Einde inhoudsopgave
De integratie van fiscale gegevens in het rijksbrede toezicht (FM nr. 155) 2018/2.4.2.2
2.4.2.2 De fundamentele rechten van de burgers en bedrijven
M. Snippe, datum 20-10-2018
- Datum
20-10-2018
- Auteur
M. Snippe
- JCDI
JCDI:ADS378919:1
- Vakgebied(en)
Privacy / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Het werk van Immanuel Kant (1724-1804) wordt over het algemeen gezien als de bron voor het hedendaags begrip van menselijke waardigheid; Kant omschrijft deze waarde als ‘een inherente waarde die alle mensen delen simpelweg vanwege het feit dat zij mensen zijn. Hij betoogt dat de mens een absolute waarde heeft, een doel op zichzelf is en nooit als middel voor een ander doel mag worden gebruikt.’ Gesammelte Schriften (Akademie-Ausgabe), Ausgabe der Preuûischen Akademie der Wissen- schaften (4), W. de Gruyter 1900, p. 428.
E.R.Boot, Het belang van individuele mensenplichten, Ars Aequi, vol. 61/12, 2012, p. 909.
Hierbij wordt aansluiting gezocht bij Kants opvatting ‘Eine jede Handlung ist recht, die oder nach deren Maxime die Freiheit der Willkür eines jeden mit jedermanns Freiheit nach einem allgemeinen Gesetze zusammen bestehen kann.’ Immanuel Kant (1724-1804), Gesammelte Schriften (Akademie-Ausgabe), Ausgabe der Preuûischen Akademie der Wissen- schaften (4), W. de Gruyter 1900, deel 6, p. 230.
Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM), VN-verdragen waaronder het Internationaal Verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten (IVBPR, Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) met de uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, en het Handvest voor de Grondrechten en de Nederlandse Grondwet.
Report on the rule of law, (studie nr 512/2009, CDL-AD(2011)003Rev.) van de Europese Commissie voor Democratie en Recht (de zogenoemde Venice Commission), p. 3.
Rb. Oost-Brabant, 26 november 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:6553; zie ook Je hebt wØl iets te verbergen. Over het levensbelang van privacy, Maurits Martijn en Dimitri Tokmetzis, Amsterdam: De Correspondent, 2016.
Het huidige artikel 10 GW omvat het recht op bescherming van persoonsgegevens. De Staatscommissie Grondwet heeft in november 2010 geadviseerd dat recht zelfstandig afzonderlijk op te nemen in de Grondwet: daarmee zou worden bewerkstelligd dat de bescherming niet gekoppeld is aan de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen, maar ook kan samenhangen of botsen met andere grondrechten, Rapport Staatscommissie Grondwet, Den Haag november 2010, Kamerstukken II 2010/11, 31 570, nr. 17, bijlage, p. 80. Vooralsnog heeft de regering echter aangegeven geen reden te zien om de Grondwet op dit punt daadwerkelijk te wijzigen, Kabinetsreactie rapport Staatscommissie, Kamerstukken II 2011/12, 31 570, nr. 20, p. 8.
PHR conclusie A-G Wattel bij HR 16 september 2005, LJN:AO9013, BNB 2006/ 111 met annotatie van M.W.C. Feteris.
