Einde inhoudsopgave
De prioriteitsregel in het vermogensrecht (AN nr. 167) 2018/8.4
8.4 Prioriteit bij een colliderend vruchtgebruik
mr. L.M. de Hoog, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. L.M. de Hoog
- JCDI
JCDI:ADS385890:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie over de vestiging van een vruchtgebruik Asser/Bartels & Van Velten 5 2016/265, Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/684 en Snijders & Rank-Berenschot 2017/621.
Als object van het vruchtgebruik kunnen alle overdraagbare goederen dienen. Andere goederen dan roerende zaken en vorderingsrechten – men denke aan aandelen, effecten, auteursrechten en octrooirechten – blijven buiten beschouwing.
Dit betreft de definitie volgens art. 3:201 BW. De bevoegdheden van de vruchtgebruiker strekken zich tevens uit over het verbruik van verbruikbare zaken overeenkomstig art. 3:207 lid 1 BW alsmede het in overeenstemming met art. 3:212 BW vervreemden en bezwaren van de aan het vruchtgebruik onderworpen goederen.
Van het ontstaan van vruchtgebruik door verjaring zal slechts bij hoge uitzondering sprake zijn. Men denke met name aan het geval waarin een gebrek aan de vestiging kleeft. Zie Mellema-Kranenburg 1999, p. 18, Van Gaalen, diss. 2001/200 en Pitlo/ Reehuis & Heisterkamp 2012/683.
Van bezitsverschaffing van de zaak is geen sprake omdat de vruchtgebruiker slechts houder van de zaak wordt. Zie Berenschot, WPNR 1985/5730. Door Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/684 wordt opgemerkt dat de ‘bezitsverschaffing’ van het vruchtgebruik plaatsvindt zoals het bezit van de zaak zou worden verschaft.
Zie Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/681.
Zie over de collisie van een vruchtgebruik met een pandrecht Asser/Van Mierlo 3-VI 2016/238.
Zie hetgeen wordt opgemerkt over de maatschappelijke betekenis van het vruchtgebruik bij Snijders & Rank-Berenschot 2017/597 en Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/680.
Een gemeenschap is ingevolge art. 3:166 lid 1 BW immers aanwezig indien een goed toebehoort aan twee of meer deelgenoten gezamenlijk. De gemeenschap kan derhalve ook beperkte rechten betreffen.
Zie art. 3:168 lid 2 BW. De regeling kan voorzien in ruimere bevoegdhedenregulering dan het in de wet opgenomen gebruik en beheer. Zie Snijders & Rank-Berenschot 2017/218. Vgl. hierboven par. 2.3.2. over de delingsactie die onder het Romeinse recht in een conflict tussen vruchtgebruikers kon worden ingesteld.
Een langere termijn dan de duur van het leven van de vruchtgebruiker is niet mogelijk, een kortere uiteraard wel. Voor rechtspersonen geldt een maximumduur van dertig jaar op grond van art. 3:203 lid 3 BW.
Zie over de constructie van de opschortende voorwaarde Kleijn 1990/2, Mellema-Kranenburg 1999, p. 21, Van Gaalen, diss. 2001/216, Snijders & Rank-Berenschot 2017/ 598 en in vergelijkbare zin Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/685.
Na de behandeling van de beperkte rechten in het kader van colliderende registergoederen verdient het recht van vruchtgebruik nog een afzonderlijke behandeling. Dit beperkte genotsrecht kan immers gelet op zijn plaatsing in Boek 3 BW op zowel zaken als rechten worden gevestigd. Aangezien voor de vestiging van een vruchtgebruik ingevolge art. 3:98 BW de regels moeten worden gevolgd die gelden voor overdracht, kan voor een bespreking van vruchtgebruik op onroerende zaken vanwege de voor de vestiging vereiste notariële akte en registratie worden verwezen naar par. 8.2.1 Op deze plaats wordt aandacht besteed aan situaties waarin een vruchtgebruik op roerende zaken en vorderingsrechten in een prioriteitsconflict is betrokken.2
Het vruchtgebruik geeft het recht om andermans goed te gebruiken en daarvan de vruchten te genieten.3 Op grond van art. 3:202 BW komt een vruchtgebruik tot stand door vestiging of door verjaring.4 Anders dan voor het pandrecht, voorziet de wet voor het vruchtgebruik niet in een speciale bepaling voor de vestigingshandeling. De vestiging van een vruchtgebruik op een roerende zaak vindt ingevolge art. 3:98 jo. 3:90 lid 1 BW plaats door aan de vruchtgebruiker het bezit van het vruchtgebruik te verschaffen.5 De mogelijkheid om een vruchtgebruik te vestigen op een wijze zoals is bedoeld in art. 3:115 BW – te weten door een tweezijdige verklaring – maakthet mogelijk dat er meerdere rechten van vruchtgebruik op dezelfde roerende zaak worden gevestigd. Overigens