Einde inhoudsopgave
De prioriteitsregel in het vermogensrecht (AN nr. 167) 2018/8.5
8.5 Prioriteit bij meervoudige levering van toekomstige goederen
mr. L.M. de Hoog, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. L.M. de Hoog
- JCDI
JCDI:ADS387097:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie HR 25 januari 1929, NJ 1929, 616, m.nt. P. Scholten, dat doorgaans in een adem wordt genoemd met het arrest van 21 juni 1929, NJ 1929, 1096 (Hakkers/Van Tilburg). Het moge duidelijk zijn dat hiermee het door de wetgever van 1838 benadrukte beginsel van publiciteit ten aanzien van zekerheidsrechten volledig werd uitgehold.
In het door de Broederschap van Candidaat-Notarissen uitgegeven preadvies in 1940 beantwoorden Houwing 1940, p. 51 en Wiarda 1940, p. 58 deze vraag ten aanzien van toekomstige vorderingsrechten ontkennend respectievelijk bevestigend. In 1933 had de Hoge Raad geoordeeld dat toekomstige vorderingen niet konden worden overgedragen. Zie HR 29 december 1933, NJ 1934, 343, m.nt. P. Scholten (Fijn van Draat).
Zie HR 22 mei 1953, NJ 1954/189, m.nt. J. Drion (Sio). Overigens verdient dit arrest tevens bijzondere aandacht in het kader van wat nu wordt genoemd het leerstuk van de relativering van de levering c.p. De Hoge Raad overwoog dat een dergelijke levering bij wijze van uitzondering geoorloofd is, mits de belangen van derden daarbij niet rechtstreeks betrokken zijn.
De enige beperking die de Hoge Raad aanbracht was dat de goederen met voldoende bepaaldheid moeten zijn omschreven. Vgl. art. 3:84 lid 2 BW. Zie over de vergelijking met de Duitse rechtspraak de noot van Drion onder het arrest.
Zie Asser/Beekhuis 1975, p. 175-180.
Het doel van deze uitsluiting is het voorkomen dat de registers worden bezwaard met allerlei inschrijvingen die alleen maar zijn verricht in de hoop dat een willekeurige derde ooit rechthebbende zal worden. Zie PG Boek 3 BW, TM, p. 402.
Zie art. 3.4.2.10, PG Boek 3 BW, p. 401.
PG Boek 3 BW, TM, p. 401.
Zie de analyse en verwijzingen bij Peter, diss. 2007, p. 73.
Overigens is van een ‘verkrijging’ nog geen sprake. Gelezen moet worden ‘iemand aan wie het goed ingevolge een eerdere levering bij voorbaat is geleverd’.
Zie voor een bespreking van drie visies Peter, diss. 2007, p, 66-70.
Zie Schuijling, diss. 2016, p. 225, Peter, diss. 2007, p. 70, Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/249, Faber 1997, p. 187 en Snijders & Rank-Berenschot 2017/420. Een afwijkend standpunt wordt ingenomen door Van Swaaij, diss. 2000, p. 146. Hij gaat ervan uit dat een temporele scheiding mogelijk is tussen de beschikking en de rechtsovergang, in die zin dat men reeds een rechtsovergang kan bewerkstelligen ten aanzien van goederen die men in de toekomst hoopt te verkrijgen.
Zie Schuijling, diss. 2016, p. 228, Peter, diss. 2007, p. 77 en Faber 1997, p. 188.
In deze zin onder meer Den Dulk, diss. 1979, p. 9-25, Zwalve, WPNR 1982/5617, p. 471, Huijgen 1997, p. 6-12 en Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/131-134.
Naast de beperkingen die de wet in art. 3:97 BW aanduidt – registergoederen en goederen waarvan het verboden is deze tot onderwerp van een overeenkomst te maken zijn uitgezonderd – kan de voorgeschreven leveringswijze voor de betreffende categorie goederen de uitvoering bij voorbaat begrenzen. Zo zal ten aanzien van toekomstige vorderingen openbare cessie bij voorbaat alleen mogelijk zijn als de debitor cessus bekend is omdat aan hem mededeling moet worden gedaan.
Voor een bespreking van de specifieke wijze van levering per categorie goederen verwijs ik naar Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/313-324.
