Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/2.III.B.3
3. Staatsbosbeheer
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS474968:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 11 september 1997, Stb. 1997, 514 (Wet verzelfstandiging Staatsbosbeheer).
Zie tevens het besluit van 15 december 1997, Stb. 1997, 678.
Wet van 13 juli 2002, Stb. 2002, 413.
Kamerstukken II 1995/1996, nr. 2, p. 2.
Zie tevens J.C. van Straaten, Wegwijs in de overdrachtsbelasting, onderdeel 7.24. Overigens zou ook vóór 1 januari 1998 op verzoek en onder voorwaarden over verkrijgingen van natuurschoon alsmede over verkrijgingen van bepaalde daarop aanwezige bedrijfsondersteunende onroerende zaken geen overdrachtsbelasting verschuldigd geweest zijn op grond van het bepaalde in punt 16 resolutie van 27 december 1988, nr. IB/1988/1084 (Infobull. 89/113; PW 19 655), jo. de beleidspublicatie (Infobull. 91/543; PW 20 035), aldus de MvT op het wetsvoorstel Tweede Kamer, Kamerstukken II 1995/96, 24 622, nr. 3, V‑N 1997, p. 1268, punt 19.
Ontleend aan: Fiscale Encyclopedie De Vakstudie Belastingen van rechtsverkeer, aant. 2 (Lid 1 onderdeel u) bij: Wet op belastingen van rechtsverkeer, artikel 15. Zie tevens FBN 1996/33.
Bij wet van 11 september 19971 is artikel 15, lid 1 WBR verrijkt met onderdeel u. Deze nieuwe vrijstelling geldt vanaf 1 januari 1998, het tijdstip waarop de verzelfstandiging van Staatsbosbeheer een feit is.2 Vanaf dat moment vielen verkrijgingen door Staatsbosbeheer niet langer (direct) onder de vrijstelling van onderdeel c, aangezien de verzelfstandiging ervoor heeft gezorgd dat Staatsbosbeheer niet langer een onderdeel van het Ministerie van (thans) Economische Zaken is, maar een rechtspersoon met een wettelijke taak (RWT) als bedoeld in artikel 91, lid 1, sub d van de Comptabiliteitswet 2001.3 Op de achtergronden van de verzelfstandiging van Staatsbosbeheer wordt in de memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel nader ingegaan.4
De vrijstelling heeft betrekking op de verkrijging door Staatsbosbeheer van de objecten die genoemd zijn in artikel 1, onderdeel e, van deze wet, te weten een:
“terrein, gebouw, complex van gebouwen, of water, dan wel een combinatie van één of meer terreinen, gebouwen, complexen van gebouwen of een of meer waters, met bestaande dan wel potentieel aanwezige natuurwetenschappelijke, bosbouwkundige, landschappelijke, recreatieve, archeologische, aardkundige of cultuurhistorische waarden, dan wel met die waarden verband houdende bestaande of potentieel aanwezige educatieve waarden.”5
Bijkomende voorwaarde is dat het natuurschoon, zoals hiervoor bedoeld, niet betreft (de daarop aanwezige) bedrijfsondersteunende onroerende zaken. Sinds de verzelfstandiging wordt de verkrijging van bedrijfsondersteunende onroerende zaken derhalve gewoon in de heffing van overdrachtsbelasting betrokken.6 Deze laatste term is noch in de wetgeving, noch in de parlementaire geschiedenis nader gedefinieerd. Ook literatuur en jurisprudentie zwijgen in alle toonaarden. Een taalkundige uitleg ligt derhalve voor de hand: alle onroerende zaken die als bedrijfsmiddel ingezet worden door Staatsbosbeheer. Deze omschrijving dekt mijns inziens de lading.
Afgezet tegen de vrijstelling van onderdeel u valt deze inperking van de onder de vrijstelling vallende onroerende zaken direct op: bij T worden er, sinds 1 januari 2007, geen nadere voorwaarden gesteld: het civielrechtelijkeartikel 3:3 BW is leidend. Voor een verkrijging door Staatsbosbeheer worden, wanneer de vrijstelling van onderdeel u wordt ingezet, zoals hierboven beschreven, niet alle soorten onroerende zaken gefaciliteerd.
Voor het overige is de vrijstelling, net als bij onderdeel 1 het geval is, niet aan nadere voorwaarden gebonden. Ook opstallen (niet zijnde bedrijfsondersteunende onroerende zaken) kunnen derhalve meeprofiteren van de vrijstelling.
Net als hiervoor geconstateerd voor verkrijgingen door het BBL, is er ook als Staatsbosbeheer onroerende zaken via een kavelruil verkrijgt, geen noodzaak om een beroep te doen op de vrijstelling van onderdeel u. Eventueel zou een dergelijk beroep wel subsidiair gedaan kunnen worden, mochten er in fiscalibus problemen optreden ten aanzien van een of meer transactie(s) binnen de kavelruil, maar zoals in onderdelen C.4 en verder van het vorige hoofdstuk betoogd is de kans op dergelijke fiscale complicaties thans minimaal.