Einde inhoudsopgave
De turboliquidatie van de BV (VDHI nr. 131) 2016/10.3
10.3 Bestuurdersaansprakelijkheid ex artikel 2:248 BW
mr. S. Renssen, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. S. Renssen
- JCDI
JCDI:ADS385076:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
N.B. In het reeds eerder aangehaalde ambtelijk wetsvoorstel Bestuur en Toezicht Rechtspersonen wordt voorgesteld de aansprakelijkheidsnorm nedergelegd in de artikelen 2:138 en 2:248 BW te verplaatsen naar de Faillissementswet. Als gevolg hiervan kunnen ook bestuurders van niet-commerciële stichtingen en verenigingen verkerend in faillissement onder omstandigheden aansprakelijk worden gesteld voor het boedeltekort. De (mogelijke) wetswijziging zal geen gevolgen hebben voor bestuurders van een BV. Zie ook: Renssen 2015-3, p. 8-11.
Zie paragraaf 11.3.1 voor een algemene uitwerking van artikel 2:248 BW.
Zie ook: Van den Ingh 1994, p. 814, Hagens 2011, p. 181-184 en Van de Streek e.a. 2012, onder 1.0.3.B.b.13 en paragraaf 8.3.2.
Wanneer een turbogeliquideerde BV failliet wordt verklaard, bestaat er een redelijke kans dat het faillissement bestuurdersaansprakelijkheid op grond van artikel 2:248 BW tot gevolg heeft.1 Op grond van artikel 2:248 BW kan het bestuur van een BV in geval van een faillissement hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor het boedeltekort. Wil de curator het bestuur van een BV hoofdelijk aansprakelijk stellen op grond van voormeld artikel, dan dient hij in beginsel drie zaken aan te tonen: het bestuur dient zijn taak kennelijk onbehoorlijk te hebben vervuld, het dient aannemelijk te zijn dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement en tot slot dient de onbehoorlijke taakvervulling plaats te hebben gevonden in de periode van drie jaren voorafgaand aan het faillissement. In het tweede lid van artikel 2:248 BW zijn twee bewijsvermoedens opgenomen: wanneer het bestuur niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit de artikelen 2:10 BW (de administratieplicht) of 2:394 BW (de jaarrekeningenplicht), heeft het zijn taak kennelijk onbehoorlijk vervuld en wordt vermoed dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is.2
Wanneer het een failliete turbogeliquideerde BV betreft, gaat artikel 2:248 BW – net als de faillissementspauliana – een merkwaardige rol spelen (paragraaf 10.3.1). Daarbij verdienen twee leden van artikel 2:248 BW bijzondere aandacht. Allereerst rijst de vraag hoe te oordelen over het bepaalde in het tweede lid (de bewijsvermoedens). Gedurende de periode tussen ontbinding en herleving is immers noch voldaan aan de jaarrekeningenplicht noch aan de administratieplicht, terwijl aan de herleving van een BV mijns inziens terugwerkende kracht wordt toegekend.3 Deze problematiek zal worden uitgewerkt in paragraaf 10.3.2. Daarnaast rijst de vraag of de driejaarstermijn ex artikel 2:248 lid 6 BW (de termijn waarbinnen het onbehoorlijk bestuur relevant blijkt) mag worden opgerekt wanneer een BV onterecht door middel van turboliquidatie blijkt te zijn ontbonden. Dit met het oog op het feit dat wellicht verzuimd is tijdig aangifte tot faillietverklaring te doen. Het antwoord op deze vraag wordt uitgewerkt in paragraaf 10.3.3.
10.3.1 Artikel 2:248 BW: een opmerkelijk artikel in geval van een turbogeliquideerde BV10.3.2 De bewijsvermoedens van artikel 2:248 lid 2 BW10.3.3 De driejaarstermijn ex artikel 2:248 lid 6 BW