EHRM 16 april 2002, nr. 37971/97 ((SociØtØs Colas Est vs. Frankrijk), NJ 2003/ 452, V-N 2002/47.5, AB 2002/277). De toepassing van het EVRM voor rechtspersonen is ook te zien in de jurisprudentie van het EHRM over art. 6 EVRM. Ter illustratie noem ik de procedure over fiscaal-administratieve beboeting van de directeur van een rechtspersoon (EHRM 24 februari 1994, Serie A nr 284, BNB 1994/175 (Bendenoun vs. Frankrijk)); de – inmiddels in het EHRM opgegane – Commissie voor de rechten van de mens paste art. 6 EVRM toe op de procedure over een bestuurlijke kartelboete opgelegd aan een rechtspersoon in de eveneens reeds aangehaalde zaak SociØtØ Stenuit tegen Frankrijk (ECRM 17 januari 1990). Voor de redelijke termijneis wordt verwezen naar de zaak Garyfallou AEBE vs. Griekenland (EHRM 24 september 1997, Reports 1997-V, p. 1830) waarin het hof op het beroep van een rechtspersoon oordeelde dat de redelijke termijn was overschreden in een zaak waarin een boete was opgelegd wegens overtreding van in- en uitvoerregels. In de zaak Tre Traktörer Aktiebolag vs. Zweden, (EHRM 7 juli 1989, Series A, nr. 159.) overwoog het Europese Hof dat het geschil een burgerlijk recht (‘civil right’) van de Zweedse rechtspersoon betrof, zodat art. 6 lid 1 EVRM in zijn zaak van toepassing was. Het Hof kwam in die zaak tot het oordeel dat art. 6 EVRM was geschonden wegens het ontbreken van een onafhankelijk en onpartijdig gerecht.
De bescherming van artikel 10 Grondwet strekt zich ook uit over rechtspersonen, zie Kamerstukken II 1976/77, 13 872, nr. 7, p. 35.
A. Pahladsingh en H.J.Th.M. Roosmalen, Het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie twee jaar juridisch bindend: rechtspraak in beweging?, NTFR 2012/18, 2012.
Art. 8 EU-Handvest, ABRvS 2 november 2011, LJN:2011:BU3136, AB 2012/53.
PHR conclusie A-G Niessen, 16 augustus 2016, ECLI:NL:PHR:2016:885, r.o. 3.13. en bijlagen bij de conclusies in de zaken met nrs. 15/05826 (ECLI:NL:PHR:2016:853), 15/02068 (ECLI:NL:PHR:2016:884) en 15/02069 (ECLI:NL:PHR:2016:883).
G.J.M.E. de Bont, Vrijheid geef je door, 2012, NTFR 2012/1274.
Een van de doelstellingen van de Verenigde Naties (VN) is het beschermen en bevorderen van de rechten van de mens. De aangesloten landen hebben zich verplicht om mensenrechten voor iedereen te garanderen. Internationaal werd het Internationale Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR)van kracht op 23 maart 1976 na ratificatie door 35 landen; op dit moment hebben bijna alle landen het verdrag ondertekend (Nederland sinds 11 maart 1979). Op Europees niveau geldt tevens het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM); het Europees Hof voor de Rechten van de Mens houdt toezicht op klachten van individuen tegen een lidstaat.
HR 23 april 2013, LJN:BY5352, NJ2013/576, onder verwijzing naar EHRM 16 april 2002, nr. 37971/97 ((SociØtØs Colas vs. Frankrijk), NJ 2003/452, V-N 2002/47.5. AB 2002/277); zie ook HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:288.
EHRM 8 juli 1999, nrs. 23536/94 en 24408/94 (Baskaya en Okçuoglu vs. Turkije), EHRM 17 november 2005, nr. 56720/00 (Gabriele Metzger vs. Duitsland) en EHRM 10 oktober 2006, nr. 40403/02 (Pessino vs. Frankrijk); zie ook HR 25 juni 1963, ECLI:NL:HR:1963:42, NJ 1964/239 (m.nt. B.V.A. Röling) en van latere datum HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:286, ECLI:NL:HR:2017:287 en ECLI:NL:HR:2017:288.
EHRM 24 november 2005, nr. 49429/99 (Capital Bank AD vs. Bulgarije).
Art. 8 EVRM bevat hiermee een belangrijk beginsel dat de verhouding regelt tussen de overheid (het openbaar gezag) en de burgers: dat artikel vindt binnen Europa veelvuldig toepassing in (klachten met betrekking tot) het uitoefenen van bevoegdheden door de overheid en het opleggen van sancties; zie ook Art. 17 van het VN-verdrag voor de burgerlijke en politieke rechten (IVBPR).
Zie ook Besluit van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, van 22 december 2017, nr. 3215945, houdende vaststelling van de tiende wijziging van de Aanwijzingen voor de regelgeving, Aanwijzing 2.21 letter f.
