardigd is.
4. Indien de opdrachtgever aan de aannemer schadevergoeding verschuldigd is wegens de in lid 1 bedoelde depotstorting of de door de aannemer gestelde vervangende zekerheid, wordt deze gesteld op de wettelijke rente bedoeld in artikel 119 van Boek 6. Gedurende de drie maanden bedoeld in lid 2, is zij niet verschuldigd, zelfs niet indien geen gebreken worden geconstateerd.
3.3
Het bijzondere opschortingsrecht van art. 7:768 lid 1 BW (ook wel: de ‘5% regeling’) komt er kort gezegd op neer dat de opdrachtgever maximaal 5% van de aanneemsom kan inhouden op de laatste termijn(en) en dit bedrag in depot kan storten bij een notaris, in plaats van dit bedrag te betalen aan de aannemer. Aan het bijzondere opschortingsrecht zijn geen voorwaarden verbonden. De opdrachtgever kan dit bedrag altijd inhouden, ook als er geen gebreken bij de oplevering zijn geconstateerd. De opdrachtgever behoudt bij gebruikmaking van het bijzondere opschortingsrecht zijn recht op levering. Het bijzondere opschortingsrecht eindigt ingevolge art. 7:768 lid 2 BW drie maanden na ‘het tijdstip van oplevering’. Daarmee wordt bedoeld het in art. 7:758 lid 1 BW genoemde tijdstip waarop de opdrachtgever het werk al dan niet onder voorbehoud aanvaardt of wordt geacht te hebben aanvaard.10.De notaris zal het depot na drie maanden na de oplevering aan de aannemer moeten overmaken, tenzij de opdrachtgever gebruik wenst te maken van zijn (gewone) opschortingsbevoegdheid op de voet van art. 6:262 BW en kenbaar heeft gemaakt het depot (of een gedeelte daarvan) te willen verlengen (art. 7:768 lid 2 BW). Voor verlenging van het depot is op grond van art. 6:262 BW vereist dat sprake is van een tekortkoming en proportionaliteit tussen het aangehouden depot en de tekortkoming (‘voor zover de tekortkoming opschorting rechtvaardigt’).
3.4
De 5% regeling is in het leven geroepen met het oog op het herstel van bij de oplevering of binnen drie maanden daarna geconstateerde gebreken.11.De termijn van drie maanden wordt daarom ook wel beschouwd als de ‘wettelijke onderhoudstermijn’.12.Het depot fungeert als pressiemiddel van de opdrachtgever jegens de aannemer om tot herstel van gebreken over te gaan.13.Het depot heeft tevens een zekerheidsfunctie.14.Indien binnen drie maanden na de oplevering (alsnog) gebreken worden geconstateerd, dan kan uitbetaling aan de aannemer op grond van art. 6:262 BW worden opgeschort en kan de schade eventueel op het depot worden verhaald.15.Het depot biedt dus ook bescherming aan de consument op het moment dat nakoming blijvend onmogelijk is.16.
3.5
Indien noch bij de oplevering, noch gedurende drie maanden na de oplevering, een gebrek wordt geconstateerd, en het depot na drie maanden wordt uitgekeerd aan de aannemer, betekent dat niet dat de opdrachtgever achteraf gezien ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de 5%-regeling en om die reden schadeplichtig is jegens de aannemer.17.Dit volgt ook uit het vierde lid van art. 7:768 BW, tweede volzin.
3.6
Op grond van art. 7:769 BW kan van art. 7:768 BW niet ten nadele van de consument-opdrachtgever worden afgeweken, behoudens bij een standaardregeling als bedoeld in art. 6:214 BW.18.Een (in algemene voorwaarden opgenomen) beding dat ten nadele van de consument-opdrachtgever afwijkt van art. 7:768 BW is derhalve vernietigbaar.19.
Vrijgave depot door notaris na stellen ‘vervangende zekerheid’
3.7
Op grond van art. 7:768 lid 3 BW is de notaris verplicht om het depot al eerder dan na drie maanden in de macht van de aannemer te brengen, indien de opdrachtgever daarmee instemt, indien de aannemer vervangende zekerheid stelt of bij een bindende uitspraak is beslist dat het depot niet (langer) gerechtvaardigd is.20.Uit de bepaling volgt dat de notaris moet toetsen of aan de wettelijke vereisten voor het voortijdig eindigen van het depot is voldaan.21.
3.8
Bij de invoering van art. 7:768 BW in 2003 is door de wetgever niet duidelijk gemaakt aan welke voorwaarden de door de aannemer gestelde ‘vervangende zekerheid’ moet voldoen voordat het depot door de notaris mag worden vrijgegeven aan de aannemer. In de memorie van toelichting is enkel de bankgarantie genoemd als voorbeeld van vervangende zekerheid.22.In de literatuur is wel aangenomen dat de notaris moet toetsen of de door de aannemer gestelde zekerheid voldoet aan de eisen van art. 6:51 lid 2 BW.23.Op grond daarvan dient de aangeboden zekerheid zodanig te zijn dat de vordering ‘behoorlijk gedekt’ is en dat de schuldeiser daarop ‘zonder moeite verhaal zal kunnen nemen’. Zoals blijkt uit art. 6:51 lid 1 BW, is deze bepaling van toepassing indien er een wettelijke plicht bestaat tot het stellen van zekerheid of het stellen van zekerheid een voorwaarde is voor het intreden van enig rechtsgevolg. Betoogd zou kunnen worden dat het stellen van vervangende zekerheid op grond van art. 7:768 lid 3 BW een voorwaarde is voor het vrijgeven van het depot door de notaris, zodat art. 6:51 lid 2 BW daarop van toepassing is. Sommige auteurs betogen evenwel (los van art. 6:51 lid 2 BW) dat de in het kader van art. 7:768 lid 3 BW gestelde bankgarantie een zekerheid moet bieden die gelijkwaardig is aan het depot. Daarvan is sprake als de bankgarantie in dezelfde gevallen en onder dezelfde voorwaarden inroepbaar is als het depot.24.
3.9
De Eerste Kamer heeft op 14 mei 2019 de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen aangenomen. In deze wet, die naar verwachting 1 januari 2022 in werking zal treden, worden een aantal wijzigingen aangebracht in art. 7:768 BW. Zo wordt een nieuw tweede lid ingevoegd, met daarin een verplichting voor de aannemer om de opdrachtgever te informeren over zijn opschortingsrecht en de verlenging van het depot. Daarnaast worden de leden 3 en 4 BW, die na invoeging van het nieuwe tweede lid worden vernummerd tot de leden 4 en 5, de term ‘vervangende zekerheid’ vervangen door ‘een aan het depot gelijkwaardige zekerheid’. De memorie van toelichting uit 2016 vermeldt over deze wijziging:25.
“Verder wordt voorgesteld in artikel 7:768 van het BW te verduidelijken dat een vervangende zekerheid voor het depot een zelfde zekerheid dient te bieden als dat depot. De Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie heeft in een overleg aangegeven dat in de praktijk veel gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid van een bankgarantie als vervangende zekerheid voor de 5% regeling van artikel 7:768 van het BW. Of een bankgarantie een vergelijkbare zekerheid biedt als een depot, hangt af van de wijze waarop de bankgarantie is gesteld. In de praktijk worden vaak bankgaranties gehanteerd die door hun formulering minder zekerheid bieden dan een depot. Bij een depotstelling mag de opdrachtgever het depotbedrag achter de hand houden als stok achter de deur voor het geval gebreken aan het licht komen binnen de onderhoudstermijn. Bij veel bankgaranties wordt extra actie van de opdrachtgever geëist. Ook biedt de bankgarantie vaak alleen zekerheid voor een bedrag ten aanzien waarvan de opdrachtgever heeft aangetoond dat dit opeisbaar van de aannemer is te vorderen en kan dit beperkter zijn dan het depotbedrag. De opdrachtgever zal vaak eerst een procedure aanhangig moeten maken, terwijl dat in vergelijkbare situaties met een depot niet nodig is. Voorgesteld wordt daarom in artikel 7:768 van het BW te verduidelijken dat een vervangende zekerheid voor het depot een zelfde zekerheid dient te bieden als dat depot. Om deze reden acht de regering het wenselijk te verduidelijken dat alleen een zekerheid die gelijkwaardig is aan het depot ter vervanging van dat depot kan worden gesteld.”
3.10
En bij de artikelsgewijze toelichting:26.
“Met het vervangen van «vervangende zekerheid» door «een aan het depot gelijkwaardige zekerheid» in het vierde lid (het oude derde lid), wordt verduidelijkt dat de vervangende zekerheid dezelfde zekerheid dient te bieden als het depot. Daarvan is sprake als de zekerheid in dezelfde gevallen en onder dezelfde voorwaarden inroepbaar is als het depot.”
3.11
Uit de memorie van toelichting blijkt dat deze wijziging is voortgekomen uit een signaal van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie dat in de praktijk veelvuldig gebruik wordt gemaakt van bankgaranties als vervangende zekerheid voor de 5%-regeling en dat daarbij vaak bankgaranties worden gehanteerd die minder zekerheid bieden dan het depot bij de notaris. Dergelijke signalen bleken niet uit het in 2009 in opdracht van het WODC opgestelde evaluatierapport; daarin is te lezen dat “vanuit de opdrachtgever bezien [..] er zodoende weinig verschil [bestaat] tussen een bankgarantie of een depotbedrag. Beide leveren genoeg zekerheid tot eventuele uitbetaling”.27.Vanaf 2010 is dit probleem echter wel gesignaleerd in de literatuur28.en jurisprudentie.29.Met de aanstaande wijziging van art. 7:768 BW heeft de wetgever willen verduidelijken dat de vervangende zekerheid dezelfde zekerheid dient te bieden als het depot. Volgens de memorie van toelichting is daarvan sprake als de zekerheid in dezelfde gevallen en onder dezelfde voorwaarden inroepbaar is als het depot. Niet gelijkwaardig is een bankgarantie die pas kan worden ingeroepen wanneer de opdrachtgever (door middel van een bindende beslissing) kan aantonen dat de aannemer in gebreke is gebleven. Het is een verslechtering van de positie van de opdrachtgever als hij eerst moet procederen voordat hij de bankgarantie kan inroepen.30.Evenmin gelijkwaardig is een bankgarantie met een beperkte looptijd of een bankgarantie die automatisch vervalt. De opdrachtgever heeft in dat geval immers geen mogelijkheden meer om bij (nog niet herstelde) gebreken het depot te verlengen op grond van art. 6:262 BW.31.
3.12
Het is aannemelijk dat ook reeds op grond van het huidige recht moet worden aangenomen dat de door de aannemer gestelde vervangende zekerheid gelijkwaardig moet zijn aan het depot. Uit de memorie van toelichting bij de wetswijziging blijkt dat de wetgever enkel heeft willen verduidelijken dat de vervangende zekerheid voor het depot een zelfde zekerheid dient te bieden als het depot. Kennelijk was de wetgever van opvatting dat dit ook voorheen al geldend recht was, maar dat dit – gelet op de praktijk waarin bankgaranties worden gesteld die onvoldoende zekerheid bieden – nog niet voldoende duidelijk in de wet tot uitdrukking kwam. Deze uitleg van ‘vervangende zekerheid’ strookt ook met het consumentenbeschermende karakter van art. 7:768 BW. De uitleg sluit ook aan bij de eis van art. 6:51 lid 2 BW dat de vordering door de aangeboden zekerheid ‘behoorlijk gedekt’ moet zijn.
3.13
De notaris mag dus ook op grond van het huidige art. 7:768 lid 3 BW niet een depot vrijgeven aan de aannemer als de ter vervangende zekerheid gestelde bankgarantie geen gelijkwaardige zekerheid biedt, tenzij de opdrachtgever met de vrijgave van het depot heeft ingestemd. Met het oog op het beschermingskarakter van art. 7:768 BW mag niet te snel worden aangenomen dat de opdrachtgever heeft ingestemd met het vrijgeven van het depot.32.
Toepassing art. 7:768 BW bij appartementsgebouwen
3.14
Een vraag die in de arbitrage en literatuur veelvuldig aan bod is gekomen, is of de opdrachtgever die deelgerechtigde is in een in appartementsrechten gesplitst gebouw, op basis van art. 7:768 BW een deel van de aanneemsom in depot mag houden voor gebreken aan gemeenschappelijke gedeelten van het appartementencomplex (zoals daken, gevels, portalen, trappenhuizen en liften). Deze vraag werd aanvankelijk (in 2006) ontkennend beantwoord door de Afdeling Arbitrage van het Garantie Instituut Woningbouw (GIW).33.Deze uitspraak is in de literatuur zeer kritisch ontvangen.34.In latere uitspraken (vanaf 2008) is de Afdeling Arbitrage GIW teruggekomen op haar eerdere uitspraak en heeft zij geoordeeld dat een appartementseigenaar het bijzondere opschortingsrecht van art. 7:768 BW óók kan uitoefenen met betrekking tot de gemeenschappelijke gedeelten van het appartementengebouw.35.Deze opvatting is ook aanvaard door de Raad van Arbitrage voor de Bouw36.en wordt in de literatuur breed gedeeld.37.
3.15
Dat lijkt mij terecht. Een belangrijk argument daarvoor is dat deze opvatting aansluit bij het juridische karakter van het appartementsrecht. Volgens de wettelijke omschrijving in art. 5:106 lid 4 BW omvat het appartementsrecht een aandeel in het in de splitsing betrokken gebouw, alsmede een recht tot het uitsluitend gebruik van een bepaald gedeelte van het gebouw (het privégedeelte). De gerechtigde tot een appartementsrecht is derhalve geen eigenaar van het privégedeelte, maar heeft ‘slechts’ een exclusief gebruiksrecht. Alle appartementsgerechtigden zijn gezamenlijk eigenaar van het gehele gebouw, inclusief de privégedeelten, en kunnen slechts gezamenlijk opdracht geven tot de bouw daarvan. Dit brengt mee dat bij de oplevering van een appartementencomplex niet de individuele appartementen aan de individuele appartementsgerechtigden moeten worden opgeleverd, maar het gehele gebouw aan de appartementsgerechtigden gezamenlijk (vertegenwoordigd door de vereniging van eigenaars ingevolge art. 5:126 lid 2 BW). Het ligt derhalve voor de hand om pas van ‘oplevering’ in de zin van art. 7:768 BW te spreken als het gehele gebouw is opgeleverd (dus niet reeds bij de ‘oplevering’ van de privégedeelten).38.
3.16
Een ander belangrijk argument is gelegen in de ratio van de 5%-regeling: consumentenbescherming. Waarom zou een koper van een appartementsrecht wél kunnen beschikken over een bijzonder opschortingsrecht voor opleveringsgebreken aan zijn privégedeelte, maar niet voor opleveringsgebreken aan gemeenschappelijke gedeelten, zoals het dak, de lift of het portaal? De koper van het appartementsrecht is mede-eigenaar van het gehele gebouw en heeft derhalve een (financieel) belang bij herstel van de gebreken aan de gemeenschappelijke gedeelten. Indien het bijzondere opschortingsrecht zich niet zou uitstrekken tot de gemeenschappelijke gedeelten zou dit betekenen dat de appartementseigenaar/opdrachtgever minder bescherming geniet dan een koper/opdrachtgever van een eengezinswoning. Laatstgenoemde zou immers wel een pressiemiddel hebben jegens de aannemer ten aanzien van de deugdelijke oplevering van zijn dak en eerstgenoemde niet. Dit zou leiden tot een ongerechtvaardigde rechtsongelijkheid en doet afbreuk aan het consumentenbeschermende karakter van de 5%-regeling.39.
