Einde inhoudsopgave
Invloed van schuldeisers in insolventieprocedures (IVOR nr. 129) 2023/4.5.4
4.5.4 Artikel 3:15j BW
mr. H.J. de Kloe, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. H.J. de Kloe
- JCDI
JCDI:ADS708315:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Conclusie A-G Huydecoper voor HR 21 januari 2005, NJ 2005/250 (Jomed II), par. 47-51.
HR 21 januari 2005, NJ 2005/250 (Jomed II), r.o. 4.2.
Artikel 3:15j aanhef en sub d BW biedt volgens Rechtbank Limburg (vzr.) 23 september 2022, ECLI:NL:RBLIM:2022:7214, r.o. 4.3 ook geen soelaas als een vermeend schuldeiser niet de hoogte, aard of inhoud van zijn vordering wil vaststellen, maar het bestaan van een vordering (in de casus op grond van onrechtmatige daad) wil onderbouwen.
HR 8 april 2016, JOR 2016/180 (Schmitz q.q./Aerts Europe), m.nt. J.O. Bijloo, r.o. 3.4.3.
Zie voor een overzicht van rechtspraak en verschillende standpunten in de literatuur de conclusie van A-G Timmerman voor HR 8 april 2016, JOR 2016/180 (Schmitz q.q./Aerts Europe), par. 3.10-3.12 en de annotatie van J.O. Bijloo in JOR 2016/180, par. 3.
Zie bijvoorbeeld de conclusie van A-G Huydecoper voor HR 21 januari 2005, NJ 2005/250 (Jomed II), par. 45; de annotatie van W.J.M. van Andel onder Gerechtshof ’s-Gravenhage 25 september 2007, JOR 2007/287, par. 6; Kalsbeek & Malanczuk, O&F 2011, afl. 2, p. 51 en Van Andel & Van Zanten 2013, p. 45 en 46.
Van Daal, TvI 2003, afl. 4. Zie ook G.C. van Daal in zijn annotatie onder het arrest van het hof Amsterdam in Jomed II in TvI 2004/25.
Van Daal, TvI 2003, afl. 4.
Sijmonsma 2017, par. 7.1.1.
Annotatie p. van Schilfgaarde onder HR 21 januari 2005, NJ 2005/250 (Jomed II).
J.O. Bijloo, annotatie onder HR 8 april 2016, JOR 2016/180 (Schmitz q.q./Aerts Europe).
Van Hees, TvI 2004/58.
W.J.M. van Andel, annotatie onder Rechtbank Arnhem 21 oktober 2008, JOR 2009/23, par. 4; Van Andel & Van Zanten 2013, p. 46.
Van Daal, TvI 2003, afl. 4 (tenzij de openlegging in het belang van de gezamenlijke schuldeisers is, maar dat is gelet op de restrictieve benadering van de Hoge Raad volgens mij nooit het geval) en Groenewegen & Orval 2009, p. 51.
HR 30 oktober 2009, NJ 2010/96 (Hamm q.q./ABN AMRO), r.o. 4.2.2.
Tuil, MvV 2010, afl. 2, p. 23.
Aldus ook Goenewegen & Orval 2009, p. 51. Anders: J.O. Bijloo, annotatie onder HR 8 april 2016, JOR 2016/180 (Schmitz q.q./Aerts Europe), par. 6.