is het geval van meervoudige vestiging in overwegende mate van theoretisch belang omdat de meeste vruchtgebruiken hun grondslag vinden in een uiterste wilsbeschikking.6 Ook ten aanzien van vruchtgebruiken op een vorderingsrecht staat de wijze van vestiging overeenkomstig art. 3:94 BW niet in de weg aan het ontstaan van prioriteitsconflicten. Aangezien het vruchtgebruik een recht met een absoluut karakter is, wordt een conflict met andere goederenrechtelijk rechten in beginsel beheerst door de prioriteitsregel.7 In een dergelijke situatie zal de volgorde van de tijdstippen waarop de rechten tot stand zijn gekomen beslissend zijn voor de wijze waarop zij zich tot elkaar verhouden. Een vergelijking met het pandrecht dringt zich op. Ook bij het vruchtgebruik zal een eventuele rangorde niet gemakkelijk kunnen worden vastgesteld vanwege mogelijke onduidelijkheid over het totstandkomingsmoment. Tevens maakt de gebrekkige kenbaarheid van het bestaan van oudere rechten een derdenbeschermingsregeling noodzakelijk. Een vruchtgebruiker te goeder trouw zal een ouder vruchtgebruik niet tegen zich hoeven te laten gelden. Strikte wetstoepassing brengt mee dat het oudere vruchtgebruik vervalt op grond van art. 3:98 jo. 3:86 lid 2 BW. Een bepaling zoals die van art. 3:238 lid 2 BW speelt alleen bij de vestiging van een pandrecht op een roerende zaak. Een ouder beperkt gerechtigde – die dus ook een vruchtgebruiker kan zijn – zal het pandrecht in rang boven zich moeten laten gelden. Op deze wijze wordt immers adequate bescherming geboden aan de pandnemer die het oudere recht kende noch behoorde te kennen. Eenzelfde bescherming zou ook afdoende zijn bij de vestiging een vruchtgebruik op een roerende zaak. Het oudere vruchtgebruik hoeft niet definitief te vervallen om het te goeder trouw verkregen recht te beschermen. Indien immers het te goeder trouw verkregen recht teniet gaat – bijvoorbeeld doordat de duur van het vruchtgebruik is verstreken – behoeft diens bescherming niet ten detrimente van de ouder gerechtigde voort te duren. Ik stel daarom voor art. 3:238 lid 2 BW analoog toe te passen bij de vestiging van een vruchtgebruik op een roerende zaak.
Gelet op het motief dat doorgaans aan het vestigen van een vruchtgebruik ten grondslag ligt – te weten het bevoordelen van iemand zonder hem het kapitaal over te dragen – zal het in de praktijk niet snel tot conflicterende rechten leiden.8 Dat ligt bij pandrechten anders, waar een samenloop – al dan niet met een recht van vruchtgebruik – van verscheidene zekerheidsstellingen meer voor de hand ligt. Daar komt bij dat een samenloop bij pandrechten anders dan bij rechten van vruchtgebruik pas in het geval van executie tot conflicten leidt. Een samenloop van rechten van vruchtgebruikleidt per definitie tot colliderende rechten omdat vruchtgebruik de volledige heerschappij van het goed omvat.
Een situatie van colliderende rechten moet worden onderscheiden van het geval waarin meerdere gerechtigden bestaan als gevolg van een vestiging ten behoeve van meerdere personen. Indien het vruchtgebruik aan twee of meer personen gezamenlijk toekomt, is sprake van een gemeenschap.9 Gedacht kan worden aan het vruchtgebruik dat door ouders wordt voorbehouden bij de overdracht van een goed aan hun kinderen. De ouders zijn in dat geval gezamenlijke vruchtgebruikers. Ter zake van conflicten over de uitoefening van het gemeenschappelijke recht tussen de deelgenoten kan – zo nodig door de kantonrechter – een regeling worden getroffen ten aanzien van de bevoegdheden, rechten en plichten inzake het genot, gebruik en beheer van het vruchtgebruik.10 Van een prioriteitsconflict tussen verschillende absolute rechten is derhalve geen sprake. Dat is evenmin het geval bij de vestiging van een opvolgend vruchtgebruik. Hoewel het vruchtgebruik ingevolge art. 3:203 lid 2 BW is gekoppeld aan het leven van de vruchtgebruiker en derhalve in beginsel eindigt bij zijn overlijden, kan met de vestiging van een opvolgend vruchtgebruik worden bewerkstelligd dat het recht na overlijden wordt voortgezet.11 Aangezien het recht van de opvolgende vruchtgebruiker is gevestigd onder de opschortende voorwaarde dat hij de eerder aangewezen vruchtgebruiker overleeft, komt het recht van beide vruchtgebruikers nimmer met elkaar in conflict.12 Het recht van de opvolgend vruchtgebruiker ontstaat immers pas op het moment waarop het recht van zijn voorganger eindigt.