3.17
Bovendien is er geen afzonderlijke partij die koper/opdrachtgever van/voor de bouw van de gemeenschappelijke gedeelten van een appartementengebouw is. Bij een andere opvatting zou er dus een leemte ontstaan in de wettelijke regeling over opleveringsgebreken en zou er geen pressiemiddel c.q. zekerheidsstelling zijn met betrekking tot opleveringsgebreken aan de gemeenschappelijke gedeelten. Daaraan doet niet af dat de vereniging van eigenaren de aannemer (later) kan aanspreken voor gebreken aan de gemeenschappelijke gedeelten van het gebouw; de vereniging van eigenaren is geen opdrachtgever in de zin van art. 7:768 BW is en voor haar geldt de 5%-regeling dus niet.40.
3.18
Hoewel er in de literatuur en de (arbitrage)rechtspraak inmiddels consensus is over de toepassing van art. 7:768 BW bij een appartementengebouw, bestaan in de praktijk nog veel vragen over de uitwerking van de 5%-regeling in dergelijke gevallen.41.Welk gedeelte van de aanneemsom mag de koper van een appartementsrecht bijvoorbeeld inhouden na afloop van de wettelijke onderhoudstermijn (de volle 5% van de aanneemsom of een bedrag dat in verhouding staat tot zijn aandeel in het gehele appartementengebouw)? Mag een appartementseigenaar een bedrag in depot houden voor gebreken aan ieder gedeelte van de gemeenschappelijke gedeelten (of slechts voor het gedeelte waarvan hij daadwerkelijk gebruik maakt)? Zou de vereniging van eigenaars een rol moeten spelen bij de coördinatie van de depotbedragen?42.De moeilijkheid is dat deugdelijke oplevering van het gehele pand de appartementseigenaren gezamenlijk aangaat, terwijl het bijzondere opschortingsrecht van art. 7:768 BW een bevoegdheid is die aan de individuele opdrachtgever toekomt. In het evaluatierapport van de Wet koop onroerende zaken zijn voorgenoemde uitvoeringsproblemen gesignaleerd en is gesuggereerd om de wettelijke regeling uit te breiden.43.De wetgever heeft daarvoor nog geen voorstellen gedaan.44.
4. Bespreking van de klachten
4.1
Onderdeel 1 komt op tegen de beoordeling door het hof van grief 3 van Woningborg en klaagt dat het hof in rov. 3.2-3.4 en rov. 3.22 ten onrechte heeft geoordeeld dat de vorderingen van de appartementseigenaren jegens de notaris bij wijze van subrogatie zijn overgegaan op Woningborg. Het onderdeel bestaat uit vijf subonderdelen (1a t/m 1e).
4.2
Subonderdeel 1a klaagt dat het hof in rov. 3.3 en 3.22 heeft miskend dat de verzekeraar door subrogatie op grond van art. 7:962 lid 1 BW niet meer (of andere) rechten verkrijgt dan die welke de verzekerde ter zake van diens schade als vorderingen tot schadevergoeding op deze derde heeft, omdat het hof niet (kenbaar) in zijn oordeel heeft betrokken:
“of de verbintenis op grond waarvan Woningborg onder 7:962 BW van de notaris vergoeding vordert van hetgeen is uitbetaald aan de appartementseigenaren, dezelfde verbintenis is op grond waarvan, vóór subrogatie, individuele appartementseigenaren schadevergoeding van de notaris hadden kunnen vorderen omdat zij elk afzonderlijk zich, ter verzekering van een correcte oplevering, niet hebben kunnen verhalen op het depotbedrag in de in art 7:768 BW bedoelde situatie (herstel van gebreken; zie hierna).”
Voorts stelt subonderdeel 1a dat het hof, voor zover hij het vorenstaande niet heeft miskend, zijn arrest onvoldoende heeft gemotiveerd, omdat daaruit niet kan worden opgemaakt dat en waarom iedere individuele appartementseigenaar zijn recht tot verhaal op het depotbedrag onder art. 7:768 BW had kunnen uitoefenen.
4.3
Het subonderdeel maakt, op zichzelf beschouwd, niet duidelijk waarom de individuele appartementseigenaren geen verhaalsrecht hadden met betrekking tot de depotbedragen onder de notaris en derhalve vóór de subrogatie in verband met de ten onrechte uitgekeerde depots geen schadevergoeding van de notaris hadden kunnen vorderen (zodat Woningborg ook niet in die schadevergoedingsvorderingen kan zijn gesubrogeerd). De klachten van subonderdeel 1a moeten daarom kennelijk in onderling verband worden gelezen met de subonderdelen 1b en 1c.45.Daarin wordt, samengevat, betoogd dat de door de appartementseigenaren in depot gestorte bedragen op grond van 7:768 lid 1 BW alsmede de toepasselijke algemene voorwaarden bij de aannemingsovereenkomsten (artikelen 12 en 13) slechts zien op herstel van de bij of na oplevering in de woning van de appartementseigenaar geconstateerde gebreken, en zich – anders dan het hof in rov. 3.3 en 3.22 tot uitgangspunt nam – niet uitstrekte tot ‘waarborg van voltooiing van het gebouw’ (althans de gemeenschappelijke gedeelten van het gebouw).
4.4
Daarnaast klaagt subonderdeel 1c dat het hof bij de beoordeling van grief 3 van Woningborg ten onrechte niet (kenbaar) heeft betrokken de in feitelijke instanties aangevoerde stelling van de notaris, dat de appartementseigenaren volgens de aannemingsovereenkomsten en de toepasselijke algemene voorwaarden naast hun privégedeelte (appartement) geen rechten hadden ten aanzien van de oplevering c.q. afbouw van gemeenschappelijke gedeelten van het gebouw. Volgens de notaris is alleen de vereniging van eigenaars bevoegd om op te treden bij alle zaken die de gemeenschappelijke gedeelten van het gebouw zouden betreffen en terzake vorderingen in te stellen. Dat is de reden waarom volgens de tussen Woningborg en de appartementseigenaren geldende Garantieregeling elke appartementseigenaar een eigen certificaat ontving voor zijn privégedeelte en de vereniging van eigenaars een certificaat kreeg na de oplevering voor de gemeenschappelijke gedeelten. Subonderdeel 1c stelt dat in het licht van dit verweer rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk is dat het hof in rov. 3.3. ervan is uitgegaan dat het depot van de appartementseigenaren zich uitstrekt tot waarborg van ‘de voltooiing van gebouw’ (gemeenschappelijke gedeelten), terwijl vaststaat dat het depot van elke appartementseigenaar 5% van de aanneemsom was en alleen betrekking had op de realisatie van ieders afzonderlijke privégedeelte.
4.5
Subonderdeel 1d bevat een op de voorgaande subonderdelen voortbouwende klacht, voor zover het hof bij de beoordeling van grief 3 net als in rov. 3.6 en 3.9 ervan uit is gegaan dat het depot van alle appartementseigenaren zag op alle privégedeelten én gemeenschappelijke gedeelten.
4.6
Subonderdeel 1e klaagt, eveneens voortbordurend op de voorgaande klachten, dat het hof bij zijn beoordeling van grief 3 van Woningborg ten onrechte niet tot het eindoordeel is gekomen dat Woningborg niet is gesubrogeerd in de rechten/vorderingen van alle appartementseigenaren jegens de notaris tot vergoeding van de verhaalschade en dat de rechtbank Woningborg terecht in zoverre niet-ontvankelijk heeft verklaard voor zover haar schadevorderingen tegen de notaris zijn gebaseerd op subrogatie.
4.7
Deze subonderdelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. Zij gaan namelijk uit van een onjuiste perceptie van hetgeen het hof heeft beoordeeld in het kader van grief 3.
4.8
Het hof heeft in rov. 3.2 – in cassatie niet bestreden door de notaris – geoordeeld dat Woningborg met grief 3 is opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat Woningborg in haar op subrogatie gebaseerde vorderingen niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Het hof heeft vervolgens in rov. 3.3 beoordeeld of de rechtbank het beroep op subrogatie ten onrechte heeft verworpen. Het hof heeft bij die beoordeling niet getoetst of de appartementseigenaren daadwerkelijk vorderingen tot schadevergoeding te gelde konden maken op de notaris, maar enkel of Woningborg kan zijn gesubrogeerd in de gepretendeerde schadevergoedingsvorderingen van de appartementseigenaren jegens de notaris omdat zij de (gepretendeerde) schade van de appartementseigenaren heeft vergoed. Het hof overweegt immers in rov. 3.3 dat ‘Woningborg in zoverre is getreden in de (gepretendeerde) rechten van de appartementseigenaren jegens de notaris en de bank’. De beoordeling van de gepretendeerde vorderingen jegens de notaris vindt plaats in rov. 3.5-3.12 en rov. 3.16-3.22. Het oordeel van het hof over grief 3 moet derhalve los worden gezien van de inhoudelijke beoordeling van de (op Woningborg overgegane) vorderingen van de appartementseigenaren jegens de notaris.
4.9
Anders dan de subonderdelen 1b-1d veronderstellen, heeft het hof in het kader van de beoordeling van grief 3 niet tot uitgangspunt genomen dat het depot van alle appartementseigenaren onder de notaris strekte tot ‘waarborg van de voltooiing van het gebouw’ of zag op zowel de privégedeelten als de gemeenschappelijke gedeelten. Het hof heeft in rov. 3.3 enkel de stelling van Woningborg weergegeven dat de door de appartementseigenaren geleden schade eruit bestond dat zij tot een bedrag van € 419.560,- geen verhaal hebben kunnen nemen op het depot onder de notaris tot waarborg van de voltooiing van het gebouw. Dat het depot strekte tot waarborg van de voltooiing van het gebouw betreft derhalve geen oordeel of aanname van het hof, althans niet in het kader van de beoordeling van grief 3 (zie hierna evenwel de bespreking van onderdeel 2e, gericht tegen rov. 3.6 en 3.9).
4.10
Alle klachten van onderdeel 1 stuiten op het voorgaande af.
4.11
Onderdeel 2 is met name gericht tegen rov. 3.5 t/m 3.12, waarin het hof kort samengevat heeft geoordeeld dat de notaris jegens de appartementseigenaren niet heeft gehandeld als een redelijk bekwaam en redelijk handelend notaris door op basis van de verstrekte bankgarantie het depot tot een bedrag van € 419.650,- aan de aannemer vrij te geven. Het onderdeel bevat zeven subonderdelen (2a t/m 2g).
4.12
Subonderdeel 2a klaagt dat het hof (in rov. 3.5 en rov. 3.7) heeft miskend dat niet slechts beslissend is of de aangeboden zekerheid voldoet aan de eisen van art. 6:51 lid 2 BW, maar of de vervangende zekerheid voldoet aan ‘al het bepaalde’ in art. 6:51 BW. Dit brengt volgens het subonderdeel mee dat het hof ten onrechte geen rekening heeft gehouden met art. 6:51 lid 3 BW, op grond waarvan de aannemer verplicht was om de zekerheid aan te vullen dan wel te vervangen indien de gestelde zekerheid onvoldoende is geworden.
4.13
Subonderdeel 2b betoogt, voortbouwend op subonderdeel 2a, dat het hof ten onrechte niet in zijn beoordeling heeft betrokken dat, zoals de notaris heeft aangevoerd, het bedoeling was van de aannemer dat de bankgarantie half mei 2016 zou worden verlengd voor de nog niet afgehandelde opleverpunten. Volgens het subonderdeel is daarmee kennelijk gedoeld op de in art. 6:51 lid 3 BW bedoelde mogelijkheid voor de aannemer om de looptijd van de bankgarantie aan te vullen. Het hof heeft, door deze bedoeling van de aannemer niet in zijn oordeelsvorming te betrekken, ten onrechte niet alle relevante omstandigheden meegewogen bij de beantwoording van de vraag of de door de aannemer aangeboden bankgarantie de vrijgave van het depot rechtvaardigde.
4.14
De klachten falen. Zij miskennen – zoals hiervoor in 3.7-3.12 is uiteengezet – dat de notaris ingevolge art. 7:768 lid 3 BW (zo nodig gelezen in verbinding met art. 6:51 lid 2 BW) pas over mag gaan tot vrijgave van het depot indien de gestelde bankgarantie een gelijkwaardige zekerheid biedt als het depot, dan wel – wanneer de bankgarantie geen gelijkwaardige zekerheid biedt – indien de opdrachtgever (uitdrukkelijk) met de vrijgave van het depot heeft ingestemd. Dit betekent dat de notaris op het moment van de vrijgave van het depot zich ervan dient te verzekeren dat de door de aannemer aangeboden zekerheid gelijkwaardige zekerheid biedt als het depot. Die verzekering heeft de notaris niet wanneer hij op het moment van het vrijgeven van het depot geen garanties heeft met betrekking tot de verlenging van de bankgarantie, maar slechts mocht aannemen dat verlenging van de bankgarantie de bedoeling was van de aannemer.
4.15
Subonderdeel 2c klaagt – kort samengevat – dat het hof is uitgegaan van een verkeerde rechtsopvatting, omdat ten tijde van het handelen van de notaris in 2015 de stand van het recht (althans de heersende rechtsopvatting) was dat ook sprake was van ‘vervangende zekerheid’ als bedoeld in art. 7:768 lid 3 BW, indien de bankgarantie pas kon worden ingeroepen na een bindende beslissing in een procedure tussen de opdrachtgever en de aannemer of wanneer de bankgarantie een beperkte looptijd had (met dien verstande dat de bankgarantie langer dan drie maanden na het tijdstip van oplevering geldig zou zijn). Het subonderdeel betoogt dat het hof, met zijn oordeel in rov. 3.8, ten oprechte heeft geanticipeerd op de aanscherping van de eisen die aan de aangeboden vervangende zekerheid worden gesteld op basis van de (nog niet in werking getreden) Wet kwaliteitsborging voor het bouwen.
4.16
Deze klacht faalt. Zoals hiervoor in 3.11 is toegelicht, moet worden aangenomen dat ‘vervangende zekerheid’ in het huidige art. 7:768 lid 3 BW moet worden uitgelegd als ‘een aan het depot gelijkwaardige zekerheid’. Met de wijziging van ‘vervangende zekerheid’ in ‘een aan het depot gelijkwaardige zekerheid’ in de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen, heeft de wetgever enkel beoogd te verduidelijken wat reeds geldend recht was. Hieraan doet niet af dat vanaf 2003 – zoals het subonderdeel stelt – ‘staande praktijk’ was dat aannemers bankgaranties stelden met een beperkte looptijd of met de voorwaarde dat een bindende uitspraak moest worden overgelegd. Aan deze onwenselijke praktijk heeft de wetgever kennelijk een einde willen maken door in de wet duidelijker tot uitdrukking te brengen dat de aangeboden zekerheid in dezelfde gevallen en onder dezelfde voorwaarden inroepbaar moet zijn als het depot.
