De prioriteitsregel in het vermogensrecht
Einde inhoudsopgave
De prioriteitsregel in het vermogensrecht (AN nr. 167) 2018/8.7:8.7 Slotsom
De prioriteitsregel in het vermogensrecht (AN nr. 167) 2018/8.7
8.7 Slotsom
Documentgegevens:
mr. L.M. de Hoog, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. L.M. de Hoog
- JCDI
JCDI:ADS384656:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Art. 3:21 lid 1 BW vervult weldegelijk een functie omdat in de rangorde ook inschrijvingen met een obligatoire grondslag betrokken kunnen zijn.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Conflicterende rechten in het Nederlandse goederenrecht zijn in beginsel onderworpen aan de toepassing van de prioriteitsregel. Het feit dat de wetgever het uitdrukkelijk codificeren van de prioriteitsregel achterwege heeft gelaten, laat zijn gelding onverlet. Alleen ten aanzien van meerdere inschrijvingen die op eenzelfde registergoed betrekking hebben, is een bepaling in de wet opgenomen die weergeeft dat de rangorde wordt bepaald naar anciënniteit. Het betreffende art. 3:21 lid 1 BW geeft in het kader van colliderende rechten op een registergoed uiting aan de toepassing van de prioriteitsregel. Ten aanzien van goederenrechtelijke rechten op een registergoed heeft art. 3:21 BW evenwel gelet op het absolute karakter van deze rechten te gelden als een overbodige bepaling.1 Bovendien maakt dit wetsartikel in het tweede lid een onhoudbare uitzondering op de prioriteitsregel. De in lid 2 onder b opgenomen oplossing voor het vaststellen van de rangorde bij gelijktijdige inschrijvingen koppelt namelijk de rang van het recht los van het totstandkomingsmoment en doorbreekt daarmee de zuivere toepassing van de prioriteitsregel. Aangezien voor de nadere bepaling van de rangorde wordt aangesloten bij het tijdstip waarop de notariële akten zijn opgemaakt, ontleent een recht zijn rang aan een tijdstip dat door een zekere willekeur wordt bepaald. De keuze voor deze pragmatische regeling komt voort uit de wijze waarop het stelsel van registratie en publicatie is ingericht. Gelet op de mogelijkheden die de huidige stand van de technologie biedt, is echter een rangorderegel die onverenigbaar is met goederenrechtelijke uitgangspunten niet langer te verdedigen.
Ter bescherming van bepaalde hypotheeknemers bevat de wet van oudsher een aantal uitzonderingen op de rangorde naar de volgorde van inschrijving. De praktische betekenis van deze hypotheken – het betreft die voor onbetaalde kooppenningen en die voor een overbedelingssom bij verdeling – is evenwel gering. Van groter belang is daarentegen de mogelijkheid om met goederenrechtelijk effect bij overeenkomst een afwijkende rangorde te bepalen. Gelet op het vereiste van een geregistreerde notariële akte waaruit de toestemming van iedere betrokkene moet blijken, wordt de kenbaarheid van de rangwisseling gewaarborgd en bestaat tegen deze mogelijkheid geen bezwaar. Wel moet worden aangenomen dat ter voorkoming van het ontstaan van relatief werkende rangwisselingen met goederenrechtelijk effect, ook eventuele tussenliggende gerechtigden met de rangwisseling dienen in te stemmen.
Pandrechten nemen eveneens onderling rang in naar de volgorde van de tijdstippen waarop zij tot stand zijn gekomen. De kenbaarheid van deze totstandkoming zorgt echter, naargelang de aard van het pandobject, voor diverse knelpunten. Vanwege de gebrekkige kenbaarheid heeft de wetgever ten aanzien van pandrechten op roerende zaken een beschermingsregeling opgenomen ten behoeve van de vuistpandnemer die oudere pandrechten kende noch behoorde te kennen. Deze vuistpandnemer te goeder trouw hoeft de oudere pandrechten niet tegen zich te laten gelden. De oudere pandrechten blijven weliswaar bestaan, maar nemen rang in na de vuistpandhouder. Het verdient aanbeveling om deze beschermingsmaatregel die de prioriteitsregel doorbreekt, zeer terughoudend toepassing te laten vinden. Daarop voortbordurend zou met de invoering van een openbaar pandregister een derdenbeschermingsregel zelfs in het geheel overbodig worden. In dat geval wordt de bescherming gericht op de rechthebbende en niet op derden te goeder trouw. De prioriteitsregel kan dan onverkort worden toegepast, waarmee tevens het verschil tussen pandrechten op roerende zaken en pandrechten op vorderingen wordt opgeheven.
Een pandregister vervult tevens een functie ten aanzien van het bewerkstelligen van een door de rechtspraktijk gewenste rangwisseling met goederenrechtelijk effect. Analoge toepassing van art. 3:262 BW stuit vooralsnog op dogmatische en praktische bezwaren. Het is aan de wetgever om de toepassing van de figuur van rangwisseling in het kader van pandrechten toe te staan. De codificatie hiervan dient gepaard te gaan met de invoering van een pandregister om het beoogde goederenrechtelijk effect te kunnen verdedigen alsook om de praktische uitvoerbaarheid ervan te kunnen effectueren.
Een recht van vruchtgebruik op een roerende zaak of vorderingsrecht dat in conflict komt met een ander goederenrechtelijk recht is evenzeer aan de prioriteitsregel onderhevig. Onderling onverenigbare rechten van vruchtgebruik zijn echter zeldzaam gelet op het motief dat doorgaans aan de vestiging van een recht van vruchtgebruik ten grondslag ligt.
In conflicten tussen meerdere leveringen bij voorbaat is sprake van een atypische toepassing van de prioriteitsregel. Het betreft geen conflict tussen meerdere goederenrechtelijke rechten. Zo lang de beschikkingsbevoegdheid bij de vervreemder van een toekomstig goed nog niet is ingetreden, is de overdracht immers nog niet voltooid. Het feit dat bij het intreden van de beschikkingsbevoegdheid de oudste levering bij voorbaat in een eigendomsoverdracht resulteert, vloeit voort uit art. 3:97 lid 2 BW. In deze wetsbepaling dient behalve een koppeling met de regeling van art. 3:90 lid 2 BW tevens een uitdrukkelijke keuze voor het prioriteitsprincipe te worden gelezen.
De wijze waarop de prioriteitsregel in concreto gestalte krijgt is afhankelijk van de aard van het sterkste recht. In het algemeen vloeien uit het absolute karakter van het goederenrechtelijke recht goederenrechtelijke rechtsvorderingen voort ter handhaving van het recht. Bij de uitoefening van zekerheidsrechten door middel van executie bepaalt de prioriteitsregel of andere op het goed gevestigde genotsrechten de executie overleven. Ten aanzien van genotsrechten die de executie niet overleven en andere zekerheidsrechten manifesteert de prioriteitsregel zich bovendien ter zake van de verdeling van de executieopbrengst. Ook buiten executiegeschillen kan een genotsrecht in conflict komen met andere rechten, bijvoorbeeld als de gerechtigde in de uitoefening van zijn recht wordt belemmerd. In een dergelijk geval kan de genotsgerechtigde zijn recht handhaven door het instellen van een op het goederenrechtelijk recht gebaseerde goederenrechtelijke rechtsvordering.