Einde inhoudsopgave
Rechten van polishouders bij portefeuilleoverdracht, juridische fusie en juridische splitsing door verzekeraars (O&R nr. 148) 2024/6.3
6.3 Vergelijking met art. 3:95 Wft
mr. A.M.M. Menken, datum 01-01-2024
- Datum
01-01-2024
- Auteur
mr. A.M.M. Menken
- JCDI
JCDI:ADS950472:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Meijer, in: T&C Verzekeringsrecht, art. 3:100 Wft, aant. 1.
Kamerstukken II 1992/93, 23199, nr. 3, p. 49. Op deze pagina is ook vermeld dat een kredietinstelling voordien op grond van art. 81 Wet toezicht verzekeringsbedrijf al wel een verklaring van geen bezwaar nodig had om een deelneming te verwerven in een verzekeraar. Dit betreft de Kamerstukken over de vervanging van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf door de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993.
Kamerstukken II 1921/22, 60, nr. 3, p. 32. Zie hierover ook hoofdstuk 2.2.1. van dit onderzoek.
Meijer, in: T&C Verzekeringsrecht, art. 3:100 Wft.
Jennen, Ondernemingsrecht 2018, p. 751.
DNB Toelichting 2019, p. 11: “Nadrukkelijk staat in de wet dat DNB geen instemming verleent indien de verkrijgende verzekeraar niet voldoet of zal voldoen aan de solvabiliteitsvereisten. Bij het beoordelen van het verzoek betrekt DNB zowel de belangen van de polishouders van de overdragende verzekeraar, als de belangen van de polishouders van de verkrijgende verzekeraar. Naast het voldoen aan de solvabiliteitseisen op moment van overdracht komen onder meer de toekomstverwachtingen en mogelijke wijzigingen in het risicoprofiel, ook wat betreft operationele risico’s, als gevolg van de combinatie en/of splitsing van portefeuilles aan de orde. Kort samengevat komt de beoordeling van DNB van de voorgenomen portefeuilleoverdracht erop neer, dat DNB onderzoekt of de overdragende maar ook de verkrijgende verzekeraar na de overdracht aan alle wettelijke eisen kan voldoen, waaronder de solvabiliteitsvereisten, eisen aan een beheerste bedrijfsvoering en eisen aan de governance van een verzekeraar.”
JC/GL/2016/01. De “Joint Guidelines on the prudential assessment of acquisitions and increases of qualifying holdings in the financial sector” en vertalingen daarvan (onder meer in het Nederlands) zijn onder meer te vinden op https://www.eiopa.europa.eu/publications/joint-guidelines-prudential-assessment-acquisitions-and-increases-qualifying-holdings-banking_en.
Richtsnoeren van een Europese toezichthouder worden ook wel soft law genoemd. Nationale toezichthouders moeten aan de hen betreffende Europese toezichthouder rapporteren of zij aan de richtsnoeren (guidelines) voldoen, en zo niet, waarom niet. Zie hierover Grundmann-van de Krol 2022, p. 197-199. Zie over ‘de betekenis van ‘soft law’ in de financiële toezichtwetgeving’ De Serière en Jennen, Ondernemingsrecht 2017/143, p. 796-808.
De ‘Beleidsregel toepassing richtsnoeren Europese toezichthoudende autoriteiten Wft 2019’ (Staatscourant 2019, nr. 18510) van DNB bevat een tabel waarin de richtsnoeren van Europese toezichthoudende autoriteiten staan vermeld met inachtneming waarvan DNB het toezicht uitoefent op de naleving van het bij of krachtens de Wft bepaalde. Deze Gemeenschappelijke richtsnoeren staan in die tabel vermeld. Op de website van DNB staat een geactualiseerde versie van deze tabel, waarin deze Gemeenschappelijke richtsnoeren nog steeds staan vermeld. Zie over de juridische status van beleidsregels van DNB en AFM De Serière en Jennen, Ondernemingsrecht 2017/143, p. 796-808.
Par. 13.4 van deze Gemeenschappelijke richtsnoeren luidt: “De doeltoezichthouder beoordeelt het vermogen van de doelonderneming om ten tijde van de voorgenomen verwerving te voldoen aan alle prudentiële eisen, (…), en om daaraan na de voorgenomen verwerving te kunnen blijven voldoen.” Deze richtsnoeren betreffen de vvgb-verplichting bij de verwerving van deelnemingen.