4.17
Het hof heeft in rov. 3.8 terecht overwogen dat de onderhavige bankgarantie niet kan worden aangemerkt als vervangende zekerheid als bedoeld in art. 7:768 lid 3 BW. Volgens de voorwaarden van de bankgarantie verviel deze automatisch per 1 juni 2016, waarmee de bankgarantie een looptijd had van nog geen zes maanden, terwijl de oplevering nog niet eens had plaatsgevonden. Door deze korte looptijd (in combinatie met de voorwaarde van de bindende beslissing) was de appartementseigenaar er niet van verzekerd dat de bankgarantie nog geldig was gedurende de gehele termijn van drie maanden na de oplevering van het gehele gebouw, laat staan na verlenging van die termijn bij gebruikmaking van zijn opschortingsbevoegdheid op grond van art. 6:262 BW.
4.18
Subonderdeel 2d klaagt dat het hof in rov. 3.5-3.8 verkeerde eisen heeft gesteld aan de taak en verantwoordelijkheid van de notaris als projectnotaris bij de uitvoering van de 5% regeling als bedoeld in art. 7:768 BW. Het subonderdeel betoogt dat de in art. 21 lid 1 Wet op het notarisambt (Wna) opgenomen ministerieplicht meebrengt dat de notaris verplicht is de hem bij of krachtens de wet opgedragen of door een partij verlangde werkzaamheden te verrichten, dat de notaris slechts zijn dienst mag weigeren in de in art. 21 lid 2 Wna opgesomde gevallen en dat de notaris als beheerder van een depot als bedoeld in art. 7:768 BW en ingevolge art. 17 Wna de belangen van alle bij het depot betrokken partijen op onpartijdige wijze behoort te behartigen. Dit brengt volgens het subonderdeel mee dat de notaris vrijgave van het depot aan de aannemer alleen mag weigeren als naar zijn redelijke overtuiging of vermoeden de door de aannemer verlangde vrijgave van het depot tegen een bankgarantie leidt tot strijd met het recht of de openbare orde, als zijn medewerking wordt verlangd bij handelingen met een ongeoorloofd doel of gevolg of als de notaris daartoe in de gegeven omstandigheden goede redenen heeft na afweging van het belang van de aannemer tegen het belang van de opdrachtgever(s). Het hof zou hebben miskend dat de notaris het belang van de aannemer bij vrijgave van het depot op grond van art. 7:768 lid 3 BW moest afwegen tegen het belang bij de appartementseigenaren bij de handhaving daarvan en dat de notaris bij die belangenafweging enige beoordeling ruimte dient toe te komen.
4.19
Het subonderdeel gaat uit van een verkeerde rechtsopvatting. Op basis van art. 7:768 lid 3 BW heeft de notaris geen discretionaire bevoegdheid ten aanzien van de vrijgave van het depot. Deze bepaling bevat een duidelijke norm: de notaris geeft het depot slechts vrij aan de aannemer als de door de aannemer aangeboden bankgarantie kan worden aangemerkt als ‘vervangende zekerheid’ als bedoeld in art. 7:768 lid 3 BW (dat wil zeggen als de bankgarantie dezelfde zekerheid biedt als het depot). Als daarvan geen sprake is, dan mag de notaris het depot niet vrijgeven. De notaris mag geen belangenafweging maken. Art. 7:768 BW biedt naar zijn strekking (consumentenbescherming) ook geen ruimte om het depot aan de aannemer vrij te geven terwijl geen vervangende zekerheid is gesteld op grond van een afweging van de belangen van de partijen. Subonderdeel 2d faalt derhalve.
4.20
Subonderdeel 2e is gericht tegen (in het bijzonder) rov. 3.6 en 3.9, waarin het hof kort samengevat heeft geoordeeld dat het onder de notaris gestorte depot van alle appartementseigenaren strekte tot zekerheid van afbouw van zowel de privé- als gemeenschappelijke gedeelten. De klachten van subonderdeel 2e zijn min of meer gelijk aan de klachten van de subonderdelen 1b en 1c.
4.21
Het subonderdeel klaagt in de eerste plaats dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de vraag of een individuele appartementseigenaar die als opdrachtgever deelgerechtigde is in een in appartementsrechten gesplitst gebouw, het bijzondere opschortingsrecht van art. 7:768 BW kan doen gelden met betrekking tot de ‘gemeenschappelijke gedeelten’. Kort samengevat wordt daartoe aangevoerd dat het hof ten onrechte niet relevant heeft geacht wat de appartementseigenaren over de uitoefening van hun bijzondere opschortingsrecht zijn overeengekomen met de aannemer en Woningborg. Verder klaagt het subonderdeel dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is in het licht van het verweer van de notaris dat de depots volgens de aannemingsovereenkomsten, de algemene voorwaarden en de garantieregeling van Woningborg alleen zagen op de ‘privé-gedeelten’ en niet op de oplevering en afbouw van de ‘gemeenschappelijke gedeelten’.
4.22
Bij de bespreking van deze klachten stel ik voorop dat, zoals hiervoor toegelicht in 3.13-3.15, ingevolge art. 7:768 BW het bijzondere opschortingsrecht van de consument-opdrachtgever, in het geval van de bouw van een appartementengebouw, zich óók kan uitstrekken tot verzekering van een deugdelijke oplevering van de gemeenschappelijke gedeelten van het bouw. Anders dan de notaris in cassatie in repliek (zie onder nr. 3) heeft aangevoerd, was dit ook in 2015 reeds de heersende rechtsopvatting in de literatuur en arbitrage.
4.23
De notaris heeft in feitelijke instanties aangevoerd dat in de onderhavige zaak de depots en de ter vervanging daarvan door de aannemer gestelde bankgarantie, op grond van (de toelichting op) art. 12 en 13 van de Algemene Voorwaarden bij de aannemingsovereenkomsten, slechts strekten tot zekerheid voor de oplevering van de privégedeelten en niet voor oplevering van de gemeenschappelijke gedeelten en dat de kosten van de afbouw van de gemeenschappelijke gedeelten derhalve niet op de depots konden worden verhaald.46.In deze artikelen uit de Algemene Voorwaarden en in het bijzonder de Algemene Toelichting is het volgende vermeld (mijn onderstreping):
“Artikel 12
1. De verkrijger kan, zonder een beroep te doen op artikel 6:262 BW en onder voorbehoud van zijn recht op levering, maximaal 5% van de aanneemsom inhouden op de laatste termijn of laatste termijnen en dit bedrag, in plaats van aan de aannemer te betalen, in depot storten bij de notaris.
2. Dit recht bestaat niet in de volgende gevallen:
a. Indien de ondernemer bij aankondiging van de oplevering van het privé-gedeelte ten behoeve van de verkrijger een bankgarantie van 5% van de aanneemsom als bedoeld in artikel 13 van deze Algemene Voorwaarden aan de verkrijger stelt, die bij de oplevering ingaat. De notaris beoordeelt of deze bankgarantie aan de wet en de in artikel 13 van deze Algemene Voorwaarden gestelde eisen voldoet en treedt als bewaarder van het origineel van de bankgarantie op. (…)
(…)
3. De notaris brengt een eventueel depot in de macht van de ondernemer nadat drie (3) maanden zijn verstreken na het tijdstip van oplevering van het privé-gedeelte, tenzij de verkrijger van de in artikel 6:262 BW toegekende bevoegdheid wenst gebruik te maken.(…)
(…)
Artikel 13
Voor het geval de ondernemer een bankgarantie stelt als bedoeld in artikel 12 lid 2 sub a. van deze Algemene Voorwaarden in plaats van het depot, dient deze bankgarantie te zijn afgegeven door een te goeder naam bekend staande en in Nederland gevestigde financiële instelling en dient deze aan te vangen per de datum van oplevering van het privé-gedeelte, onvoorwaardelijk te zijn en voort te duren totdat:
a. drie (3) maanden zijn verstreken na het tijdstip van oplevering van het privé-gedeelte, tenzij de verkrijger voordien schriftelijk meedeelt dat hij van de in artikel 6:262 BW toegekende bevoegdheid wenst gebruik te maken. In dat geval deelt de verkrijger aan de notaris tevens mee tot welk bedrag de bankgarantie moet worden gehandhaafd;
(…)”
“Artikel 12 en 13 Opschortingsrecht
(…)
Het depot of de vervangende zekerheid is bedoeld als zekerheid voor het herstel door de ondernemer van bij de oplevering van het privé-gedeelte geconstateerde gebreken, alsmede gebreken die zich binnen 3 maanden na de oplevering van het privé-gedeelte voordoen.”
4.24
Het hof heeft niet expliciet gerespondeerd op dit verweer van de notaris, maar een verwerping van het verweer ligt besloten in rov. 3.6. Daarin heeft het hof geoordeeld dat het depot zag op zowel alle privégedeelten als op alle gemeenschappelijke gedeelten van het gebouw, omdat door alle appartementseigenaren 5% van de totale aanneemsom in depot was gestort. Dat oordeel is juist. Ervan uitgaande – dit is in cassatie niet bestreden – dat door de appartementseigenaren 5% van de totale aanneemsom in depot is gestort (overigens ging het oorspronkelijk om 10%, zie onder 1.6) én vaststaat dat in die aanneemsom ook was begrepen (de bouw van) het aandeel van de desbetreffende koper/opdrachtgever in de gemeenschappelijke gedeelten van het appartementengebouw, is er immers geen andere conclusie mogelijk dan dat (het de bedoeling was dat) het depot zowel zag op de privégedeelten als op de gemeenschappelijke gedeelten van het gebouw. Die conclusie is ook in lijn met wat hiervoor is opgemerkt over de 5%-regeling bij de bouw van appartementsgebouwen (zie onder 3.14-3.17). Het bepaalde in de Algemene Voorwaarden en de Algemene Toelichting kan dat niet anders maken, nu er daar blijkbaar vanuit wordt gegaan dat alleen een depot is gestort voor de privégedeeltes, waarbij er dan kennelijk een splitsing is gemaakt in de aanneemsom in een gedeelte dat betrekking heeft op (de bouw van) het privégedeelte van een individuele appartementseigenaar en een gedeelte dat betrekking heeft op (de bouw van) het aandeel van de individuele appartementseigenaar in de gemeenschappelijke gedeelten van het gebouw.47.In de onderhavige zaak is dat echter niet aan de orde.
4.25
Dat ervan uit moet worden gegaan dat de depots ook zagen op de gemeenschappelijke gedeelten van het gebouw, geldt temeer waar het gaat om de depots van de appartementseigenaren die consument zijn. Op grond van art. 7:769 BW kan immers niet ten nadele van de consument-opdrachtgever worden afgeweken van art. 7:768 BW.
4.26
Het oordeel van het hof is ook niet onjuist of onbegrijpelijk, waar het in rov. 3.9 heeft overwogen dat niet ter zake doet of de appartementseigenaren op grond van de garantieregeling rechtstreekse aanspraken op Woningborg tot afbouw van de gemeenschappelijke gedeelten geldend konden maken voordat deze gedeelten waren opgeleverd en een garantiecertificaat aan de VvE was uitgereikt. Het hof heeft terecht overwogen dat de contractuele aanspraken van de appartementseigenaren en de VvE jegens Woningborg geheel los staan van het depot dat de appartementseigenaren onder de notaris hadden gestort.
4.27
Subonderdeel 2f is gericht tegen rov. 3.10, waarin het hof heeft overwogen dat het anders had kunnen zijn indien de notaris de desbetreffende appartementseigenaren naar behoren had voorgelicht over de omstandigheid dat de zekerheid die zij aan de bankgarantie konden ontlenen illusoir was en dat de appartementseigenaren niettemin met de vrijgave van het depot hadden ingestemd, hetgeen niet is gesteld of gebleken.
4.28
Het subonderdeel bevat in de eerste plaats een klacht die voortbouwt op (met name) de subonderdelen 2a-2c. Deze klacht faalt om dezelfde redenen.
4.29
De tweede klacht van het subonderdeel bouwt voort op subonderdeel 2d en deelt hetzelfde lot.
4.30
Het subonderdeel klaagt voor het overige dat het oordeel van het hof dat de notaris de appartementseigenaren niet naar behoren heeft ingelicht, onjuist dan wel onbegrijpelijk is. Geklaagd wordt dat het hof heeft miskend dat de notaris niet gehouden was om de inhoud van de bankgarantie aan de appartementseigenaren voor te leggen. Op grond van art. 12 van de Algemene Voorwaarden trad de notaris op als bewaarder van de bankgarantie en moest hij als bewaarder slechts beoordelen of de bankgarantie aan art. 13 van de Algemene Voorwaarden voldeed. Op grond van art. 12 lid 2 a van de Algemene Voorwaarden moest de aannemer – en dus niet de notaris – een kopie van de bankgarantie aan de appartementseigenaren sturen, aldus het subonderdeel.
4.31
In het midden kan blijven of de notaris al dan niet gehouden was om de bankgarantie aan de appartementseigenaren te sturen of hen naar behoren in te lichten over de inhoud daarvan. Niet bestreden is immers dat de appartementseigenaren niet met de vrijgave van het depot hebben ingestemd. Nu vaststaat dat de bankgarantie geen vervangende zekerheid was als bedoeld in art. 7:768 lid 3 BW en de appartementseigenaren evenmin met de vrijgave van het depot hebben ingestemd, staat tevens vast dat de notaris de depotbedragen niet tegen de verstrekte bankgarantie aan de aannemer had mogen uitbetalen. De notaris heeft derhalve geen belang bij deze klachten.
4.32
Subonderdeel 2g komt op tegen rov. 3.11 met klachten die voortborduren op de subonderdelen 2a-2f48.en het (hierna te bespreken) subonderdeel 3b. Deze klachten hebben geen zelfstandige betekenis en behoeven geen bespreking.
4.33
Onderdeel 3 ziet op de oordelen van het hof over de schade en het causaal verband in (met name) rov. 3.17 en 3.18. Het onderdeel valt uiteen in drie subonderdelen (3a t/m 3c).
4.34
Subonderdeel 3a bevat een voortbouwklacht tegen rov. 3.16-3.22. Deze klacht deelt het lot van de andere klachten en kan dus evenmin slagen.
4.35
Subonderdeel 3b klaagt in de eerste plaats dat het hof in rov. 3.17 e.v. bij de beoordeling van de gevorderde schadevergoeding ten onrechte ervan is uitgaan dat het ‘vrijgeven van het depot zonder vervangende zekerheid’ heeft plaatsgevonden. Het subonderdeel stelt, voortbouwend op onderdeel 2, dat de door de aannemer gestelde bankgarantie naar de toen geldende heersende rechtsopvatting kwalificeerde als ‘vervangende zekerheid’ als bedoeld in art. 7:768 lid 2 BW. Deze klacht faalt om dezelfde redenen als de subonderdelen 2a-2c.
4.36
De tweede klacht van subonderdeel 3b houdt – kort samengevat – in dat het hof ten onrechte niet, dan wel niet op voldoende kenbare wijze, bij zijn beoordeling heeft betrokken het door de notaris gevoerde verweer dat causaal verband ontbreekt tussen de door Woningborg gevorderde schade (het verlies aan verhaalsmogelijkheid) en de vrijgave van het depot door de notaris, omdat de bank – ondanks herhaalde verzoeken van de notaris vóór het verstrijken van de bankgarantie – heeft geweigerd om de bankgarantie uit te keren dan wel te verlengen.