Zie in deze zin ten aanzien van de aan de overdracht gekoppelde voorwaarde Pitlo/ Reehuis & Heisterkamp 2012/308 waar Reehuis de constructie van een overdracht onder voorwaarde van beschikkingsbevoegdheid bestempelt als een contradictio in terminis.
Zie PG Boek 3 BW, MvA II, p. 403. In het Ontwerp Meijers ontbrak een dergelijke regel, zie PG Boek 3 BW, p. 401.
PG Boek 3 BW, MvA II, p. 403.
PG Boek 3 BW, MvA II, p. 403. Waar de wetgever in dit citaat spreekt van ‘bij voorbaat over dat goed te beschikken’, moet worden gelezen ‘dat goed bij voorbaat te leveren of te verpanden’. Het betreft immers een levering bij voorbaat en geen beschikking bij voorbaat.
Zie ook Janssen, WPNR 2006/6685, wiens kritiek zich slechts lijkt te richten op het feit dat de wetgever soms het onderscheid tussen ‘leveren’ en ‘beschikken’ uit het oog verliest.
PG Boek 3 BW, MvA II, p. 403.
Zie voor enkele voorbeelden van constructies Olthof 1988, p. 132. Dezelfde moeilijkheid doet zich voor in het kader van de verpanding.
Zie Schuijling, diss. 2016, p. 327, Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/320 en Snijders & Rank-Berenschot 2017/432.
Zie PG Inv. Boek 3 BW, MvT Inv., p. 1244.
Zie Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/254 en Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/782.
Zie Staudinger/Gursky § 185, Rn 86-89 en Wilhelm 2016, p. 1108.
Zie Mugdan I, p. 761 en 762. Aangezien de wetgever de voortijdige beschikking over absoluut toekomstige rechten evenmin uitdrukkelijk heeft verboden, zag het Reichsgericht ruimte om de cessie van toekomstige vorderingen toe te staan. Zie ook Staudinger/ Gursky § 185, Rn 71.
Zie hierboven par. 5.2.8 over het gebruik van vorderingsrechten in het Duitse zekerhedenverkeer.
Ten onrechte wordt in de literatuur wel opgemerkt dat de aan art. 3:97 lid 2 BW ten grondslag liggende gedachte in het verlengde van de nemo-plusregel ligt. Zie Peter, diss. 2007, p. 84, Olthof 1988, p. 132 en Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/315. Wel moet worden opgemerkt dat de wetgever de gedachte voor deze grondslag heeft gevoed. Zie PG Boek 3 BW, p. 403. Op de nemo-plusregel kan evenwel geen rangorderegeling worden gebaseerd. Zie hierover par. 7.2.5.
Zie PG Boek 3 BW, p. 403.
Haar wortels liggen evenwel in de zekerheidsoverdracht onder het OBW. Voor 1992 bediende de praktijk zich bij gebreke van de mogelijkheid om stille pandrechten te vestigen van de eigendomsoverdracht ten titel van zekerheid. Door de levering door middel van constitutum possessorium te laten geschieden kon de zekerheidsgever de feitelijke macht over de zaken behouden. Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt echter dat aan een dergelijke levering – het betreft dus de combinatie van de titel die strekt tot zekerheid en de levering zonder feitelijke overgave – niet dezelfde gevolgen worden verbonden als een gewone levering. Zie HR 7 maart 1975, NJ 1976/91 (Van Gend & Loos), HR 21 juni 1985, NJ 1986/306 (LDM/Brock) en HR 18 september 1987, NJ 1988/983 (Berg/ De Bary).
Zie PG Boek 3 BW, MvA II, p. 384. Het leerstuk is hiermee losgekoppeld van de titel. Onder het OBW was van een beperkte werking van de levering c.p. alleen sprake bij een fiduciaire overdracht.
Zie PG Boek 3 BW, MvA II, p. 384.
Het feit dat de relativering van de levering c.p. in verband wordt gebracht met het publiciteitsbeginsel wordt in de literatuur bekritiseerd. Zo betoogt Damsteegt-Molier dat een beroep op het publiciteitsbeginsel alleen als argument kan dienen om de levering c.p. in het geheel niet te accepteren. Zij pleit ervoor om art. 3:90 lid 2 BW te schrappen. Zie Damsteegt-Molier, diss. 2009, p. 20 en 27. Hamwijk, WPNR 2011/6883 acht de ratio van de relativering van de levering c.p. gelegen in de bescherming van rechtszekerheid. Zie ook Peter, diss. 2007, p. 44-46.