Art. 1Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, Bescherming van eigendom en art. 17 EU-Handvest; zie ook cassatiemiddel 1 bij HR 8 juni 2012, LJN:BW7714, BNB 2012/221 alsmede Rb. Breda 31 augustus 2012, LJN:BX9479, NTFR 2013/383.
Voor de reikwijdte van het begrip ‘eigendomsrecht’ kan het best aansluiting worden gezocht bij de Engelse tekst van het EVRM dat over ‘possessions’ spreekt: in het Nederlands te vergelijken met ‘waardeerbare rechten’ hetgeen verder strekt dan het goederenrecht (art. 1, Boek 5 BW). Deze bepaling creëert geen eigendomsrechten, maar beschermt slechts bestaande rechten (EHRM, 11 januari 2007, Nr. 73049/01 (Anheuser-Busch Inc. vs. Portugal).
Rb. Oost-Brabant, 26 november 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:6553 ‘(…) Doelmatige en eerlijke belastingheffing is noodzakelijk in het belang van het economisch welzijn van het land. Voor die doelmatige en eerlijke belastingheffing is het vergaren van inlichtingen door de Belastingdienst nodig, niet alleen bij de belastingplichtigen zelf, maar ook bij derden. De wettelijke mogelijkheid tot informatiegaring moet ruim moet worden opgevat. (…) Het behoeft ook niet bij voorbaat vast te staan dat alle inlichtingen relevant zullen zijn (vgl. ook HR 22 september 2006, LJN:AY8656, BNB 2007/45). Het gaat om inlichtingen, boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing ten aanzien van derden.’
Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994, Hoofdstuk VIII, Verplichtingen ten dienste van de Belastingheffing. De middelwetten voor de afzonderlijke belastingen kunnen specifieke verplichtingen bevatten. Als voorbeeld noem ik de Wet op de Omzetbelasting over specifieke vereisten omtrent de factuur (art. 35 Wet OB 1968) en het staande kunnen houden en onderzoeken van motorvoertuigen volgens de Wet op de Motorrijtuigenbelasting (art. 78 en 79 Wet MB 1994).
Voor de uitvoering van de belastingwetten zijn bevoegdheden ten behoeve van de belastingheffing en invordering toegekend aan medewerkers van de Belastingdienst volgens respectievelijk de AWR en de Invorderingswet; anders geformuleerd, er gelden verplichtingen van belastingplichtigen en belastingschuldigen voor de belastingheffing en invordering tegenover respectievelijk de inspecteur en ontvanger. Voor het Caribisch Nederland zijn de bevoegdheden voor inspecteur en ontvanger geregeld in de Belastingwet BES. In de Uitvoeringsregeling Belastingdienst is bepaald wie inspecteur en ontvanger zijn, zoals bedoeld in de AWR, de Invorderingswet en de Belastingwet BES. Het Caribisch gebied laat ik in het kader van deze studie buiten beschouwing. In het kader van het fiscale toezicht wordt gesproken over ‘de inspecteur’; in de AWR zijn verplichtingen toegekend jegens hem. De verplichtingen vanuit de Invorderingswet tegenover de ontvanger laat ik eveneens buiten beschouwing omdat die een ander karakter hebben dan het houden van toezicht; zij zijn gericht op het innen van belastingschulden en/of het aansprakelijk stellen van belastingschuldigen.
HR 10 december 1974, LJN:AB4412, BNB 1975/52 (Stad Rotterdam) en NJ 1975/ 178.
Het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens biedt daarvoor zelf de grondslag in art. 8, lid 2 EVRM.
Wat de invloed van Big Data voor het toezicht wordt, is niet bekend. ‘Big Data is belangrijk – heel belangrijk zelfs’, Viktor Mayer-Schönberger. In: S. Klous en N. Wielaard, Wij zijn Big Data, Voorwoord, Amsterdam: Business Contact. ‘Big Data – om onverklaarbare redenen altijd met hoofdletters geschreven – wordt het digitale goud, roepen de technologieprofeten’, D. Tokmetzis, De Correspondent, 11 november 2013; zie ook Liza van Lonkhuizen, Silicon Valley ziet de mens als een algoritme, De macht van data, NRC.nl, 28 juli 2017.