4.37
De klacht faalt. Het in subonderdeel 3b genoemde causaliteitsverweer van de notaris bevat geen essentiële stellingen waarop het hof had moeten responderen. De notaris heeft althans geen belang bij zijn klacht over het passeren van dit verweer. Uit de enkele omstandigheid dat de bank óók heeft bijgedragen aan het ontstaan van de schade kan immers niet worden afgeleid dat geen sprake is van causaal verband tussen de normschending van de notaris en de schade. Mijns inziens is op basis van de vaststaande feiten en oordelen in deze zaak geen andere conclusie mogelijk dan dat dit causale verband aanwezig is. Zonder de normschending van de notaris waren de depots immers niet vrijgegeven aan de aannemer (althans niet zonder vervangende zekerheid), en was een weigering van de bank om uit te betalen dan wel een verzoek tot verlenging van de bankgarantie niet nodig geweest. Het hof heeft daarom terecht geoordeeld dat de schade (het verlies aan verhaalsmogelijkheid van de appartementseigenaren) in causaal (sine qua non-)verband staat met de normschending van de notaris en ook aan de notaris kan worden toegerekend.
4.38
Subonderdeel 3c richt ten slotte klachten tegen rov. 3.18. Het hof heeft daarin onder meer het verweer van de notaris verworpen, inhoudende dat de schade nog niet vaststaat in het licht van het beroep van Woningborg op de nietigheid of vernietigbaarheid van de bankgarantie. Daartoe heeft het hof overwogen dat niet kan worden geoordeeld dat de bankgarantie, op zichzelf bezien, door inhoud of strekking in strijd is met de goede zeden, openbare orde of met een dwingende wetsbepaling.
4.39
De eerste klacht van subonderdeel 3c bouwt voort op onderdeel 2 en heeft geen zelfstandige betekenis. De tweede klacht strekt ten betoge dat het hof heeft miskend dat de voorwaarden van de bankgarantie (de vervaltermijn dan wel het vereiste van een bindende uitspraak) strijdig zijn met een dwingende wetsbepaling (art. 7:768 lid 3 ) en om die reden partieel nietig ex art. 3:40 BW. Deze klacht getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft met juistheid geoordeeld dat de omstandigheid dat de bankgarantie geen vervangende zekerheid behelst niet meebrengt dat de garantie als zodanig nietig is. Niet de bankgarantie was in strijd met art. 7:768 lid 3 BW, maar het vrijgeven van het depot zonder vervangende zekerheid.
5. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 23‑04‑2021
Gerechtshof Amsterdam 28 januari 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:224, JOR 2020/179 m.nt. P.C. Russcher, RN 2020/47, NJF 2020/115. Zie over dit arrest ook J.R. Hoogendoorn, ‘Drie rechtsvragen onder de paraplu van de 5%-regeling; Over onder andere bankgaranties, zekerheden, zorgplichten en subrogatie’, in: TBR 2021/29; A. van Huffelen, ‘5%-regeling: bankgarantie als vervangende zekerheid’, in: VGR 2020/5, p. 164-168.
De vorderingen tegen de curator spelen in cassatie geen rol en blijven daarom buiten beschouwing.
Zie het bestreden arrest van 28 januari 2020 onder kopje 1 ‘Het geding in hoger beroep’.
Zie rov. 3.2 van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 23 mei 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:10105 (niet gepubliceerd op Rechtspraak.nl).
Rb. Amsterdam 23 mei 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:10105 (niet gepubliceerd op Rechtspraak.nl).
Het door de bank aangevoerde bezwaar tegen de eiswijziging is door het hof verworpen.
De procesinleiding is op 28 april 2020 ingediend bij de Hoge Raad.
Wet van 5 juni 2003, houdende aanvulling van titel 7.1 (Koop en ruil) van het nieuwe Burgerlijk Wetboek met bepalingen inzake de koop van onroerende zaken alsmede vaststelling en invoering van titel 7.12 (Aanneming van werk), Stb. 2003, 238, in werking getreden op 1 september 2003 (Stb. 2003, 272).
Zie ook de brief van de minister van Veiligheid en Justitie aan de Tweede Kamer naar aanleiding van de evaluatie van de Wet koop onroerende zaken, Kamerstukken II 2011/12, 32 320, nr. 2, p. 7.
Zie C.E.C. Jansen, Aanneming van werk (Mon. BW nr. B84) 2013/90.
Vgl. MvT Kamerstukken II, 2015/16, 34 453, nr. 3, p. 38.
Zie MvT, Kamerstukken II 1992/93, 23095, 4, p. 40; MvT, Kamerstukken II 2015/16, 34453, 3, p. 38.
Zie A.L.M. Keirse e.a., Rapportage Wet koop onroerende zaken; de evaluatie, 2009, p. 128, 134, bijlage bij Kamerstukken II 2009/10, 32 320, nr. 1; Asser/Van den Berg 7-VI 2017/186.
Zie MvT Kamerstukken II, 2015/16, 34 453, nr. 3, p. 39; A.L.M. Keirse e.a., Rapportage Wet koop onroerende zaken; de evaluatie, 2009, p. 115, bijlage bij Kamerstukken II 2009/10, 32 320, nr. 1.
Vgl. A. Steneker, ‘95% duidelijkheid over de 5% regeling’, in: WPNR 2010/6862, p. 804.
Zie A.L.M. Keirse e.a., Rapportage Wet koop onroerende zaken; de evaluatie, 2009, p. 134, bijlage bij Kamerstukken II 2009/10, 32 320, nr. 1.
Zie H.L. van der Beek, ‘De wet Kwaliteitsborging en de 5%-regeling bij de oplevering van nieuwbouwwoningen’, in: A.G. Bregman, E.M. Bruggeman, A.M.B. Chao & N. van Wijk-van Gilst (red.), Eindafrekening met pepernoten (Vriendenboek M.A.B. Chao-Duivis), 2019, p. 553-567; H.L. van der Beek, in: Groene Serie Bijzondere overeenkomsten, art. 7:768 BW, aant. 4.
Tot op heden is een dergelijke standaardregeling niet tot stand gekomen. Zie daarover H.L. van der Beek, ‘De wet Kwaliteitsborging en de 5%-regeling bij de oplevering van nieuwbouwwoningen’, in: A.G. Bregman, E.M. Bruggeman, A.M.B. Chao & N. van Wijk-van Gilst (red.), Eindafrekening met pepernoten (Vriendenboek M.A.B. Chao-Duivis), 2019, p. 553-567, p. 565-566.
Zie C.E.C. Jansen, Aanneming van werk (Mon. BW .nr. B84) 2013/90.
Zie MvT, Kamerstukken II 1992/93, 23 095, 4, p. 40.
Zie A. Steneker, ‘95% duidelijkheid over de 5% regeling’, in: WPNR 2010/6862, p. 805; Asser/Van den Berg 7-VI 2017/186; H.L. van der Beek, Groene Serie Bijzondere overeenkomsten, art. 7:768 BW, aant. 3.3.2.
MvT, Kamerstukken II 2015/16, 34 453, nr. 3, p. 39.
MvT, Kamerstukken II 2015/16, 34 453, nr. 3, p. 93.
Zie A.L.M. Keirse e.a., Rapportage Wet koop onroerende zaken; de evaluatie, 2009, p. 133-134, bijlage bij Kamerstukken II 2009/10, 32 320, nr. 1.
Zie J. aan de Stegge, ‘Evaluatie van de 5%-regeling’, in: Notariaat Magazine 2010/6, p.12-13; A. Steneker, ‘95% duidelijkheid over de 5% regeling’, in: WPNR 2010/6862, p. 805; Asser/Van den Berg 7-VI 2013/186 (oude druk).
Zie met name Rb. Amsterdam 15 december 2010, ECLI:NL:RBAMS:2010:BP4420, JOR 2011/133 m.nt. E.A.L. van Emden, rov. 4.2.
Vgl. ook Rb. Amsterdam 15 december 2010, ECLI:NL:RBAMS:2010:BP4420, JOR 2011/133 m.nt. E.A.L. van Emden, rov. 4.2.
Zie E.M. Bruggeman, ‘De privaatrechtelijke aspecten van het wetsvoorstel Kwaliteitsborging voor het Bouwen (Deel 3); Het opschortingsrecht van art. 7:768 BW’, in: TBR 2016/110, par. 4.1.
Zie ook Asser/Van den Berg 7-VI 2017/186.
Zie Afdeling Arbitrage GIW 10 maart 2006, nr. 15528, BR 2007/150 m.nt. E.M. Bruggeman.
Zie J.J. Storm, ‘5%-regeling bij de bouw van een appartementencomplex’, in: WPNR 2007/6694; de annotatie van E.M. Bruggeman in BR 2007/150.
Zie Afdeling Arbitrage GIW 22 juli 2008, nr. 16135, Afdeling Arbitrage GIW 15 oktober 2008, nr. 17059.
Zie RvA Bouw 15 januari 2009, nr. 71391, TBR 2009/109 m.nt. J.J. Storm; RvA Bouw 11 oktober 2010, nr. 32482, BR 2011/27 m.nt. T.B. van Dijk en J.M. Henriquez.
Zie o.a. de annotatie van J.J. Storm in TBR 2009/109; E.M. Bruggeman, ‘Oplevering van nieuwbouwwoningen’, in: TBR 2008/25; Asser/Van den Berg 7-VI 2017/186b; W.W. Braat, ‘De 5%-regeling: een praktische benadering’, Juridische Berichten voor het Notariaat 2010/49; A. Steneker, ‘95% duidelijkheid over de 5%-regeling’, WPNR 2010/6862, p. 804. Zie voor een overzicht van literatuur en rechtspraak ook H.L. van der Beek, Groene Serie Bijzondere overeenkomsten, art. 7:768 BW, aant. 1.9.1.
Zie idem J.J. Storm, ‘5%-regeling bij de bouw van een appartementencomplex’, in: WPNR 2007/6694, p. 58-60; de annotatie van J.J. Storm in TBR 2009/109; E.M. Bruggeman, ‘Oplevering van nieuwbouwwoningen’, in: TBR 2008/25; Asser/Van den Berg 7-VI 2017/186b.
Zie o.a. J.J. Storm, ‘5%-regeling bij de bouw van een appartementencomplex’, in: WPNR 2007/6694, p. 58-60; de annotatie van J.J. Storm in TBR 2009/109; E.M. Bruggeman, ‘Oplevering van nieuwbouwwoningen’, in: TBR 2008/25.
Vgl. R.L. Peutz & H.J.G. Braakhuis, Appartementsrecht (Ars Aequi cahiers Privaatrecht), 2019, p. 103; M.C.E. van der Vleuten & R.F.H. Mertens, ‘Procesbevoegdheid van VvE's en individuele appartementseigenaars bij gebreken in nieuwe appartementsgebouwen’, in: TBR 2012/43.
Zie o.a. Asser/Van den Berg 7-VI 2017/186b; J.J. Storm, ‘5%-regeling bij de bouw van een appartementencomplex’, in: WPNR 2007/6694; H.L. van der Beek, Groene Serie Bijzondere overeenkomsten, art. 7:768 BW, aant. 1.9.2; A. van Huffelen, ‘5%-regeling: bankgarantie als vervangende zekerheid’, in: VGR 2020/5, p. 166.
Zie A.M. Steegmans, ‘De 5% regeling terug in de steigers’, in: TBR 2010/98.
Zie A.L.M. Keirse e.a., Rapportage Wet koop onroerende zaken; de evaluatie, 2009, p. 126-128, 134, 196-197, bijlage bij Kamerstukken II 2009/10, 32 320, nr. 1.
De minister van Veiligheid en Justitie heeft in zijn brief aan de Tweede Kamer naar aanleiding van het evaluatierapport geschreven voorshands geen aanleiding te zien voor een wetswijziging en gesteld dat het aan de bij de uitvoering betrokkenen (de notarissen en aannemers) is om ervaring op te doen en beleid te ontwikkelen ten aanzien van de gesignaleerde onduidelijkheden. Zie Kamerstukken II 2011/12, 32 320, nr. 2, p. 7-8.
Vgl. ook nr. 3.1.4 van de schriftelijke toelichting van Woningborg en nr. 3 van de repliek van de notaris.
Zie met name nr. 2.15-2.16 van de memorie van antwoord van de notaris. Zie voorts ook nr. 3.16 van de conclusie van antwoord en nr. 2.1 sub 1 van de pleitnota van de notaris in eerste aanleg.
Vgl. ook Storm, die schrijft dat deze benadering vereist dat in de termijn- en betalingsregeling een uitsplitsing wordt gemaakt naar de gemeenschappelijke en de privégedeelten (waarvan in de praktijk echter geen sprake is). Zie J.J. Storm, ‘5%-regeling bij de bouw van een appartementencomplex’, in: WPNR 2007/6694, onder 5.2.3.
In de procesinleiding staat abusievelijk 2a t/m 2h.
Beroepschrift 28‑04‑2020
Procesinleiding in cassatie
bij de Hoge Raad der Nederlanden als bedoeld in art. 407 lid 1 (nieuw) Rv
Eiser tot cassatie is de heer MR. [de notaris], kantoorhoudende te [vestigingsplaats] (hierna te noemen: DE notaris), te dezer zake woonplaats gekozen hebbende te (2514 JL) Den Haag aan Alexanderstraat nummer 10, ten kantore van de advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden mr. M.E. Bruning, die eiser als zijn (cassatie)advocaat aanwijst om in dit geding in cassatie als zodanig op te treden en hem te vertegenwoordigen.
Verweerster is de naamloze vennootschap Woningborg N.V., gevestigd te Gouda (hierna te noemen: Woningborg), die te dezer zake laatstelijk woonplaats heeft gekozen ten kantore van haar advocaat uit de vorige instanties de heer mr. R. van Veen te (3063 AN) Rotterdam aan de Adriaan Volkerhuis Oostmaaslaan nrs. 59–71 (VAN VEEN ADVOCATEN; YUR ADVOCATEN B.V., H.O.D.N. YUR ADVOCATEN & CONSULTANTS).
De notaris stelt door indiening van deze procesinleiding, op de voet van art. 407 Rv, beroep in cassatie in tegen het door het gerechtshof Amsterdam, afdeling civiel recht en belastingrecht, team I, onder nummer 200.246.699/01 op 28 januari 2020 gewezen en uitgesproken eindarrest voor zover gewezen in het geding tussen Woningborg als appellante, oorspronkelijk eiseres, en de notaris als geïntimeerde, oorspronkelijk gedaagde.
Verweerder kan in het geding in cassatie ten laatste verschijnen op VRIJDAG 5 JUNI 2020, (niet in persoon maar) door tussenkomst van en vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden. De enkelvoudige civiele kamer van de Hoge Raad behandelt de zaken, vermeld op het in art. 15 van het Besluit orde van dienst gerechten bedoelde overzicht van zaken, op de vrijdagen die worden genoemd in hoofdstuk 1 van het Procesreglement van de Hoge Raad voor civiele vorderingszaken (STCRT. 2017/5928) om 10:00 uur. De behandeling van de zaken vindt plaats in het gebouw aan het Korte Voorhout 8 (2511 EK) te 's‑Gravenhage.