Aangezien het BW van 1838 ten aanzien van de verpanding van roerende zaken alleen het recht van vuistpand toestond, heeft de handelspraktijk in de twintigste eeuw zijn toevlucht genomen tot alternatieve constructies om zekerheid op roerende zaken te verkrijgen. Met het Bierbrouwerij-arrest heeft de Hoge Raad in 1929 voorzien in een eerste tegemoetkoming hieraan door de eigendomsoverdracht tot zekerheid door middel van een levering constituto possessorio toe te staan.1 Het feit dat voor de zekerheidsverlening de zaken – zoals in het geval van het Bierbrouwerij-arrest de inventaris – niet uit de macht van de zekerheidsgever hoefden te worden gebracht, deed de vraag rijzen of ook de in de toekomst te verkrijgen zaken, zoals die ter aanvulling op of vervanging van de inventaris onder dit zekerheidsrecht konden worden geschaard. Zou een dergelijke overdracht van toekomstige goederen partijen goederenrechtelijk binden, dan was geen nieuwe handeling meer nodig nadat de zaken door de zekerheidsgever werden verkregen.2 De aanvankelijk principieel afwijzende houding van de Hoge Raad ten opzichte van de mogelijkheid tot overdracht van toekomstige goederen kreeg een ommekeer met het Sio-arrest in 1953.3 De Hoge Raad wees voorzichtig in de richting waarin het Duitse recht zich sinds de invoering van het BGB had ontwikkeld door te overwegen dat de levering bij voorbaat van ‘machines welke nog in bedrijf zullen komen’ geoorloofd was.4 Toen in 1954 het Ontwerp Meijers verscheen waarin de theoretische en praktische bezwaren tegen de erkenning van de levering bij voorbaat terzijde werden geschoven, werd de figuur definitief in de literatuur erkend.5 Hoewel de levering van toekomstige goederen is geworteld in de zekerheidsoverdracht, een figuur die Meijers heeft vervangen voor het stil pandrecht, nam het Ontwerp tot uitgangspunt dat toekomstige goederen, uitgezonderd registergoederen,6 bij voorbaat kunnen worden geleverd.7 Via de schakelbepaling van art. 3:98 BW geldt hetzelfde voor de verpanding bij voorbaat van toekomstige goederen.
Door bij voorbaat de leveringsformaliteit te verrichten ten aanzien van goederen die nog niet tot het vermogen van de vervreemder behoren – ofwel doordat ze een ander toebehoren (relatief toekomstig) dan wel doordat ze nog niet bestaan (absoluut toekomstig) – wordt bereikt dat de eigendom automatisch op de verkrijger overgaat op het ogenblik waarop de vervreemder deze verkrijgt. De toelichting Meijers bevestigde:
‘[Men] kan […] een afspraak maken, volgens welke een goed, dat de ene partij verkrijgt, automatisch in het bezit en de eigendom van de andere partij treedt.’8
Op het moment waarop de vervreemder beschikkingsbevoegd wordt, vindt overdracht plaats zonder dat er nog een leveringshandeling nodig is. De levering is immers al (bij voorbaat) voltooid. De vervreemder kan de effectuering van de eigendomsoverdracht niet meer beletten, hetgeen onder oud recht lange tijd onderwerp van discussie is geweest.9 Uit het tweede lid van het uiteindelijke art. 3:97 BW kan worden afgeleid dat de vervreemder niet op een levering bij voorbaat kan terugkomen door het goed nogmaals, maar dan aan een ander te leveren:
‘Een levering bij voorbaat van een toekomstig goed werkt niet tegen iemand die het goed ingevolge een eerdere levering bij voorbaat heeft verkregen’10
