Beperkte rechten op eigen goederen
Einde inhoudsopgave
Beperkte rechten op eigen goederen (O&R nr. 132) 2022/3.3.6:3.3.6 BGH 14 juli 2011, BGHZ 190, 267
Beperkte rechten op eigen goederen (O&R nr. 132) 2022/3.3.6
3.3.6 BGH 14 juli 2011, BGHZ 190, 267
Documentgegevens:
mr. R.J. ter Rele, datum 01-10-2021
- Datum
01-10-2021
- Auteur
mr. R.J. ter Rele
- JCDI
JCDI:ADS491091:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht / Testamenten
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht (V)
Erfrecht / Gevolgen erfopvolging
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
31. Het Bundesgerichtshof heeft in een uitspraak van 14 juli 2011 het vereiste laten vallen dat een eigenaar belang moet hebben bij de vestiging ten gunste van hemzelf van een beperkt recht op zijn eigen onroerende zaak. Een eigenaar kan ten gunste van zichzelf een beperkt recht vestigen op zijn eigen onroerende zaak zonder dat hij hoeft te bewijzen dat hij daarbij belang heeft. De uitspraak gaat over de vestiging van een Nießbrauch (recht van vruchtgebruik) ten gunste van de eigenaar.
Een schuldeiser laat op 24 maart 2010 een Zwangssicherungshypothek vestigen op een onroerende zaak. Met zo’n hypotheek kan een schuldeiser die beschikt over een executoriale titel, verhaal nemen op de bezwaarde zaak.1 De Zwangsicherungshypothek is het Duitse equivalent van beslag op een onroerende zaak. De eigenaar van de bezwaarde zaak heeft op 26 februari 2010 ten gunste van zichzelf een Nießbrauch op die zaak gevestigd. De schuldeiser vordert dat de Nießbrauch in het Grundbuch wordt doorgehaald. Het Bundesgerichtshof wijst die vordering af.
Het rechtscollege overweegt dat een eigenaar op zijn eigen zaak een Nießbrauch kan vestigen ten gunste van zichzelf. Weliswaar bepaalt de wet niet dat vestiging van een Nießbrauch ten gunste van de eigenaar mogelijk is. Maar §889 BGB maakt duidelijk dat de wet het bestaan van beperkte rechten op een eigen onroerende zaak niet verbiedt. Volgens die bepaling gaan beperkte rechten op onroerende zaken niet door vermenging teniet. §873 BGB staat evenmin aan vestiging in de weg. Die bepaling schrijft voor dat Einigung tussen twee personen vereist is voor de vestiging van een beperkt recht. Het voorschrift heeft slechts tot doel te voorkomen dat iemand tegen zijn wil een beperkt recht verkrijgt, aldus het Bundesgerichtshof.
Anders dan in de eerdere rechtspraak werd aangenomen, behoeft de eigenaar niet te bewijzen dat hij een gerechtvaardigd belang heeft bij de vestiging van een beperkt recht op zijn eigen zaak ten gunste van hemzelf. Bij de vestiging van een Eigentümergrundschuld hoeft dat ook niet: dit beperkte recht kan worden gevestigd zonder dat het doel van de vestiging hoeft te worden verklaard (§1196 BGB). De enkele mogelijkheid dat zo’n belang er kan zijn, is voldoende.2 Het is vaak moeilijk te bewijzen of een gerechtvaardigd belang voor de vestiging aanwezig is. Daarom zou het vereisen van bewijs aanleiding geven tot rechtsonzekerheid. Jarenlang zou onzeker kunnen zijn of het beperkte recht geldig is gevestigd. Het rechtsverkeer voor onroerende zaken is volgens het Bundesgerichtshof gebaat bij heldere en zekere rechtsverhoudingen.
Ten slotte verwerpt het gerecht het argument dat schuldeisers moeilijker verhaal zouden kunnen nemen als een eigenaar ten gunste van zichzelf beperkte rechten op zijn eigen zaak kan vestigen, zonder dat daarvoor een belang hoeft te bestaan. Dat gevaar bestaat evenzeer bij de Eigentümergrundschuld. Desalniettemin kan dat beperkte recht ten gunste van de eigenaar gevestigd worden. Schuldeisers kunnen de vestiging van beperkte rechten ‘aanvechten’ als zij daardoor worden benadeeld (§3 AnfG). Die aanvechting is het Duitse equivalent van de actio Pauliana.
De uitspraak is in de Duitse literatuur met instemming ontvangen.3 Het Bundesgerichstshof heeft zijn oordeel bevestigd in een uitspraak van 18 december 2015.4