Uitgangspunten en klachten in cassatie
Voor zover in cassatie van belang kan worden uitgegaan van de door het hof in rov. 2 t/m 2.17 van zijn (eind)arrest bij beoordeling van het hoger beroep vooropgestelde vaststaande feiten, voor zover hierna niet wordt bestreden. Daarnaast kan ervan worden uitgegaan dat het geding tussen Woningborg en de notaris ook in de procedure in cassatie beperkt is tot de vorderingen van de appartementseigenaren jegens de notaris tot vergoeding van hun ‘schade’ bestaande in het door Woningborg gestelde ‘verlies van zekerheid’ in de vorm van het 5%-depot van hun aanneemsom op de kwaliteitsrekening van de notaris schadevorderingen (rov. 3.16) als gevolg van de uitbetaling van hun depotbedrag tegen de bankgarantie aan de aannemer [betrokkene 1], nu de vorderingen van Woningborg op grond van een rechtstreekse onrechtmatige daad van de notaris bij gebrek aan belang, met het meer of anders gevorderde, zijn afgewezen (rov. 3.22).
De notaris voert op grond van art. 407 lid 2 Rv tegen het eindarrest van het hof aan als
Middel tot cassatie
schending van het recht en/ of tot nietigheid leidend verzuim van (wezenlijke) vormen, doordat het gerechtshof heeft overwogen en beslist op de wijze als vermeld in het bestreden arrest, en op die gronden heeft recht gedaan als in het dictum van dit (eind) arrest is omschreven, welk dictum als hier herhaald en ingelast moet(en) worden beschouwd, ten onrechte zulks om één of meer van de volgende, voor zover nodig (MEDE) IN ONDERLINGE VERBAND EN SAMENHANG te lezen en te beoordelen, redenen.
Essentie van deze zaak in cassatie
In deze, bij rechtbank en gerechtshof gevoegd behandelde, zaak tussen Woningborg enerzijds en de notaris, de bank (ABN Amro) en de curator van de gefailleerde aannemer [betrokkene 1] anderzijds gaat het over de schade die de appartementseigenaren van een appartementencomplex hebben geleden doordat na de oplevering van hun ‘privé-gedeelten’ het gebouw verder nog niet was afgebouwd toen de aannemer failliet ging in april 2016. Voor dit afbouwrisico hadden de appartmentseigenaren een ‘afbouwgarantie’ afgesloten bij schadeverzekeraar Woningborg, die de gemeenschappelijke gedeelten van hun complex door een andere aannemer liet afbouwen. Volgens de aannemingsovereenkomsten en de daarbij horende algemene voorwaarden trad de notaris hierbij op als ‘projectnotaris’, in welke hoedanigheid hij het depotbedrag heeft beheerd dat de appartementseigenaren onder inroeping van de ‘5%-regeling’ als bedoeld in art. 7:768 BW hadden gestort op zijn kwaliteitsrekening. Omdat aannemer [betrokkene 1] de notaris had verzocht het depotbedrag van (9 van de 11) appartementseigenaren uit te keren tegen een door de aannemer bij de bank gekregen bankgarantie, heeft de notaris in december 2015 het depot op grond van art. 7:768 lid 3 BW (in zoverre) vrijgegeven en de aannemer uitbetaald. Na oplevering van de woningen van de appartementseigenaren in januari / maart 2016 en het faillissement van de aannemer in april 2016 is tussen Woningborg, de bank en de curator een rechtsstrijd ontstaan over kostenverhaal voor afbouw van de ‘gemeenschappelijke gedeelten’ in het gebouw. De notaris heeft als projectnotaris en bewaarder ten behoeve van de appartementseigenaren in mei 2016 de bank verzocht om de bankgarantie uit te betalen dan wel te verlengen, wat de bank weigerde. Vervolgens is deze bankgarantie in juni 2016 komen te vervallen.
Woningborg heeft in de gedingen tegen de curator van de aannemer, de bank en de notaris uiteenlopende vorderingen ingesteld. Voor zover in cassatie van belang, vorderde Woningborg voor recht te verklaren dat met het afgeven van de bankgarantie met een vervaltermijn (tot juni 2016) onrechtmatig is gehandeld jegens de appartementseigenaren en/of Woningborg als hun schadeverzekeraar, en dat de notaris ook zijn zorgplicht jegens hen heeft geschonden door de bankgarantie met het vervaltermijn van aannemer [betrokkene 1] te accepteren.
Omdat Woningborg volgens de rechtbank alleen wat betreft de ‘afbouwschade’ werd gesubrogeerd in de schadevordering van de appartementseigenaren jegens de aannemer, heeft de rechtbank in de gedingen tegen de bank en de notaris Woningborg niet-ontvankelijk verklaard, omdat hun schadevorderingen uit hoofde van onrechtmatige daad geen vorderingen waren tot verhaal van de afbouwsschade maar tot verhaal van de schade als gevolg van het opnemen van een vervaltermijn in de bankgarantie waardoor daaronder niet is uitgekeerd.
In het door Woningborg ingesteld hoger beroep heeft het hof in de gedingen tegen de notaris en de bank geoordeeld dat Woningborg ook is gesubrogeerd in de vorderingen van de appartementseigenaren tot verhaal van de afbouwschade die zij door verlies aan verhaalsmogelijkheid zouden hebben geleden (‘verhaalschade’). Het hof kwam in het geding tegen de notaris tot de slotsom dat de bankgarantie vanwege de daarin gestelde voorwaarden geen ‘vervangende zekerheid’ in de zin van art. 7:768 lid 3 en art. 6:51 lid 2 BW is geweest, dat hij daartegen het depotbedrag ten belope van € 419.650,-- in december 2015 niet had mogen vrijgeven en hij daarom niet heeft gehandeld als een redelijk bekwaam en redelijk handelend notaris. Vervolgens was het hof in het geding tegen de bank van oordeel dat de bank jegens de appartementseigenaren onrechtmatig handelde door bij afgifte van de bankgarantie hun belangen onvoldoende in het oog te houden. Omdat volgens het hof hun verhaalsschade in causaal verband stond met deze normschendingen en beiden kon worden toegerekend, heeft het hof in het geding tegen de notaris en de bank de gevorderde verklaring voor recht gegeven en ieder, hoofdelijk, veroordeeld tot vergoeding van de schade ad € 419.650,-- met wettelijke rente.
In cassatie liggen alsrechtsvragenvoor(i)of Woningborg kon worden gesubrogeerd in de rechten van de appartementseigenaren voor wat betreft de afbouw van de gemeenschappelijke gedeelten van het gebouw,(ii)of de notaris voor het vrijgeven van een depot als bedoeld in art. 7:768 BW alleen toetst aan de eisen van art. 6:51 lid 2 BW dan wel deze taak als ‘beheerder’ vervult onder artt. 17, 21 en 25 Wna en (iii) of de notaris verlies aan verhaalsmogelijk valt toe te rekenen als hij bij de bank aandringt op uitbetaling (art. 6:98 BW).
Met inachtneming van de hiervóór vermelde vaststaande feiten en onbestreden oordelen kan de notaris zich niet verenigen met hetgeen het hof in rov. 3.1 t/m 3.12, 3.16 t/m 3.22 en, daarop voortbouwend, in het dictum van zijn arrest met vernietiging van het eindvonnis in het geding tussen Woningborg en de notaris opnieuw rechtdoende heeft geoordeeld en beslist. Hij voert daartoe de volgende, mede in samenhang te beoordelen, drie middelonderdelen aan.
Onderdeel 1: hof acht ten onrechte woningborg gesubrogeerd in rechten van appartementseigenaars
1 a.
Het hof heeft in rov. 3.2 t/m 3.4 en 3.22 bij beoordeling van grief 3 van Woningborg ten onrechte in het geding tegen de notaris geoordeeld en tot uitgangspunt genomen dat de vorderingen van alle appartementseigenaren jegens de notaris met betrekking tot de ‘verhaalschade’ bij wijze van subrogatie zijn overgegaan op Woningborg. Immers, art. 7:962 in verbinding met art. 7:944 BW bewerkstelligt dat een schadeverzekeraar als Woningborg die de schade van een verzekerde heeft vergoed, uitsluitend en alleen die rechten verkrijgt die deze laatste ter zake van deze schade op derden had gekregen, nu deze vorderingsrechten op de derden vóór subrogatie vorderingen van de verzekerde behelsen, op de inning waarvan deze verzekerde recht heeft in de mate van zijn schade. Dit betekent dat volgens de uit de wetstoelichting blijkende bedoeling van de wetgever deze verzekeraar als rechtsopvolger onder bijzondere titel door subrogatie krachtens art. 7:962 lid 1 BW niet meer (of andere) rechten verkrijgt dan die welke de verzekerde ter zake van diens schade als vorderingen tot schadevergoeding op deze derde heeft.
Het hof miskende het voorgaande door in rov. 3.3 en 3.22 te oordelen dat Woningborg, zonder meer, is gesubrogeerd in ‘de rechten van de appartementseigenaren’ na vergoeding (in natura) van door hen geleden ‘schade anders dan uit verzekering’ op de grond dat ‘de appartementseigenaren tot een bedrag van € 419.560,-- geen verhaal hebben kunnen nemen op het depot onder de notaris tot waarborg van de voltooiing van het gebouw’ en ‘de vorderingen van de appartementseigenaren jegens de notaris (…) met betrekking tot de verhaalschade bij wijze van subrogatie op Woning-borg [zijn] overgegaan’ en ‘Woningborg in zoverre [is] getreden in de (gepretendeerde) rechten van de appartmentseigenaren jegens de notaris’. Ten onrechte betrok het hof hier niet, kenbaar, in zijn beoordeling en oordeelsvorming of de verbintenis op grond waarvan Woningborg onder art. 7:962 BW van de notaris vergoeding vordert van hetgeen is uitbetaald aan de appartementseigenaren, dezelfde verbintenis is op grond waarvan, vóór subrogatie, individuele appartementseigenaren schadevergoeding van de notaris hadden kunnen vorderen omdat zij elk afzonderlijk zich, ter verzekering van een correcte oplevering, niet hebben kunnen verhalen op het depotbedrag in de in art. 7:768 BW bedoelde situatie (herstel van gebreken; zie hierna). Dat Woningborg van het bedrag van € 419.560,-- aan de appartementseigenaren heeft vergoed, betekent dan nog niet (reeds) als zodanig en zonder meer dat de ‘vorderingen’ van alle appartementseigenaren jegens de notaris met betrekking tot ‘verhaalschade’ krachtens art. 7:768 BW bij wijze van subrogatie op Woningborg zijn overgegaan en zij in de (gepretendeerde) ‘rechten’ van elke appartementseigenaar jegens de notaris trad. Voor zover het hof het vorenstaande niet heeft miskend, heeft het zijn arrest niet naar de eisen der wet met redenen omkleed omdat uit het overwogene in rov. 3.3 t/m 3.22 niet kan worden opgemaakt dat en waarom iedere individuele appartementseigenaar zijn recht tot verhaal op het depotbedrag onder art. 7:768 BW had kunnen uitoefenen.1.
b.
Daarmee, of daarnaast, heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door bij zijn beoordeling en oordeelsvorming in rov. 3.3 zonder meer ervan uit te gaan dat de in art. 7:768 lid 1 BW neergelegde ‘5%-regeling’ en het daarin bedoelde ‘depot’ onder de notaris strekt ‘tot waarborg van de voltooiing van het gebouw’. Aldus miskende het hof dat naar de uit de parlementaire stukken blijkende bedoeling van de wetgever het aan elke appartementseigenaar als koper/opdrachtgever afzonderlijk toekomend recht op grond van art. 7:768 lid 1 BW 5% van de aanneemsom in te houden en in depot te storten bij de notaris niet strekt tot waarborg van de voltooiing van het gebouw maar strekt tot waarborg voor eventuele bij of na de oplevering blijkende, kleine, gebreken zonder dat de koper/opdrachtgever een beroep hoeft te doen op het opschortingsrecht als bedoeld in art. 6:262 BW c.q. zonder dat hij behoeft aan te voeren dat zich gebreken voordoen (MvT, kamerstukken II 1992–1993, 23 095, nr. 3, blz. 40). Volgens de wetgever eindigt het depot door verloop van de in art. 7:768 lid 2 BW vermelde drie maanden na het tijdstip van oplevering als de opdrachtgever zijn opschortingsrecht niet gebruikt, of doordat deze instemt met de beëindiging van het depot, de aannemer ‘vervangende zekerheid’ stelt (bijv. met een bankgarantie) of een bindende uitspraak gedaan (lid 3).
Anders dan het hof in rov. 3.3 en 3.22 tot uitgangspunt nam, strekte het recht van iedere appartementseigenaar tot inhouding van het onder de notaris in depot gestort bedrag zich dus niet uit tot de door Woningborg gestelde mogelijkheid zich daarop te verhalen tot ‘waarborg van de voltooiing van het gebouw’, maar uitsluitend voor herstel van de bij of na oplevering in de woning van de appartementseigenaar geconstateerde gebreken2. (zie in dezelfde zin ook de MvT, kamerstukken II 2015–2016, 34 453, nr. 3 blz. 37–38). Dit laatste volgde ook uit artt. 12 en 13 van de op hun aannemingsovereenkomsten van toepassing verklaarde ‘Algemene Voorwaarden Transformatie’ (rov. 2.3 hofarrest), zoals toegelicht in de Algemene toelichting Transformatie (prod. 3 dagv. Woningborg) waarnaar de notaris in dit kader verwees bij memorie van antwoord onder nr. 2.15 (rov. 3.2).
Het voorgaande betekent dan ook dat Woningborg krachtens art. 7:768 lid 1 BW niet bij wijze van subrogatie meer (of andere) rechten en vorderingen heeft verkregen dan die welke de appartementseigenaren hadden, en's hofs uitgangspunt in rov. 3.3 en 3.22 onjuist is dat het feit dat Woningborg het gebouw alsnog op haar kosten heeft voltooid, kwalificeert als een vergoeding in natura van ‘schade anders dan uit verzekering’ waarmee onder art. 7:768 BW de vorderingen van alle appartementseigenaren jegens de notaris met betrekking tot hun ‘verhaalschade’ door subrogatie op Woningborg zijn overgegaan en Woningborg in zoverre is getreden in hun gepretendeerde rechten jegens de notaris.
c.
Althans heeft het hof bij beoordeling van grief 3 van Woningborg ten onrechte niet, dan wel op een in de gegeven motivering niet (voldoende) kenbare wijze, betrokken dat, zoals de notaris naar aanleiding van productie 26 zijdens Woningborg als verweer in hoger beroep meer algemeen heeft herhaald,3. de appartementseigenaren volgens de aannemingsovereenkomsten en toepasselijke algemene voorwaarden naast hun ‘privé-gedeelte’ (appartement) geen rechten hadden ten aanzien van de oplevering c.q. afbouw van ‘gemeenschappelijke gedeelten’ van het gebouw, alleen de Vereniging van Eigenaars, reden waarom volgens de tussen Woningborg en de appartementseigenaren geldende ‘Garantieregeling’ 2010 (rov. 2.2 arrest) elke appartementseigenaar een eigen certificaat ontving voor zijn ‘privé-gedeelte’ en de Vereniging van Eigenaars een certificaat kreeg na de oplevering van de ‘gemeenschappelijke gedeelten’, omdat alleen zij kon optreden bij alle zaken die de gemeenschappelijke gedeelten van het gebouw zouden betreffen, en uitsluitend de Vereniging van Eigenaars bevoegd is terzake vorderingen in te stellen.