Over de wijze waarop de levering bij voorbaat moet worden geconstrueerd worden in de literatuur verschillende visies verdedigd.11 De heersende opvatting lijkt te zijn dat een dergelijke levering plaatsvindt onder de opschortende voorwaarde van beschikkingsbevoegdheid.12 Deze opschortende voorwaarde verbindt men in deze opvatting aan de wilsovereenstemming tussen partijen – de zogenoemde goederenrechtelijke overeenkomst – die naast de leveringsformaliteiten als een vereiste voor de levering wordt gesteld.13 Ik meen echter dat deze constructie moet worden verworpen. Ik kies voor de opvatting dat de levering niet moet worden beschouwd als een meerzijdige goederenrechtelijke rechtshandeling, maar als een feitelijke handeling en dat de goederenrechtelijke overeenkomst in een causaal stelsel geen functie vervult.14 Dat is bij de levering bij voorbaat niet anders. Hoewel art. 3:84 BW voor de eigendomsoverdracht vereist dat de vervreemder beschikkingsbevoegd dient te zijn ten tijde van de levering krachtens een geldige titel, laat art. 3:97 BW uitdrukkelijk toe dat de in dit artikel bedoelde levering reeds in afwachting van de beschikkingsbevoegdheid kan worden verricht. Met art. 3:97 BW staat immers zonder meer vast dat toekomstige goederen bij voorbaat kunnen worden geleverd.15 De leveringshandelingen – waarvoor de vormvoorschriften met betrekking tot de betreffende categorie goederen in acht moeten worden genomen – kunnen vooruitlopend op de situatie waarin het goed tot het vermogen van de vervreemder behoort reeds plaatshebben.16 Zodra aan het laatste vereiste van de overdracht wordt voldaan – te weten het intreden van de beschikkingsbevoegdheid – komt de overdracht tot stand. Het beschouwen van het intreden van de beschikkingsbevoegdheid als een voorwaarde is niet alleen onnodig gecompliceerd, maar ook dogmatisch onjuist. Het betreft noch een voorwaarde die is gekoppeld aan de levering – dat is immers een feitelijke handeling – noch een aan de overdracht gekoppelde voorwaarde omdat het rechtsgevolg ook niet voorwaardelijk intreedt.17 De beschikkingsbevoegdheid is eenvoudigweg een vereiste voor de totstandkoming van de overdracht, zodat – gelet op de mogelijkheid die art. 3:97 BW biedt om de leveringsformaliteiten bij voorbaat te verrichten18 – het rechtsgevolg intreedt zodra ook aan dit vereiste is voldaan.
Welke opvatting men ook aanhangt, duidelijk is in ieder geval dat de levering bij voorbaat geen overdracht tot gevolg heeft zolang de vervreemder beschikkingsonbevoegd is. Het feit dat in de door de wetgever toegelaten constructie de beschikkingsonbevoegdheid er niet aan in de weg staat dat goederen bij voorbaat worden geleverd, maakt dat er goederenrechtelijk evenmin een beletsel is om het betreffende goed meerdere malen bij voorbaat te leveren. De vervreemder is immers beschikkingsonbevoegd ten tijde van de eerste levering bij voorbaat en deze levering brengt daarin geen verandering. De als gevolg van een meervoudige levering bij voorbaat ontstane botsing van rechten kan dan ook niet eenvoudig aan de hand van het leerstuk van beschikkingsonbevoegde verkrijgingen worden opgelost. Geen van de leveringen bij voorbaat heeft een overdracht tot stand gebracht. Degenen aan wie bij voorbaat is geleverd hebben in beginsel een gelijk recht, doch slechts één levering kan tot eigendomsoverdracht leiden.