Rb. Oost-Brabant, 26 november 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:6553.
Rb. Oost-Brabant, 26 november 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:6553, r.o. 4.15.
Vgl. HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:288, r.o. 2.3.4, met conclusie A-G NiessenECLI:NL:PHR:2016:853 en ECLI:NL:PHR:2016:885; zie ook EHRM 2 september 2010, nr. 35623/05, par. 44 e.v. (Uzun vs. Duitsland).
In het nationale en internationale recht zijn allerlei mensenrechten verankerd. Die zijn er om personen te beschermen tegen de macht van de staat en moeten ervoor zorgen dat iedereen kan leven in menselijke waardigheid.1 Een handeling is rechtmatig als dat compatibel (in overeenstemming te brengen) is met de vrijheid van alle anderen.2 Hieruit spreekt impliciet de plicht om op verantwoordelijke wijze te handelen, namelijk opdat de keuzevrijheid van anderen niet disproportioneel (dat wil zeggen: in strijd met een algemene wet) wordt beperkt.3 Deze plicht om de mensenrechten te respecteren, vind ik terug in de hedendaagse mensenrechtendocumenten.4 In een sociale en democratische rechtsstaat, waartoe Nederland behoort (art. 1 Gw), respecteert de overheid bij het uitoefenen van zijn macht tegenover ‘zijn’ burgers de mensenrechten. Die vormen tezamen met de rechtsstaat en de democratie ‘de drie pijlers van de Raad van Europa’.5 Het uitgangspunt is niet het veelgehoorde ‘wie niets te verbergen heeft, heeft ook niets te vrezen’ maar ‘het dagelijks doen en laten van de burgers gaat de overheid niets aan’.6 Met de woorden van het EVRM: ‘Een ieder heeft het recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.’ (art. 8, lid 1 EVRM). En als grondrechten zijn er het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (art. 10 Gw), de onaantastbaarheid van het lichaam (art. 11 Gw), de huisvrede (art. 12 Gw) en het briefgeheim (art. 13 Gw). Een recht dat overigens niet alleen geldt voor natuurlijke personen.7 Sommige van die bepalingen gelden ook voor rechtspersonen.8 Het Straatsburgse Hof acht de bescherming van de persoonlijke levenssfeer (ex art. 8 EVRM) ook van toepassing op rechtspersonen. 9In dit geval ging het om een mededingingsonderzoek in de bedrijfsruimten (‘siège social, agence en locaux professionels’) van rechtspersonen. In Nederland worden deze rechten met name bepaald door de Grondwet (art. 10 Gw).10 Indien en voorzover die niet de vereiste bescherming biedt, kan het internationale recht bepalend zijn.11 De bescherming van persoonsgegevens is een van de Europese grondrechten.12 Die bepalingen hebben, door hun rechtstreekse werking, op grond van art 94 Gw, en met voorrang op de nationale wetgeving binnen onze rechts orde.13 Dit recht is ook van belang voor het handelen van de Belastingdienst.14 Op een juiste nationale toepassing van die rechten wordt internationaal toezicht gehouden.15
Een inmenging, ook wel aangeduid als aantasting van deze rechten, is volgens het legitimiteitsbeginsel alleen toegestaan indien de wetgeving daarvoor een (wettelijke) fundament biedt.16 Volgens het legaliteitsbeginsel kan de rechtvaardige inmenging slechts plaatsvinden indien
de inbreuk gebaseerd is op de wet (waaronder niet alleen de wet in formele zin maar ook regelgeving in materiële zin is begrepen)17 en
de belastingplichtige over een rechtsmiddel beschikt om zich tegen de inbreuk op het beschermde recht te verzetten.18 Een inhoudelijke beschouwing hiervan volgt later (zie par. 2.4.3.2).
