Einde inhoudsopgave
Personentoetsingen in de financiële sector (O&R nr. 127) 2021/8.6.1
8.6.1 Sancties
mr. drs. I. Palm-Steyerberg, datum 01-03-2021
- Datum
01-03-2021
- Auteur
mr. drs. I. Palm-Steyerberg
- JCDI
JCDI:ADS268530:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Europees financieel recht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 5.6.2.1 Tuchtreglement. In het Belgische tuchtrecht wordt overigens in vergelijkbare sancties voorzien, waaronder een schorsing voor de duur van één jaar. Ook kan een beroepsverbod worden opgelegd. De tuchtrechter is daarbij niet aan een termijn gebonden (art. 13 van het Belgische wetsvoorstel).
Art. 1:75, eerste lid, Wft.
Anders dan bij de betrouwbaarheidstoets geldt dat geschiktheid situationeel wordt beoordeeld. Getoetst wordt of een persoon geschikt is voor een specifieke functie, bij een specifieke bank. Is dat niet het geval, dan laat dit de geschiktheid voor andere functies in de sector in beginsel onverlet. In de praktijk zal echter ook een negatief geschiktheidsoordeel vergaande consequenties kunnen hebben voor betrokkene. Zie hierover bijvoorbeeld G.P. Roth & J. Roepnarain, ‘De toetsing van bestuurders en commissarissen door DNB en de AFM. Beschouwingen vanuit de theorie én de praktijk’, in: M. Lückerath-Rovers e.a. (red.), Jaarboek Corporate Governance 2015-2016, Deventer: Kluwer 2017, p. 87 en 88. Zie ook hoofdstuk 7, par. 7.7.1.
Art. 5.3.6 Tuchtreglement.
Zie hoofdstuk 7, par. 7.8.
Wel zal de tuchtrechter, indien hij daarmee bekend is, rekening houden met eerder onderzoek of door de toezichthouder opgelegde sancties, zie art. 2.2.4 Tuchtreglement.
Acht de Tuchtcommissie een klacht gegrond, dan kan zij een maatregel opleggen in de vorm van een verplicht te volgen opleiding, een berisping, een boete van maximaal 25.000 euro of een “beroepsverbod”. Onder dit verbod wordt verstaan een aanwijzing aan de betreffende bankmedewerker om niet langer werkzaam te zijn in de bancaire sector, of in bepaalde gedeelten van die sector of functies daarin. De duur van dit beroepsverbod is bepaald op een periode van maximaal drie jaar.1
Stellen de toezichthouders vast dat de betrouwbaarheid of de geschiktheid niet langer aan de wettelijke eisen voldoet, dan volgt in de praktijk een zogenaamde aanwijzing tot heenzending.2 Deze maatregel houdt in dat de toezichthouder de instelling verplicht om een bepaalde gedragslijn te volgen, meestal inhoudende dat de betrokken persoon niet langer werkzaam kan zijn als (dagelijks) beleidsbepaler of interne toezichthouder bij de betrokken bank. De aanwijzing tot heenzending kan daarmee eenzelfde effect sorteren als het tuchtrechtelijk beroepsverbod.
Wel zijn er enkele verschillen. Waar na drie jaar het beroepsverbod vervalt zal het aanwijzingsbesluit in beginsel gelding hebben voor onbepaalde tijd. Ook kan het tuchtrechtelijk beroepsverbod zich niet uitstrekken tot functies buiten de bancaire sector, terwijl een heenzending gebaseerd op een negatief betrouwbaarheidsoordeel in de weg zal staan aan het vervullen van elke andere toetsbare functie in de financiële sector. De betrouwbaarheidsnormen zijn in Nederland namelijk voor alle instellingen in de financiële sector (verzekeraars, beleggingsinstellingen, beleggingsondernemingen, pensioenfondsen, trustkantoren) gelijk. Het effect van de heenzending wegens een negatief betrouwbaarheidsoordeel zal dus niet tot de bancaire sector beperkt blijven. En ook wanneer de heenzending is gebaseerd op een negatief geschiktheidsoordeel, wat in beginsel “slechts” betekent dat betrokkene de specifieke functie niet langer mag uitoefenen waar de toetsing betrekking op heeft gehad, kunnen de effecten van een dergelijk oordeel in de praktijk een stuk ingrijpender zijn. Financiële ondernemingen, ook buiten de bancaire sector, kunnen huiverig zijn om een kandidaat-bestuurder voor te dragen waar de toezichthouder eerder niet positief over heeft geoordeeld.3 In die zin kan het optreden van de toezichthouder voor betrokkene verder strekkende gevolgen hebben.
Daarnaast is een opvallend verschil dat de tuchtrechter bevoegd blijft tot het opleggen van het beroepsverbod, ook wanneer de betreffende bankmedewerker niet langer in de bancaire sector werkzaam is. Beslissend is of de gedraging plaatsvond in de periode dat betrokkene werkzaam was bij de bank.4 De toezichthouder daarentegen is in een dergelijke situatie niet langer tot het opleggen van een aanwijzing tot heenzending bevoegd. Wanneer de persoon niet langer bij de bank werkzaam is, kan deze immers feitelijk niet meer worden heengezonden. Bovendien is met zijn vertrek een einde gekomen aan de overtreding van de geschiktheids- en/ of betrouwbaarheidsbepalingen, en daarmee is de toezichthouder niet langer tot deze maatregel bevoegd. Wel zou de toezichthouder in een dergelijk geval nog kunnen kiezen voor het functieverbod. Tot op heden heeft de toezichthouder van dit instrument echter nog geen gebruik gemaakt.
In de praktijk leidt een ongunstige uitkomst van een hertoetsingsonderzoek er nogal eens toe dat de bestuurder of commissaris in kwestie zichzelf terugtrekt, of wordt teruggetrokken. Dit onder meer ter voorkoming van reputatieschade en mogelijk ook om het dossier te kunnen sluiten. Een procedure over de eigen geschiktheid of betrouwbaarheid kost immers niet alleen tijd en geld maar zal ook, door het persoonlijke karakter ervan, niet in de koude kleren gaan zitten.5 Het sluiten van het boek met de toezichthouder, kan echter een tuchtrechtelijke procedure niet per definitie voorkomen.6