De wetgever heeft ervoor gekozen de oplossing voor deze kwestie in de wet op te nemen.19 Het tweede lid van art. 3:97 BW kent voorrang toe aan de oudste levering bij voorbaat. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de wetgever de oplossing in verband brengt met de nemo-plusregel:
‘[Het] zou […] niet een onredelijke interpretatie geacht kunnen worden zulk een onbevoegdheid om nogmaals over hetzelfde toekomstige goed bij voorbaat te beschikken uit het stelsel van de ontwerp af te leiden, […]’ 20(cursivering van mij)
Dat de wetgever hierbij analoge toepassing van de nemo-plusregel voor ogen staat, blijkt uit hetgeen in de passage daarvoor wordt opgemerkt:
‘Uit het voormelde karakter van de levering bij voorbaat volgt immers tevens dat de beschikking bij voorbaat over een toekomstig goed op zichzelf de vervreemder nog niet onbevoegd maakt nogmaals bij voorbaat over dat goed te beschikken, daar de rechtsovergang tengevolge van de eerste levering bij voorbaat dan nog niet tot stand gekomen is.21 (cursivering van mij)
Aangezien de vervreemder bij iedere levering bij voorbaat beschikkingsonbevoegd was, is de motivering aan de hand de nemo-plusregel een ongelukkige.22 Het leerstuk van de beschikkingsbevoegdheid biedt geen aanknopingspunten om de rangorde tussen de leveringen bij voorbaat vast te stellen. Voor het verrichten van de levering is immers beschikkingsbevoegdheid niet vereist. Iedere levering bij voorbaat is dan ook geldig tot stand gebracht. Van deze laatste vaststelling lijkt de wetgever zich bij de vormgeving van de wettekst ook bewust te zijn geweest, maar de uiteindelijke keuze wekt bevreemding. Zoals uit het hierboven geciteerde tweede lid van art. 3:97 BW blijkt, wordt de tweede levering ten opzichte van de eerste levering gerelativeerd. Hiermee heeft de wetgever bewust aansluiting gezocht bij art. 3:90 lid 2 BW, waarin aan de levering constituto possessorio van roeren-de zaken beperkte werking wordt toegekend. De wetsgeschiedenis maakt duidelijk dat met de keuze voor deze redactie is beoogd derdenbescherming te verijdelen:
‘Doordat dit lid, waarvan de regeling aansluit bij die van artikel [3:90 lid 2], aan een levering bij voorbaat beperkte werking toekent, ontneemt het aan degeen aan wie later bij voorbaat is geleverd, beroep op goede trouw in het kader van een artikel als artikel [3:86], dat immers alleen beschikkingsonbevoegdheid heelt.’23
Los van de vraag of de materie van art. 3:90 lid 2 BW zich ervoor leent om overeenkomstige toepassing te krijgen in het conflict tussen meerdere leveringen bij voorbaat – daarover hieronder nader – moet worden opgemerkt dat als gevolg hiervan art. 3:97 lid 2 BW in het bijzonder op roerende zaken is toegeschreven. De gekozen redactie geeft geen oplossing voor het geval waarin een toekomstige vordering meermalig is gecedeerd. De tweede cessionaris zou zich naar de letter beschouwd niet tegen de eerste cessionaris op de levering kunnen beroepen, maar wel betaling van de debitor cessus kunnen eisen.24 Aangenomen moet echter worden dat uit art. 3:97 lid 2 BW volgt dat de eerste levering bij voorbaat overdracht tot gevolg heeft, waardoor de tweede cessionaris met lege handen staat.25 Datzelfde geldt indien een roerende zaak meermalig bij voorbaat is geleverd. In dat geval zal alleen de eerste levering tot eigendomsoverdracht leiden. Degene aan wie later bij voorbaat is geleverd kan als gevolg van de constructie van de gerelativeerde levering ook geen succesvol beroep doen op art. 3:86 BW omdat hij zich jegens degene aan wie eerder bij voorbaat is geleverd niet op een geldige levering kan beroepen. De laatste volzin van art. 3:97 lid 2 BW brengt hierop voor roerende zaken in die zin een nuancering aan dat degene aan wie later bij voorbaat is geleverd wél een beroep op art. 3:86 BW kan doen indien de zaak in zijn handen is gekomen.26 Indien sprake is van een meervoudige verpanding bij voorbaat brengt art. 3:97 lid 2 BW via de schakelbepaling van art. 3:98 BW mee dat het tijdstip van de vestigingshandeling bij voorbaat de rangorde tussen de pandrechten bepaalt.27 Ook voor de situatie waarin de verpanding en de levering bij voorbaat worden gecombineerd is het moment waarop de formaliteiten zijn verricht leidend voor de vaststelling van de rangorde. Indien de verpanding eerder bij voorbaat is geschied, zal het goed in bezwaarde toestand worden overgedragen. In het spiegelbeeldige geval gaat het goed in onbezwaarde toestand op de verkrijger over zodra de vervreemder beschikkingsbevoegd wordt.