Met toepassing van beide moet de maatschappelijke noodzaak worden bepaald.19 De verplichting om gegevens en inlichtingen te verstrekken aan een toezichthouder moet derhalve wettelijk zijn verankerd (zie par. 2.4.2.3). De regering geeft dat voorschriften waarbij toezichtbevoegdheden worden toegekend bij wet in formele zin moeten worden geregeld.20 Bij een dergelijke verplichting is immers sprake van een inmenging op de grondwettelijk beschermde rechten zoals privacy, huisvrede en briefgeheim (Artt. 10, 12 en 13 Gw). Ook het recht op eigendom wordt hiertoe gerekend.21 Dat laatste bevat alle op waarde te bepalen rechten en legitieme verwachtingen.22
De maatschappelijke noodzaak voor de bevoegdheden van de Belastingdienst vloeit voort uit de hiervoor aangegeven wettelijke taak, namelijk het heffen en innen van belastingen.23 De bevoegdheden met betrekking tot de belastingheffing (het uitvoering geven aan het ‘collectieve belang’) moeten eveneens wettelijk zijn geregeld: in casu in de AWR (zie par. 2.4.2.3).24 Deze wetgeving biedt de algemene juridische grondslag voor de fiscale inmenging in de fundamentele rechten.25
In 1974 bepaalde de Hoge Raad in het arrest Stad Rotterdam: ‘dat, aangenomen dat [MS: Stad Rotterdam] een beroep op het eerste lid van artikel 8 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden zou toekomen, dit beroep reeds moet stranden op hetgeen in tweede lid van dat artikel is bepaald.’ Het hoogste Nederlandse rechtscollege rechtvaardigde de inmenging in de persoonlijke levenssfeer met de argumentatie ‘dat toch, voor zover artikel 49 eerste lid, van de AWR al geacht kan worden de uitoefening van het in artikel 8, eerste lid, Verdrag gewaarborgde recht op ‘respect for his private life…and his correspondence’ te beperken, zulks ingevolge het bepaalde in het tweede lid van dat verdragsartikel wordt toegestaan, nu zodanige beperking kan worden aangemerkt als ‘necessary in a democratic society in the interest of the economic well-being of the country’.26 Het rechtscollege aanvaardde daarmee enerzijds de rechten van de mens als rechtsbeginsel om de Belastingdienst te beperken in de uitoefening van zijn taak.
Anderzijds wordt in de maatschappelijke noodzaak tot het heffen en innen van belastingen de rechtvaardiging gevonden tot inmenging in de mensenrechten.27 Ook in de latere rechtspraak is dit uitgangspunt onbetwist gevolgd. Maar dat biedt geen algemene duidelijkheid over het gewicht van beide. De tijd drukt daarop zijn stempel. Zo is in de samenleving de vraag ontstaan naar begrenzing onder meer, maar niet uitsluitend, van de gegevens die de Belastingdienst mag vergaren en gebruiken (Big Data).28 Anders gezegd, waar de vastgelegde informatie over burgers door de digitalisering enorm is toegenomen, dringt zich in het maatschappelijk debat steeds meer de vraag op: wat de hoofdregel van art. 8 EVRM voor de burger nog waard is?29 Is een dergelijk algemeen toezichtsbelang zwaarwegend genoeg voor de inbreuk op de individuele rechten? De uitzondering op de beperking van de hoofdregel ‘een ieder heeft recht op respect voor privé leven’ en ‘geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht’ wordt immers slechts gerechtvaardigd ‘door zeer zwaarwegende collectieve belangen.’30 Een algemeen collectief belang, voortvloeiend uit de algemene taakstelling van de Belastingdienst, is niet van voldoende ‘gewicht’ om rechtvaardig gebruik te kunnen maken van de uitzondering op de hoofdregel.31 Dit brengt mij bij de tweede kaderstellende factor.
Voor het kunnen beperken van fundamentele rechten van burgers en bedrijven moet in concreto sprake zijn van zeer zwaarwegende collectieve belangen.