De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/5.3.4:5.3.4 Recht op extra ondersteuning voor studenten met een beperking
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/5.3.4
5.3.4 Recht op extra ondersteuning voor studenten met een beperking
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949305:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 40, derde lid, van de Wpo, artikel 8.9 van de Wvo 2020 en artikel 8.1.3a van de Web. Wet passend onderwijs (Stb. 2012, 533).
Artikel 8, vierde lid, van de Wpo, artikel 2.41 van de Wvo 2020.
Artikel 13 van de Wpo en artikel 2.92, tweede lid, onder b, van de Wvo 2020.
Artikel 8, vijfde lid, van de Wpo en artikel 2.4, tweede lid, van de Wvo 2020.
Kamerstukken II 2011/12, 33 106, nr. 3, p. 16.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Leerlingen met een beperking hebben recht op extra ondersteuning. Uit artikel 2 van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte vloeit immers een algemene plicht voort om naargelang de behoefte doeltreffende aanpassingen te verrichten voor personen met een handicap of chronische ziekte, tenzij deze aanpassingen een onevenredige belasting vormen. Het bevoegd gezag en de leraar moeten dan ook actief aanpassingen doorvoeren ten behoeve van een leerling met een beperking om niet in strijd te handelen met de hiervoor genoemde bepaling. In de Wpo, Wvo 2020 en de Web is hiertoe met de Wet passend onderwijs een zorgplicht voor het bevoegd gezag opgenomen.1 Bij de aanmelding van de leerling dient het bevoegd gezag te bepalen of de leerling behoefte heeft aan extra ondersteuning. De ouders of de leerling dienen hiertoe gegevens te overleggen over de beperking van het kind. Het bevoegd gezag kan na overleg met de ouders of de leerling tot de conclusie komen dat de leerling geweigerd moet worden, in dat geval dient het bevoegd gezag ervoor te zorgen dat een andere school bereid is de leerling toe te laten. Uit de Wet passend onderwijs vloeit voor het primair en voortgezet onderwijs voort dat het onderwijs zodanig moet zijn ingericht dat aan leerlingen met een extra ondersteuningsbehoefte individuele begeleiding wordt geboden, die is afgestemd op de behoeften van de leerling.2 Hierover treedt het bevoegd gezag zo nodig in overleg met bijvoorbeeld een zorgaanbieder. In de hiervoor genoemde sectoren wordt de wijze waarop extra ondersteuning wordt geboden aan leerlingen met een beperking uitgewerkt in de schoolgids.3 Daarnaast moet het bevoegd gezag elke vier jaar een ondersteuningsprofiel vaststellen waaruit blijkt welke voorzieningen zijn getroffen voor leerlingen die extra ondersteuning behoeven.4 Die extra ondersteuning kan blijkens de memorie van toelichting bij de Wet passend onderwijs bijvoorbeeld bestaan uit speltherapie, observatie, onderzoek door een orthopedagoog of psycholoog, aangepast lesmateriaal (bijvoorbeeld met pictogrammen of braille), remedial teaching of begeleiding bij dyslexie.5 Ook kan dit bestaan uit ondersteuning van de leraar bij het geven van les aan verschillende leerlingen. Van de leraar mag immers verwacht worden dat hij het onderwijs aanpast aan de specifieke behoeften van zijn leerlingen.