In het licht van dit verweer van de notaris is rechtens onjuist althans onbegrijpelijk dat het hof in rov. 3.3 ervan is uitgegaan dat het depot van de appartementseigenaren zich uitstrekt tot waarborg van ‘de voltooiing van het gebouw’ (gemeenschappelijke gedeelten) terwijl vaststaat dat het depot van elke appartementseigenaar 5% van de aanneemsom was en, alleen, betrekking had op de realisatie van ieders afzonderlijke ‘privé-gedeelte’.
d.
Voor zover het hof bij beoordeling van grief 3 net als in rov. 3.6 en 3.9 ervan uitging dat het depot van alle appartementseigenaren zag op alle privé-gedeelten én gedeelten van het gebouw die tot gezamenlijk gebruik waren bestemd omdat ieder 5% van het op het desbetreffende appartementsrecht betrekking hebbend bedrag bij de notaris in depot had gestort waarmee 5% van de totale aanneemsom in depot was gestort en hun depot strekte tot zekerheid van afbouw van zowel de privé- als gemeenschappelijke gedeelten, is (ook) dit kennelijke oordeel van het hof onjuist om de ONDER 1.B EN 2.E vermelde redenen, en onbegrijpelijk in het licht van het ONDER 1.C vermelde verweer.
e.
Gelet op het voorgaande is het hof bij zijn beoordeling van grief 3 van Woningborg ten onrechte niet tot het eindoordeel gekomen dat, zoals de rechtbank heeft geoordeeld (rov. 4.4), Woningborg in zoverre niet is gesubrogeerd in de rechten/ vorderingen van alle appartementseigenaren jegens de notaris tot vergoeding van de verhaalschade, zodat de rechtbank Woningborg in zoverre terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard voor zover haar schadevorderingen tegen de notaris zijn gebaseerd op subrogatie.
Onderdeel 2: het hof acht ten onrechte de notaris aansprakelijk voor vrijgave depot tegen bankgarantie
2 a.
Bovendien, of althans, is het hof in rov. 3.5 t/m 3.12 en 3.22, op de wijze en gronden als het deed, onder toepassing van een onjuiste maatstaf gekomen tot zijn oordeel dat de notaris niet heeft gehandeld als een redelijk bekwaam en redelijk handelend notaris jegens de appartementseigenaren door eind 2015 op grond van art. 7:768 lid 3 BW het depot tot een bedrag ad € 419.650,-- op basis van de als ‘vervangende zekerheid’ verstrekte bankgarantie aan [betrokkene 1] vrij te geven.
Immers, anders dan het hof bij beoordeling in rov. 3.5 vooropstelde, was in dit verband niet reeds beslissend bij beantwoording van de vraag of de door de aannemer ([betrokkene 1]) aangeboden ‘zekerheid’ de vrijgave van het depot kan rechtvaardigen, of die zekerheid voldoet aan de eisen van art. 6:51 lid 2 BW, en was de notaris niet ingevolge de op hem rustende zorgplicht slechts bevoegd het depot vrij te geven indien de bankgarantie voldeed aan de eisen als bedoeld in art. 7:768 lid 3 in verbinding met art. 6:51 lid 2 BW (rov. 3.7). Volgens de wetgever geldt, net als bij art. 7:26 lid 4 BW, voor de in art. 7:768 lid 3 bedoelde ‘vervangende zekerheid’ dat deze moet voldoen aan al het bepaalde in art. 6:51 BW (MvT, kamerstukken II 1992–1993, 23 095, nr. 3, blz. 40). Dit betekent derhalve dat — zoals HR 18 oktober 2019, NJ 2019/411 bevestigt — art. 6:51 lid 1 BW de vrijheid laat voor de keuze van de te stellen zekerheid, dat een bankgarantie als de aangeboden zekerheid dan moet voldoen aan de eisen van art. 6:51 lid 2 (dat vorderingen ‘behoorlijk gedekt’ zijn en daarop ‘zonder moeite verhaal’ kan worden genomen), én dat volgens het derde lid van art. 6:51 BW de aannemer (als schuldenaar) verplicht is om de zekerheid aan te vullen dan wel te vervangen als de gestelde zekerheid ‘onvoldoende’ is geworden.
Voor de beantwoording van de vraag of de door [betrokkene 1] aangeboden bankgarantie als vervangende zekerheid in de zin van art. 7:768 lid 3 BW voldoende was om de vrijgave van het depot door de notaris te kunnen rechtvaardigen, is daarmee niet beslissend of de aangeboden zekerheid aan de eisen van art. 6:51 lid 2 BW voldeed nu het derde lid van dit artikel open laat dat de bankgarantie niet of niet meer voldoet aan de eisen van art. 6:51 lid 2 BW en alsdan op een later moment kan c.q. zal moeten worden aangepast. De door het hof vooropgestelde maatstaf houdt ten onrechte met al het vorenstaande geen rekening waardoor het een onjuiste, te strenge of beperkte, maatstaf aangelegd heeft en het hof in zoverre heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
b.
Daardoor betrok het hof ten onrechte niet in zijn beoordeling en oordeelsvorming in rov. 3.5 t/m 3.8 e.v. dat, zoals de notaris aanvoerde, in reactie op de zijdens de notaris voorgestelde looptijd van één jaar [betrokkene 1] (Harteman) heeft voorgehouden dat het de bedoeling was van [betrokkene 1] dat half mei 2016, zelfs na vijf maanden vanaf oplevering, de bankgarantie zou worden verlengd voor de nog niet afgehandelde opleverpunten,4. waarmee — kennelijk — is gedoeld op de in art. 6:51 lid 3 BW bedoelde mogelijkheid voor [betrokkene 1] om de looptijd van de bankgarantie, als vervangende zekerheid, aan te vullen. Het hangt volgens de wetgever immers van de inhoud van de overeenkomst en van alle omstandigheden af of de aangeboden zekerheid voldoende kan worden geacht en of de ter voldoening aan contractuele verplichtingen gestelde zekerheid die na verloop van tijd onvoldoende is geworden, dient te worden aangevuld (T-M, Parl. Gesch. Bk 6, blz. 191). Door deze bedoeling van [betrokkene 1] niet in zijn oordeelsvorming te betrekken, woog het hof ten onrechte niet alle relevante omstandigheden mee bij beantwoording van de vraag of de door [betrokkene 1] aangeboden bankgarantie als vervangende zekerheid onder art. 7:768 lid 3 en art. 6:51 BW de vrijgave van het depot rechtsvaardigde, c.q. of de notaris in de gegeven situatie bevoegd was het depot in december 2015 vrij te geven.
c.
Daarnaast vinden 's hofs oordelen in rov. 3.8 t/m 3.12 dat door het depot vrij te geven tegen de voorwaarden waaronder de bankgarantie kon worden ingeroepen (rov. 2.11), de notaris tegenover de appartementseigenaren niet heeft gehandeld overeenkomstig hetgeen ‘een redelijk handelend en redelijk bekwaam notaris’ betaamt omdat hij het depot op basis van de gestelde bankgarantie niet had mogen uitbetalen nu deze voorwaarden volgens het hof om de in rov. 3.8 vermelde redenen zodanig waren dat deze garantie niet als vervangende zekerheid als bedoeld in art. 7:768 lid 3 in verbinding met art. 6:51 BW kan worden aangemerkt, geen steun in het in 2015 geldende ongeschreven recht.
Immers, onder de vigeur van art. 7:768 lid 3 in verbinding met art. 6:51 BW was staande praktijk in de bouwsector vanaf 2003 dat aannemers in plaats van de depotstelling bij de notaris bankgaranties gingen stellen met vervangende zekerheid, die een beperkte looptijd hadden, zoals die volgens art. 16 van de Algemene Voorwaarden bij de model koop-/ aannemingsovereenkomst dat de bankgarantie moest worden afgegeven door een in Nederland te goeder naam en faam bekend staande financiële instelling (bank) en diende aan te vangen per de datum van oplevering, onvoorwaardelijk was en moest voortduren totdat (i) de in art. 7:768 lid 2 BW vermelde drie maanden waren verstreken tenzij de koper/opdrachtgever de notaris voordien schriftelijk mededeelde dat hij zijn opschortingsrecht als bedoeld in art. 6:262 BW wenste uit te oefenen en tot welk bedrag de bankgarantie moest worden gehandhaafd, (ii) de koper/opdrachtgever schriftelijk instemde met het vervallen van de bankgarantie en/of (iii) bij een bindende uitspraak zou zijn beslist dat de bankgarantie niet of niet langer gerechtvaardigd was, op basis van welke uitspraak de koper/opdrachtgever de bankgarantie kon uitwinnen.
Naar de toen heersende rechtsopvatting diende onder de vigeur van art. 7:768 lid 3 in verbinding met art. 6:51 BW de looptijd van de bankgarantie voldoende te zijn en was daarvan sprake als de garantie langer dan drie maanden geldig zou zijn in gevallen waarin anders handhaving van het depot gerechtvaardigd zou zijn. Omdat op grond van art. 7:768 lid 3 BW de koper/opdrachtgever ook eerst zou moeten procederen om zijn depotbedrag terug te krijgen, werd volgens de heersende rechtsopvatting niet als verslechtering van de rechtspositie van de koper/opdrachtgever gezien dat hij onder de bankgarantie eerst diende te procederen voordat hij de bankgarantie kon inroepen, en werd aangenomen dat een bankgarantie onder de art. 7:768 lid 3 en art. 6:51 BW een gelijkwaardige vervangende zekerheid bood wanneer deze ten minste inroepbaar was na een partijen bindende uitspraak waarin de koper / opdrachtgever in het gelijk wordt gesteld, of na een opdracht van de aannemer aan de bank tot uitbetaling aan de koper.
In 2009 meldde het WODC-evaluatierapport van de ‘Wet koop onroerende zaken’ nog dat tussen een bankgarantie en een depotbedrag als bedoeld in art. 7:768 lid 1 en 3 BW in de praktijk weinig verschil bestond, beide ‘genoeg zekerheid’ tot uitbetaling boden en het (onder art. 6:51 BW) van de aannemer afhing welke methode hij dan prefereerde. Ondanks dat het WODC-rapport in de praktijk onvolkomenheden in de uitvoering van de 5%-regeling signaleerde, was volgens de toenmalige regering de regeling een goede basis voor de daarin beoogde bescherming van de particuliere koper/opdrachtgever en zag de regering geen aanleiding om de wet te wijzigen omdat het in de eerste plaats aan de bij de uitvoering betrokken aannemers en notarissen was beleid te ontwikkelen (zie de brief van de minister van VenJ, kamerstukken 2011–2012, 32 320, nr. 2, blz. 7–8).
Vanaf 2015 heeft de wetgever de versterking van het opschortingsrecht van de koper/ opdrachtgever tegenover aannemers aan zich getrokken in de ‘Wet kwaliteitsborging voor het bouwen’,5. waarin de 5%-regeling in art. 7:768 BW aldus zal worden gewijzigd dat de aannemer de koper/opdrachtgever zal moeten wijzen op zijn opschortingsrecht voor het verstrijken van de onderhoudstermijn (lid 2 nieuw) maar hij, zoals thans, aan de notaris zal dienen mee te delen of hij het depot wil handhaven en tot welk bedrag. Volgens de wetgever zal de koper/opdrachtgever daarmee geen ongeclausuleerd recht krijgen het depot voor onbepaalde tijd aan te houden omdat hij dan moet voldoen aan de eisen van art. 6:262 BW (MvT, kamerstukken II 2015 02016, 34 453, nr. 3 blz. 38–39). Omdat in de praktijk veel gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid van een bankgarantie als een vervangende zekerheid voor de 5%-regeling in art. 7:768 BW, heeft de wetgever ter versterking van de positie van de koper/opdrachtgever ervoor gekozen in art. 7:768 BW te verduidelijken dat ‘vervangende zekerheid’ voor het depot een zelfde zekerheid moet bieden als dat depot en alleen een zekerheid die gelijkwaardig is aan het depot ter vervanging van dat depot kan worden gesteld (MvT, blz. 39–40):
‘Of een bankgarantie een vergelijkbare zekerheid biedt als een depot, hangt af van de wijze waarop de bankgarantie is gesteld. In de praktijk worden vaak bankgaranties gehanteerd die door hun formulering minder zekerheid bieden dan een depot. Bij een depotstelling mag de opdrachtgever het depotbedrag achter de hand houden als stok achter de deur voor het geval gebreken aan het licht komen binnen de onderhoudstermijn. Bij veel bankgaranties wordt extra actie van de opdrachtgever geëist. Ook biedt de bankgarantie vaak alleen zekerheid voor een bedrag ten aanzien waarvan de opdrachtgever heeft aangetoond dat dit opeisbaar van de aannemer is te vorderen en kan dit beperkter zijn dan het depotbedrag.
De opdrachtgever zal vaak eerst een procedure aanhangig moeten maken, terwijl dat in vergelijkbare situaties met een depot niet nodig is. (…) Met deze aanpassingen sluit de regering tevens aan bij het onderzoek van het Molengraaff Instituut [rapport 2009, adv.] waarin de onderzoekers aanbevelen om, gezien het ontbreken van een prikkel voor snel herstel, de huidige regeling grondig te bekijken en te optimaliseren. (…) De regering ziet in verband met de invoering van het voorgestelde stelsel voor kwaliteitsborging voor het bouwen thans aanleiding het opschortingsrecht op bovengenoemde punten aan te passen. Zoals aangegeven is in het beoogde stelsel (…) een evenwichtige verdeling van de verantwoordelijkheid tussen de aannemer en de opdrachtgever van bijzonder belang. daarbij is de versterking van de juridische positie van de opdrachtgever een belangrijke prikkel voor de aannemer om een goede bouwkwaliteit te leveren.’
Volgens de wetgever zal van ‘vervangende zekerheid’ volgens de nieuwe 5%-regeling van art. 7:768 BW sprake zijn ‘als de zekerheid in dezelfde gevallen en onder dezelfde voorwaarden inroepbaar is als het depot’. Het doel van deze wijziging van het huidige wettelijke stelsel is dat de uitbetaling van de resterende aanneemsom niet geschiedt zonder dat de opdrachtgever ervan op de hoogte wordt gesteld, waarmee zijn positie ten opzichte van de aannemer wordt versterkt omdat in de toekomst de opdrachtgever expliciet moet worden geïnformeerd over de mogelijkheid om het laatste deel van de bouwsom niet te laten uitbetalen en hij een bewustere keuze kan maken of hij gebruik van zijn opschortingsrecht wil maken (Nota n.a.v. verslag, kamerstukken II 2015–2016, 34 453, nr. 6, blz. 24–25):
‘(…) Doordat in het huidige voorstel verder is voorgeschreven dat de aannemer alleen vervangende zekerheid kan stellen die gelijkwaardig is aan een depot, worden de eisen voor vervangende zekerheid aangescherpt. Dit zorgt ervoor dat de aannemer het depot niet kan opeisen, zonder afdoende vervangende zekerheid te stellen. Daarmee heeft de aannemer een extra prikkel om snel tot herstel over te gaan, zodat hij daadwerkelijk over de laatste 5 procent van de bouwsom kan beschikken.’