In Jomed II ging het om de vraag of op grond van artikel 3:15j aanhef en sub d BW openlegging van de boedeladministratie kan worden gevorderd. De Hoge Raad beantwoordde deze vraag, anders dan A-G Huydecoper in zijn conclusie voor het arrest,1 ontkennend. Het toepassingsbereik van dit artikel is namelijk beperkt tot de boekhouding van de failliet tot aan diens faillietverklaring.2 Daarnaast moet degene die openlegging vordert een voldoende en rechtstreeks belang hebben. In het arrest Schmitz q.q./Aerts Europe overwoog de Hoge Raad dat hiervan sprake is als de schuldeiser zijn rechtsbetrekking met de schuldenaar wil vaststellen, bijvoorbeeld als het gaat om de hoogte, aard of inhoud van zijn vordering.3 Artikel 3:15j aanhef en sub d BW biedt geen grondslag om openlegging te vorderen om rechten tegenover derden zoals bestuurders van de schuldenaar vast te stellen.4 De Hoge Raad heeft hiermee de discussie over de reikwijdte artikel 3:15j aanhef en sub d BW beslecht in het voordeel van de preciezen die een restrictieve benadering bepleitten.5
De toepassing van artikel 3:15j aanhef en sub d BW is nog niet volledig uitgekristalliseerd. Onduidelijk is bijvoorbeeld nog of bij de beoordeling een belangenafweging dient plaats te vinden. Dit standpunt is ingenomen, maar dan vaak in samenhang met een pleidooi voor een minder restrictieve benadering dan de Hoge Raad heeft aangenomen in 2016.6 Van Daal meende reeds in 2003 dat schuldeisers geen beroep konden doen op artikel 3:15j aanhef en sub d BW om rechten tegenover derden vast te stellen, maar meende wel dat openlegging kon worden verlangd met als doel invloed uit te oefenen op de afwikkeling van het faillissement door de curator.7 Van Daal bepleitte ook dat een belangenafweging zou moeten plaatsvinden.8 Tot slot verwijs ik naar Sijmonsma, die ook na het wijzen van Schmitz q.q./Aerts Europe – overigens ten aanzien van artikel 3:15j BW in het algemeen – vindt dat een belangenafweging moet plaatsvinden.9
Van Schilfgaarde meende dat artikel 3:15j BW weinig ruimte laat voor afweging van de belangen van de andere schuldeisers. Van belang is wel dat Van Schilfgaarde voorstander was van de restrictieve benadering die de Hoge Raad in Schmitz q.q./Aerts Europe heeft aangenomen.10 Ook Bijloo stelt in zijn annotatie onder Schmitz q.q./Aerts Europe dat uit de tekst en wetsgeschiedenis van artikel 3:15j BW niet volgt dat een belangenafweging moet plaatsvinden. Alleen als bijvoorbeeld misbruik van bevoegdheid wordt gepleegd, moet de vordering worden afgewezen.11
Of een belangenafweging moet plaatsvinden, hangt mijns inziens af van een ander discussiepunt: het kostenaspect. Uit (de wetsgeschiedenis bij) artikel 3:15j BW volgt niet dat de schuldeiser die openlegging verlangt de kosten die hiermee zijn gemoeid moet vergoeden.12 In de literatuur wordt dit standpunt wel ingenomen. Sommigen menen dat de bereidheid van een schuldeiser om de kosten te vergoeden een rol speelt in de belangenafweging waarover het hiervoor ging,13 anderen stellen onomwonden dat de kosten door de schuldeiser vergoed moeten worden.14 Dit laatste standpunt sluit aan bij artikel 843a Rv en het oordeel van de Hoge Raad in Hamm q.q./ABN AMRO over het verschaffen van informatie door de curator over verpande vorderingen aan de pandhouder.15 Dit oordeel van de Hoge Raad heeft geen expliciete wettelijke grondslag, maar is kennelijk gebaseerd op de gedachte dat kosten die gemaakt moeten worden voor het vaststellen van de rechten van de pandhouder niet ten laste van de boedel moeten komen.16 Ditzelfde argument gaat op voor openlegging ten behoeve van een individuele schuldeiser.
Worden de kosten door de schuldeiser betaald, dan heeft de boedel in beginsel geen rechtmatig belang bij het afzien van inzage. Weliswaar is het in het belang van de overige schuldeisers dat een bepaalde vordering niet of voor een te laag bedrag wordt vastgesteld, maar dat belang van de boedel is niet rechtmatig. Mits de schuldeiser daadwerkelijk een voldoende en rechtstreeks belang heeft en de kosten die gemoeid zijn met openlegging vergoedt, dient de vordering te worden toegewezen. Overigens meen ik dat een schuldeiser alleen toegang heeft tot dat deel van de administratie dat bij zijn belang aansluit. In de aanhef van artikel 3:15j BW staat immers dat het recht bestaat voor zover een voldoende en rechtstreeks belang bestaat bij de openlegging. De schuldeiser moet dus stellen welke informatie hij wenst en waarom hij specifiek bij die informatie een voldoende en rechtstreeks belang heeft.17