Het Duitse recht heeft als oplossing voor het conflict dat ontstaat als gevolg van meerdere voortijdige beschikkingen (Vorausverfügungen) over toekomstige rechten het prioriteitsprincipe omarmd.28 Voor deze problematiek is aansluiting gezocht bij de bepaling uit het algemene deel van het wetboek dat handelt over de beschikking door een beschikkingsonbevoegde. Met deze bepaling stond de wetgever oorspronkelijk alleen het geval voor ogen waarin iemand over een recht beschikte dat weliswaar bestond, maar nog niet aan hem toebehoorde.29 De tekst van de betreffende § 185 lid 2 BGB dekt echter evengoed de meer algemene situatie van ‘mehrere einander widersprechende Verfügungen’ door een beschikkingsonbevoegde. Deze paragraaf bepaalt voor dat geval uitdrukkelijk dat alleen de vroegere beschikking geldig is. De rang van meerdere Vorausverfügungen – waaronder de voor de praktijk belangrijke cessies van toekomstige vorderingen30 – komt aldus aan de hand van de prioriteitsregel tot stand.
Welbeschouwd heeft ook de Nederlandse wetgever zich bij de keuze voor de oplossing voor het conflict tussen meerdere leveringen bij voorbaat door de prioriteitsgedachte laten leiden. Opgemerkt moet worden dat van rechtstreekse toepassing van de ongeschreven prioriteitsregel op deze plaats geen sprake is. De prioriteitsregel bepaalt bij een rangordeconflict de onderlinge verhouding tussen meerdere goederenrechtelijke rechten.31 Degene aan wie bij voorbaat is geleverd heeft vanwege het ontbreken van beschikkingsbevoegdheid bij de vervreemder, nog geen goederenrechtelijk recht op de zaak verkregen. De prioriteitstoepassing in het kader van art. 3:97 BW vloeit derhalve niet voort uit de karaktereigenschappen van goederenrechtelijke rechten, maar dient te worden teruggevoerd op een uitdrukkelijke keuze van de wetgever.
De bepaling waarin deze uitdrukkelijke keuze van de wetgever is verankerd, heeft een tweeledige strekking. In de eerste plaats is – gelet op de met art. 3:90 lid 2 BW overeenkomstige bewoordingen – beoogd derdenbescherming te verijdelen. Daarnaast moet in art. 3:97 lid 2 BW een uitdrukkelijke bevestiging worden gelezen van de toepasselijkheid van de prioriteitsregel.
De wetgever heeft met het bepaalde in lid 2 willen voorzien in een oplossing voor eventuele rangordeconflicten.32 Het ware overzichtelijker geweest als de regel van art. 3:97 lid 2 BW ter zake van de relativerende werking was voorafgegaan door een volzin waarin was opgenomen dat de rangorde van meerdere leveringen bij voorbaat wordt bepaald door de volgorde van de tijdstippen waarop de formaliteiten bij voorbaat zijn verricht. Daarmee wordt duidelijk dát de prioriteitsregel in dit geval toepassing heeft en wordt tevens duidelijk bij welke tijdstippen voor de toepassing moet worden aangesloten. De regeling van art. 3:90 lid 2 BW biedt hiervoor niet voldoende grondslag.
De regeling van de relativering van de levering constituto possessorio is per 1992 in de wet opgenomen.33 De gedachte die de wetgever aan deze relativering ten grondslag legt, is dat iemand die een recht heeft op een zaak die zich onder een ander bevindt, dit recht niet te gemakkelijk en op een voor hem niet waarneembare wijze aan een derde dient te kunnen verliezen.34 Zolang een derde de zaak immers niet in zijn handen heeft, kan hij geen bescherming aan art. 3:86 BW ontlenen omdat dit artikel alleen de beschikkingsonbevoegdheid heelt en niet beschermt tegen een leveringsgebrek. De regeling van art. 3:90 lid 2 BW betreft het resultaat van een afweging tussen het belang van de oorspronkelijk gerechtigde enerzijds en het belang van derdeverkrijgers te goeder trouw om deugdelijke bescherming te krijgen anderzijds.35 De relativering van de levering c.p. kan worden beschouwd als een beschermingsmaatregel ten behoeve van de oorspronkelijk gerechtigde.36 Daarmee is in ieder geval duidelijk dat art. 3:90 lid 2 BW niets met de prioriteitsgedachte van doen heeft. De loutere koppeling met art. 3:90 lid 2 BW is derhalve niet voldoende om in art. 3:97 lid 2 BW een prioriteitstoepassing te lezen.