Omdat het nieuwe stelsel volgens deze wetswijziging afwijkt van de huidige regeling onder art. 7:768 BW (in verbinding met art. 6:51 en 6:262 BW), blijft op overeenkomsten van aanneming van werk van vóór de inwerkingtreding van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen, de 5%-regeling van art. 7:768 BW van toepassing zoals zij luidde ten tijde van het sluiten van die overeenkomsten (zie art. 218 Overgangswet NBW nieuw).
Door, op grond van de in rov. 3.5 en 3.7 vooropgestelde (onjuiste) maatstaven, onder de vigeur van art. 7:768 lid 3 in verbinding met art. 6:51 lid 2 BW te oordelen dat met de in de bankgarantie van 18 december 2015 gestelde voorwaarden (a) dat deze slechts kon worden ingeroepen na een partijen bindende beslissing in een procedure tussen [betrokkene 1] en een appartementseigenaar en (b) de bankgarantie een vervaltermijn bevatte per 1 juni 2016 ‘bij voorbaat duidelijk [was] dat vrijwel ondenkbaar was dat de bankgarantie met succes zou kunnen worden ingeroepen (.…)’, en gelet op deze voorwaarden geen sprake was van ‘vervangende zekerheid’ als bedoeld in art. 7:768 lid 3 BW, miskende het hof dat ten tijde van het handelen van de notaris in 2015 de voorwaarden onder (a) en (b) in de praktijk gebruikelijk en naar de heersende rechtsopvatting geoorloofd waren. Daarbij werd in aanmerking genomen dat onder art. 7:768 lid 3 BW de opdrachtgever doorgaans ook eerst moest procederen over inhouding en terugbetaling van het depot (voorwaarde a) en dat de looptijd van een bankgarantie voldoende was als deze langer dan drie maanden na het tijdstip van de oplevering geldig zou zijn (voorwaarde b).6. Dat door het vrijgeven van het depot tegen deze voorwaarden in de bankgarantie de notaris jegens de appartementseigenaren niet heeft gehandeld overeenkomstig hetgeen volgens het ongeschreven recht ‘een redelijk handelend en redelijk bekwaam notaris’ betaamde en dat hij het depotbedrag niet tegen de verstrekte bankgarantie aan [betrokkene 1] had mogen uitbetalen, is naar de stand van het recht (2015–2016) aldus rechtens onjuist.
Voor zover het hof met zijn bestreden oordelen heeft aangesloten bij de aanscherping van de eisen van ‘vervangende zekerheid’ volgens de komende Wet kwaliteitsborging voor het bouwen, getuigen deze oordelen van een onjuiste rechtsopvatting omdat het hof alsdan miskende dat de vraag of de notaris volgens het ongeschreven recht een (concrete) norm schond en jegens de appartementseigenaren onrechtmatig handelde, wordt beoordeeld naar de maatstaven die golden ten tijde van zijn handelen eind 2015 en de kennis en ervaring die hij toen had of behoorde te hebben. Ook miskende het hof alsdan dat niet op het nieuwe stelsel van de wetswijziging kan worden geanticipeerd nu dit stelsel ingrijpend afwijkt van het huidige, reden waarom de wetgever expliciet heeft bepaald dat de wijzigingen waaronder begrepen de aanscherping van de eisen van ‘vervangende zekerheid’ als bedoeld in art. 7:768 lid 3 BW niet van toepassing zijn op gevallen als het onderhavige waarin de aannemingsovereenkomsten zijn gesloten vóór de inwerkingtreding van deze wetswijziging.
d.
Naast de ONDER 2.A T/M 2.C vermelde redenen heeft het hof in rov. 3.5 t/m 3.8 (dan ook) ten onrechte geoordeeld dat de notaris tevens heeft gehandeld in strijd met zijn in art. 7:768 lid 3 BW neergelegde ‘wettelijke plicht’ tegenover de appartementseigenaren die als natuurlijke personen niet handelden in de uitoefening van een beroep of bedrijf, wanneer zijn oordeel voortbouwt op 's hofs hiervóór bestreden oordelen in rov. 3.8.
Voor zover het hof met de ‘wettelijke plicht’ doelde op de in rov. 3.5, 3.7 en 3.8 bedoelde beoordeling door de notaris van de vraag of de door [betrokkene 1] als aannemer aangeboden bankgarantie als ‘vervangende zekerheid’ de vrijgave van het depot rechtvaardigde, en daartoe voldeed aan de eisen van art. 7:768 lid 3 in verbinding met art. 6:51 lid 2 BW op grond waarvan de notaris ingevolge de op hem rustende zorgplicht uitsluitend dan bevoegd is om het depot aan de aannemer vrij te geven, stelde het hof verkeerde eisen aan de taak en verantwoordelijkheid van de notaris als ‘projectnotaris’ bij uitvoering van de 5%-regeling als bedoeld in art. 7:768 BW. Art. 21 lid 1 Wna7. verplicht de notaris de hem bij of krachtens de wet opgedragen of de door een partij verlangde werkzaamheden te verrichten ook in gevallen als het onderhavige waarin de notaris volgens art. 7:768 BW in zijn hoedanigheid van bewaarder van het depot op grond van art. 25 Wna optreedt voor koper/opdrachtgever en aannemer als ‘gezamenlijke rechthebbenden’ (gerechtigden) tot het saldo, onder de voorwaarden die in hun onderlinge verhouding nader gelden, en als hun lasthebber tegenover de bank privatief is belast met het beheer daarvan. Ook in deze gevallen moet de notaris volgens art. 21 lid 2 Wna (slechts) dan zijn dienst weigeren indien ‘naar zijn redelijke overtuiging of vermoeden’ de van hem verlangde werkzaamheid leidt tot strijd met het recht of de openbare orde, indien zijn medewerking wordt verlangd bij handelingen die kennelijk een ongeoorloofd doel of gevolg hebben of als hij andere gegronde redenen voor weigering heeft (art. 21 lid 2). Bij gerede twijfel aan de goede bedoelingen van zijn cliënt dient de notaris zijn dienst te weigeren of zich door nader onderzoek te overtuigen van het geoorloofde karakter ervan (HR 3 april 2015, NJ 2015/479 Novitaris). Verder is hier bepalend dat de notaris als beheerder van een depot als bedoeld in art. 7:768 BW gehouden is om te handelen volgens de in art. 17 Wna neergelegde norm van onpartijdigheid op grond waarvan de notaris de belangen van alle bij het depot betrokken partijen behoort te behartigen.8.
Anders dan het hof in rov. 3.7 en 3.8 vooropstelde en van oordeel was, moet de notaris derhalve niet zijn ‘dienst’ tot vrijgave van het depot aan de aannemer reeds, als zodanig en zonder meer, ‘weigeren’ als de hem aangeboden (voorwaarden in de) bankgarantie niet voldoen aan de eisen als bedoeld in art. 7:768 lid 3 in verbinding met art. 6:51 lid 2 BW, maar mag hij daarvan alleen afzien als ‘naar zijn redelijke overtuiging of vermoeden’ de door de aannemer verlangde vrijgave van het depotbedrag tegen een bankgarantie leidt tot strijd met het recht of de openbare orde, als zijn medewerking wordt verlangd bij handelingen met een ongeoorloofd doel of gevolg (zoals de rechtbank oordeelde), of als de notaris daartoe in de gegeven situatie goede redenen heeft na afweging onder art. 17 Wna van het belang van de aannemer tegen het belang van de opdrachtgever(s). Of daarvan sprake is, hangt alsdan af van alle relevante omstandigheden van het geval en dient te worden beoordeeld naar de maatstaven (normen) die golden ten tijde van de vrijgave — december 2015 — en de kennis en ervaring die de notaris had of behoorde te hebben (waarover ook reeds hiervóór ONDER 2.B EN 2.C).
's Hofs oordelen dat de notaris jegens de particuliere appartementseigenaren (tevens) heeft gehandeld in strijd met zijn in art. 7:768 lid 3 BW neergelegde ‘wettelijke plicht’ door, kort gezegd, niet te ‘weigeren’ wegens strijd met de wet (art. 6:51 lid 2 BW) het depot tegen deze bankgarantie vrij te geven, getuigt ook van onjuiste rechtsopvatting. Aldus miskende het hof dat (onder art. 17 Wna) de notaris het belang van de aannemer bij de vrijgave van het depot op grond van art. 7:768 lid 3 BW moest afwegen tegen het belang van de appartementseigenaren als opdrachtgever bij handhaving daarvan, bij welke belangenafweging aan de notaris (enige) beoordelingsruimte dient toe te komen. Volgens art. 13 van de, in rov. 3.8 genoemde, Algemene Voorwaarden Transformatie moest de notaris beoordelen of sprake was van een vervangende zekerheid. Vanwege zijn onpartijdige positie stond het de notaris als bewaarder/beheerder van het depot niet vrij om meer of andere eisen te stellen aan de ‘vervangende zekerheid’ dan die zijn voorgeschreven door de wet (art. 6:51 BW) of nader zijn bepaald in een overeenkomst.
e.
Daarnaast heeft het hof in rov. 3.5 t/m 3.12 ten onrechte en onbegrijpelijk geoordeeld en tot uitgangspunt genomen dat alle appartementseigenaren hebben gebruik gemaakt van hun bijzonder opschortingsrecht van art. 7:768 BW door ieder 5% van het op hun appartementsrecht betrekking hebbend bedrag bij de notaris in depot te storten en dat daarmee dus 5% van de totale aanneemsom in het depot is gestort wat zag ‘zowel op alle privégedeelten als op alle gedeelten van het gebouw die tot gezamenlijk gebruik waren bestemd’ (rov. 3.6), dat het onder de notaris staande depotbedrag aldus strekte tot ‘zekerheid van beide gedeelten’ en niet ter zake doet wat tussen de appartementseigenaren, vereniging van eigenaars en Woningborg in de garantieregeling is overeengekomen (rov. 3.9). Aldus heeft het hof immers blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de vraag of een inidividuele appartementseigenaar die als opdrachtgever deelgerechtigde is in een in appartementsrechten gesplist gebouw, het bijzondere opschortingsrecht van art. 7:768 BW kan doen gelden met betrekking tot ‘de gemeenschappelijke gedeelten’.
Weliswaar omvat een appartementsrecht volgens art. 5:106 lid 2 BW een aandeel in de gerechtigdheid tot het in de splitsing betrokken gebouw én het recht tot het uitsluitend gebruik van een bepaald gedeelte ervan (privégedeelte), maar de gerechtigden tot het appartementsrecht zijn gezamenlijk eigenaar van het hele gebouw en verwerven geen individueel eigendomsrecht van het door hen te gebruiken gedeelten van het gebouw, zodat zij niet individueel opdracht kunnen geven tot de bouw daarvan en uitsluitend samen met de aanstaande medegerechtigden in het te bouwen appartementencomplex opdracht kunnen geven tot de bouw van het gebouw waarin zij een aandeel hebben. Zoals de notaris heeft aangevoerd,9. hadden de appartementseigenaren dus geen eigen ‘recht’ ten aanzien van de oplevering en de afbouw van ‘gemeenschappelijke gedeelten’, en konden zij alleen samen met alle medegerechtigden in de vereniging van eigenaars daartoe opdracht geven. Anders dan het hof in rov. 3.9 ten onrechte oordeelde, is aldus voor uitoefening van hun opschortingsrecht van art. 7:768 BW dan wel relevant wat de appartementseigenaren, de aannemer en Woningborg terzake zijn overeengekomen in de aannemingsovereenkomsten en de Algemene Voorwaarden Transformatie over het depot en de bankgarantie voor oplevering van de ‘privé-gedeelten’ is bepaald (rov. 2.3), in samenhang met de bepalingen van de garantieregeling van Woningborg zelf waarin iedere individuele appartementseigenaar voor zijn ‘privé-gedeelte’ en de Vereniging van Eigenaars voor oplevering van de ‘gemeenschappelijke gedeelten’ was verzekerd (rov. 2.2). 's Hofs oordelen en uitgangspunt in rov. 3.6 e.v. dat alle appartementseigenaren onder art. 7:768 BW met depotstorting bij de notaris hun opschortingsrecht ook uitoefenden met betrekking tot alle gemeenschappelijke delen van het gebouw en ongeacht wat zij daarover met de aannemer en Woningborg zijn overeengekomen, zijn derhalve onjuist.
Althans zijn deze oordelen onbegrijpelijk in het licht van het hiervóór bedoeld verweer, samengevat, dat hun depots volgens de inhoud van de aannemingsovereenkomsten, de algemene voorwaarden en de garantieregeling van Woningborg alleen zagen op de ‘privé-gedeelten’ en niet op de oplevering en afbouw van de ‘gemeenschappelijke gedeelten’ waarvoor volgens deze documenten uitsluitend de Vereniging van Eigenaars optrad.
f.
Waar 's hofs oordelen in rov. 3.10, samengevat, dat de notaris niet onrechtmatig had gehandeld als hij ‘de appartmentseigenaren naar behoren had voorgelicht over de omstandigheid dat de zekerheid die zij aan de bankgarantie konden ontlenen illusoir was en dat de appartementseigenaren niettemin met de vrijgave van het depot hadden ingestemd’ voortbouwen op de ONDER 2.A T/M 2.E bestreden oordelen in rov. 3.5 t/m 3.9, kunnen bij gegrondheid van daarin aangevoerde klachten ook deze oordelen niet in stand blijven (omdat de aan de bankgarantie te ontlenen zekerheid onder de daarin gestelde voorwaarden ook naar de stand van het in 2015 en 2016 geldende ongeschreven recht niet ‘illusoir’ was).
Voor zover het hof in rov. 3.10, in verbinding met rov. 3.7, van oordeel was dat onder art. 7:768 BW de notaris de appartementseigenaren niet naar behoren heeft voorgelicht door hen over het bestaan van de bankgarantie te informeren zonder de (tekst van de) bankgarantie te verstrekken, stelde het hof gelet op het bepaalde in artt. 21 en 25 Wna te strenge eisen aan de informatieplicht van de notaris als projectnotaris en bewaarder/ beheerder van het depot en getuigt het arrest daarom van een onjuiste rechtsopvatting. Aldus miskende het hof dat de notaris, naar de maatstaven die golden ten tijde van de vrijgave van het depot, op grond van zijn belangenafweging (art. 17 Wna) onder de gegeven omstandigheden de bankgarantie van [betrokkene 1] kon en ook mocht aanmerken als voldoende (gelijkwaardige) ‘vervangende zekerheid’ als bedoeld in art. 7:768 lid 3 BW en hij daarom de vrijgave niet hoefde te weigeren. In deze situatie mocht de notaris als beheerder (art. 25 Wna) ermee volstaan de appartementseigenaren alleen te informeren over het bestaan van de bankgarantie als ‘vervangende zekerheid’, zonder eerst met hen te overleggen over de inhoud en zonder de (tekst van de) bankgarantie te verstrekken. Nu art. 7:768 lid 3 BW voorschrijft dat de notaris het in depot gestort bedrag in de macht van de aannemer brengt voor zover de opdrachtgever daarin toestemt óf de aannemer vervangende zekerheid stelt, was, anders dan het hof in rov. 3.10 oordeelt, niet vereist dat de notaris de inhoud van de bankgarantie aan de appartementseigenaren eerst had moeten voorleggen en zij niettemin met de vrijgave van het depot hadden ingestemd. Zoals in deze procedure aangevoerd,10. trad de notaris volgens art. 12 van de — in rov. 3.8 vermelde — algemene voorwaarden bij de aannemingsovereenkomsten als bewaarder van de bankgarantie op en moest hij als ‘bewaarder’ beoordelen of deze bankgarantie aan de wet en de in art. 13 van die algemene voorwaarden gestelde eisen zou voldoen. Volgens deze voorwaarden diende de aannemer, en niet de notaris, een kopie van de bankgarantie aan de appartementseigenaren te sturen (art. 12 lid 2.a; rov. 2.3 arrest). Dat de notaris volgens het hof hen niet naar behoren heeft voorgelicht, is aldus onjuist.
Althans zijn deze oordelen onbegrijpelijk in het licht van het hiervóór bedoeld verweer van de notaris en van de door het hof in aanmerking genomen artt. 12 en 13 (rov. 3.8).
g.
Ten onrechte heeft hof in rov. 3.11 geoordeeld dat zijn (juiste) oordeel dat de notaris heeft gehandeld als redelijk handelend en redelijk bekwaam notaris en de belangen van de appartementseigenaren zich had aangetrokken door de bank vóór het vervallen van de bankgarantie te verzoeken uit te keren dan wel deze te verlengen (rov. 2.14),11. niet eraan afdoet dat de notaris het depotbedrag niet tegen de verstrekte bankgarantie aan [betrokkene 1] had mogen uitbetalen. Voor zover dit oordeel voortbouwt op de ONDER 2.A T/M 2.H bestreden oordelen in rov. 3.5 t/m 3.10, kan ook dit oordeel bij gegrondheid van de daar aangevoerde klachten niet in stand blijven.
Daarnaast, of althans, heeft het hof in rov. 3.11 met zijn hier bestreden oordeel miskend dat de notaris in het kader van zijn causaliteitsverweer op de voet van art. 6:98 BW12. heeft aangevoerd dat de door de appartementseigenaren geleden schade als gevolg van de vrijgave van de depots tegen de door [betrokkene 1] gestelde bankgarantie hem niet is toe te rekenen omdat hij — volgens het, onbestreden, oordeel van het hof: terecht — de bank vóór het vervallen van de bankgarantie herhaaldelijk heeft verzocht de bankgarantie te laten uitkeren dan wel te verlengen waaraan de bank heeft geweigerd medewerking te verlenen. In het licht van dat verweer heeft het hof tegenover het handelen van de notaris tot vrijgave van het depot ten onrechte in zijn arrest geen gewicht toegekend aan de situatie dat de notaris vóór het verstrijken van de bankgarantie ten behoeve van de appartmentseigenaren de bank juist had verzocht deze uit te betalen of te verlengen; zie hierover nader ONDER 3.B.
Onderdeel 3: het hof heeft ten onrechte en onbegrijpelijk de notaris veroordeeld tot schadevergoeding
3 a.
Daarmee, of althans, heeft het hof in rov. 3.16 t/m 3.22 ten onrechte geoordeeld dat de door het handelen van de notaris geleden schade van de appartementseigenaren, waarvoor Woningborg is gesubrogeerd, bestaat uit ‘het verlies van zekerheid in de vorm van het 5%-depot van de aanneemsom op de kwaliteitsrekening van de notaris’ welke schade de appartementseigenaren tot het door de notaris aan [betrokkene 1] uitbetaald bedrag van € 419.560,-- niet op het depot en de bankgarantie hebben kunnen verhalen en zij hun ‘afbouwschade’ na faillissement van [betrokkene 1] daarmee niet hebben kunnen verrekenen. Gegrondbevinding van klachten van middelonderdelen 1 en/of 2 brengt mee dat de oordelen en beslissing tot (hoofdelijke) veroordeling van de notaris aan Woningborg de door de appartementseigenaren geleden schade ad € 419.650,-- te betalen, niet in stand kunnen blijven en het arrest ook (of althans) in zoverre moet worden vernietigd.
b.
Daarnaast is het hof in rov. 3.17 e.v. dan ook, om de ONDER 2 aangevoerde redenen, bij beoordeling van de gevorderde schadevergoeding ten onrechte ervan uitgegaan dat het ‘vrijgeven van het depot zonder vervangende zekerheid’ heeft plaatsgevonden (rov. 3.17) nu de vrijgave van het depot geschiedde tegen de door [betrokkene 1] gestelde bankgarantie die tot het verstrijken van de daarin opgenomen vervaltermijn naar de toen heersende rechtsopvatting kwalificeerde als een ‘vervangende zekerheid’ in art. 7:768 lid 3 BW.
Op grond van dit, rechtens onjuiste en onbegrijpelijk, oordeel concludeerde het hof ten onrechte, als zodanig en zonder meer, dat de appartementseigenaren de ‘afbouwschade’ niet met de depots hebben kunnen verrekenen in het faillissement van [betrokkene 1], zij zich niet op het depot hebben kunnen verhalen en zij evenmin hun schade tot beloop van het vrijgegeven depot hebben kunnen verhalen op de bankgarantie, welk ‘verlies aan verhaalsmogelijkheid’ volgens het hof in causaal verband (condicio-sine-qua-non) staat met de normschending(en) van de notaris en aan hem als gevolg daarvan kan worden toegerekend (rov. 3.17). In deze oordelen heeft het hof ten onrechte niet, dan wel op een uit de gegeven motivering niet (voldoende) kenbare wijze, betrokken het verweer van de notaris dat causaal verband ontbreekt tussen de door Woningborg gevorderde schade — van de appartementseigenaren — en het accepteren van de bankgarantie — met de vrijgave van het depot, c.q. uitbetaling van hun depotbedragen in december 2015 — nu ondanks de herhaalde verzoeken van de notaris als bewaarder van de bankgarantie ten behoeve van de appartementseigenaren vóór het verstrijken van de bankgarantie, de bank heeft geweigerd om deze bankgarantie uit te keren dan wel te verlengen.13.
Als het hof van oordeel was dat dit verweer van de notaris uitsluitend betrekking had op de onrechtmatigheid van zijn handelen (rov. 3.11), is 's hofs oordeel onbegrijpelijk (zie hiervóór ONDER 2.G). Indien het hof dit verweer van de notaris als niet relevant buiten beschouwing heeft gelaten, getuigt dat oordeel van een onjuiste rechtsopvatting omdat het hof alsdan heeft miskend dat de gestelde weigering van de bank om aan de uitbetaling of verlenging van de bankgarantie mee te werken, onder art. 6:98 BW kan meebrengen dat het vereiste causaal verband ontbreekt tussen de normschending(en) van de notaris bij vrijgave van het depot — als gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust — en het gestelde ‘verlies aan verhaalsmogelijkheid’ voor de appartementseigenaren — om hun afbouwschade met het depot te verrekenen of zich op het depot te verhalen — omdat die ‘schade’ in de gegeven omstandigheden dan niet de notaris is toe te rekenen.
Althans is in het licht van zijn causaliteitsverweer in rov. 3.17 e.v. onbegrijpelijk dat en waarom het hof van oordeel was dat, ondanks deze door de notaris gestelde weigering van de bank om binnen de vervaltermijn de bankgarantie uit te betalen of te verlengen, de normschending(en) van de notaris op grond van art. 6:98 BW in (voldoende) causaal verband staan met het ‘verlies aan verhaalsmogelijkheid’ om dit dan ook aan de notaris te kunnen toerekenen. Dit oordeel is, zonder nadere motivering die evenwel ontbreekt, des te meer onbegrijpelijk met inachtneming van zijn, onbestreden, oordeel in rov. 3.11 dat dat de notaris (voor het verstrijken van de vervaltermijn van de bankgarantie) heeft gehandeld als een ‘redelijk handelend en redelijk bekwaam notaris’ en de belangen van de appartementseigenaren zich juist heeft aangetrokken door vóór het vervallen van de bankgarantie bij de bank erop aan te dringen deze uit te keren dan wel te verlengen.
c.
Voorts heeft het hof in rov. 3.16 t/m 3.18 en 3.22 ten onrechte, op de wijze en gronden als het in rov. 3.18 deed, verworpen het verweer van de notaris dat de schade aan de zijde van de appartementseigenaren nog niet vaststaat in het licht van het beroep van Woningborg op art. 3:40 BW (en art. 6:248 lid 2 BW). Immers, met zijn oordeel dat niet kan worden geoordeeld ‘dat de bankgarantie, op zichzelf bezien, door inhoud of strekking in strijd is met de goede zeden, openbare orde of met een dwingende wetsbepaling’ omdat volgens het hof de omstandigheid dat de bankgarantie geen vervangende zekerheid behelsde, niet meebrengt dat de garantie als zodanig in strijd is met art. 3:40 BW, bouwde het hof ten onrechte voort op de ONDER 2 bestreden oordelen in rov. 3.5 t/m 3.12 waardoor dit oordeel bij gegrondheid van de daar aangevoerde klachten niet in stand kan blijven.
Daarnaast getuigt dit oordeel van het hof in rov. 3.18 van een onjuiste rechtsopvatting omdat de omstandigheid dat de bankgarantie geen ‘vervangende zekerheid’ in de zin van art. 7:768 lid 3 (in verbinding met art. 6:51) BW behelst, juist kan betekenen dat de voorwaarden in de bankgarantie, zoals hier de vervaltermijn of de bindende uitspraakeis,14. niet strookt met de dwingende bepaling van art. 7:768 BW waarvan ‘niet ten nadele van de opdrachtgever worden afgeweken’ (art. 7:769 BW). Dat de bankgarantie niet als een ‘vervangende zekerheid’ voldoet aan de eisen van de artt. 7:768 lid 3 BW en 6:51 lid 2 BW, betekent nog niet dat de bankgarantie als zodanig niet rechtsgeldig is (c.q. niet bestaat). Anders dan het hof oordeelde, gaat het er niet om dat de bankgarantie strijdig is met art. 3:40 BW, maar dat de inhoud daarvan c.q. de voorwaarde strijdig is met art. 7:768 als dwingende wetsbepaling en om die reden, partieel, vernietigbaar is (art. 3:40 lid 2 BW).
Aldus heeft het hof het beroep van Woningborg op art. 3:40 BW in rov. 3.18 rechtens onjuist beoordeeld, zodat het hof dit verweer van de notaris om de daar vermelde redenen niet heeft kunnen verwerpen.
Gegrondbevinding van (één of meer klachten van) deze middelonderdelen betekent dat wat het hof in het arrest voor het overige in rov. 3.1 t/m 3.12 en rov. 3.16 t/m 3.22 heeft geoordeeld en beslist, en het daarop voortbouwende dictum, niet in stand kan blijven.
Mitsdien
het de Hoge Raad behage om het onder nummer 200.246.699/01 op 28 januari 2020 gewezen en uitgesproken arrest van het gerechtshof Amsterdam, afdeling civiel recht en belastingrecht, team I, voor zover gewezen in het geding tussen Woningborg en de notaris te vernietigen, met zodanige verdere voorziening, mede ten aanzien van de proceskosten in alle instanties, zoals de Hoge Raad in goede justitie geraden voorkomt.
Den Haag, 28 april 2020
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 28‑04‑2020
Zie naast de in voetnoot 3 vermelde vindplaatsen in de gedingstukken zijdens de notaris o.m. CvA nr. 3.18 t.a.v. in ieder geval verkrijger ‘Stichting Reunion de la Reine’ (totaal € 93.150,--).
Zie o.m. CvA nrs. 1.4, 3.1; pleitnota in eerste aanleg nr. 2.1 sub 1; MvA nr. 2.6 sub 2, 2.50, 2.52; pleitnota in hoger beroep nrs. 3.3 sub 2, 4.2 en 4.3.
Zie o.m. CvA nrs. 1.4, 3.1 t/m 3.10, 3.19, 3.24; pleitnota in eerste aanleg nrs. 2.1 sub 2 en 6; MvA nrs. 2.6 sub 2 en 3, 2.15–2.16, 2.25, 2.43–2.44, 2.52; pleitnota in hoger beroep nr. 3.3 sub 3.
Zie o.m. CvA nr. 5.13: ‘Uit dat laatste volgt dat het de bedoeling is geweest van [betrokkene 1] dat — zelfs na vijf maanden vanaf oplevering — de bankgarantie verlengd wordt voor de nog niet afgehandelde opleverpunten.’
Wet van 15 mei 2019 tot wijziging van de Woningwet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en het Burgerlijk Wetboek in verband met de invoering van een nieuw stelsel van kwaliteitsborging voor het bouwen en de versterking van de positie van de bouwconsument, Stb. 2019/382.
Zie o.m. CvA nr. 5.12: ‘[betrokkene 1] heeft [de notaris] aldus het beeld voorgehouden dat de bankgarantie ongeveer vijf maanden na oplevering geldig zou blijven. Dit is dus ongeveer twee maanden langer dan het in art. 7:768 lid 2 weergegeven 5-% opschortingsrecht van drie maanden en twee maanden langer dan de door Woningborg in art. 14 lid 1 Algemene Voorwaarden Transformatie opgenomen herstelmogelijkheid door de aannemer van drie maanden.’
Wet van 3 april 1999, houdende wettelijke regeling van het notarisambt, mede ter vervanging van de Wet van 9 juli 1842, Stb. 20, op het Notarisambt en de Wet van 31 maart 1847, Stb. 12, houdende vaststelling van het tarief betreffende het honorarium der notarissen en verschotten (Wet op het notarisambt).
Zie o.m. CvA nrs. 4.1 e.v.; pleitnota in eerste aanleg nr. 3.1; MvA nrs. 2.28: ‘het zijn immers de individuele verkrijgers tezamen met [betrokkene 1] — en niet Woningborg — die [de notaris] die taak hebben toebedeeld’, 2.29 : ‘(…) dat een notaris primair de belangen van de opdrachtgever (i.c. verkrijgers die handelen als consument) in het oog moet houden in het geval de notaris uitvoering geeft aan de 5% depotregeling en de toetsing van de bankgarantie als vervangende zekerheid (art. 7:768 BW)’, 2.30 t/m 2.36 (art. 21 Wna), 2.36 t/m 2.41 (zorgplicht als bewaarder; art. 25 jo. 17 Wna); pleitnota in hoger beroep nrs. 5.1 t/m 5.5.
Zie hiervoor de in voetnoot 3 vermelde vindplaatsen in de gedingstukken zijdens de notaris (in en bij ONDERDEEL 1.C).
Zie naast de in voetnoot 8 vermelde vindplaatsen in de gedingstukken zijdens de notaris hier o.m. CvA nr. 2.5 t/m 2.12, 4.3–4.4, 5.6 t/m 5.13, 5.18 e.v.; MvA 2.36 t/m 2.41.
Zie o.m. CvA nrs. 2.11 en 4.4 onder aanhaling van zijn brief van 20 mei 2016 (prod. 12 bij dagvaarding) en lagere rechtspraak.
Zie o.m. CvA nrs. 2.11, 4.4, 5.1–5.2, 5.14 t/m 5.26, 6.2 en 6.3; pleitnota in eerste aanleg nr. 3.1 sub 3.
Zie hiervoor de in voetnoot 12 vermelde vindplaatsen in de gedingstukken zijdens de notaris.
Zie o.m. CvA nr. 5.21 en MvA nr. 2.42.