De Wft-artikelen die in dit proefschrift worden besproken betreffen de overdracht van verzekeringsovereenkomsten door een verzekeraar aan een andere verzekeraar. De overdracht van aandelen in een verzekeraar is elders geregeld. Art. 3:95 Wft bepaalt onder meer dat het verboden is, anders dan na verkregen verklaring van geen bezwaar, een gekwalificeerde deelneming te houden of te verwerven in een verzekeraar met zetel in Nederland. Art. 1:1 Wft definieert de gekwalificeerde deelneming als een rechtstreeks of middellijk belang van ten minste tien procent van het geplaatste kapitaal van een onderneming of het rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen van ten minste tien procent van de stemrechten in een onderneming, of het rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen van een daarmee vergelijkbare zeggenschap in een onderneming.1Art. 3:100 Wft bevat een limitatieve lijst van prudentiële criteria.2 De verklaring van geen bezwaar (‘vvgb’) wordt verleend door DNB. In dat kader wil ik enkele opmerkingen maken:
1. De achtergrond van het vereiste van een vvgb in geval van de verwerving van een gekwalificeerde deelneming verschilt van de achtergrond van het vereiste van een instemmingsbesluit bij een portefeuilleoverdracht.
De Wft-regeling ten aanzien van portefeuilleoverdrachten dateert voor levensverzekeraars in feite al uit 1923 (Wet op het levensverzekeringbedrijf) en voor schadeverzekeraars uit 1966 (Wet op het schadeverzekeringsbedrijf). Het vereiste van een vvgb voor een gekwalificeerde deelneming in een verzekeraar werd voor het eerst gesteld in de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, in werking getreden op 1 juli 1994, in verband met vereisten in de derde richtlijn levensverzekering en de derde richtlijn schadeverzekering.3 Dat daar zeventig jaar tussen zat, illustreert eigenlijk fraai dat de toezichtrechtelijke regeling voor de portefeuilleoverdracht (in ieder geval oorspronkelijk) een andere achtergrond had dan deze vvgb-regeling. Het burgerlijk recht vereist voor een contractsovername de medewerking van polishouders (thans art. 6:159 BW). Een bijzondere regeling voor de portefeuilleoverdracht werd noodzakelijk geacht om het overdragen van verzekeringsportefeuilles te vergemakkelijken (samenvoeging van ondernemingen zou vaak ook in het belang van verzekerden zijn), terwijl de regeling er ook voor moest zorgen dat toch voldoende rekening werd gehouden met de belangen van verzekerden.4 De vvgb-regeling in art. 3:95 Wft moet gezien worden in het licht van het uitoefenen van prudentieel toezicht.
2. Desalniettemin werpt één van de criteria van art. 3:100 Wft voor het verlenen van een vvgb toch wel enig nader licht op de toetsing door DNB van een portefeuilleoverdracht.
Art. 3:100 Wft bevat criteria genummerd van a tot en met f waaraan voldaan moet zijn voor het verlenen van een vvgb als bedoeld in art. 3:95 Wft, zoals dat de betrouwbaarheid van de aanvrager buiten twijfel staat en ten aanzien van de financiële soliditeit van de aanvrager.5 De criteria voor het verlenen van een vvgb staan dus wel in de Wft, terwijl de criteria voor het beoordelen van de aanvraag van instemming met een portefeuilleoverdracht niet in de Wft staan vermeld. Omdat bij een portefeuilleoverdracht de verkrijger een verzekeraar is die al een vergunning heeft, zullen de meeste van de criteria vermeld in art. 3:100 Wft niet op overeenkomstige wijze een rol spelen bij de toetsing door DNB van een aanvraag van instemming met een portefeuilleoverdracht.
De toetsing op grond van art. 3:100 lid 1 onder d Wft is echter juist wel interessant om in beschouwing te nemen bij het bestuderen van de toetsing door DNB in geval van een portefeuilleoverdracht. De vvgb voor het houden van een gekwalificeerde deelneming wordt niet verleend als “de financiële onderneming als gevolg van de gekwalificeerde deelneming niet zal kunnen blijven voldoen aan de prudentiële regels die ingevolge deze wet zijn gesteld”. Met “de financiële onderneming” wordt hier dus de onderneming bedoeld waarin de verkrijger de gekwalificeerde deelneming wil verwerven. Jennen6 licht deze toetsing op grond van art. 3:100 lid 1 onder d Wft verder toe met “Het gaat hier niet alleen om de kapitaalvereisten, maar bijvoorbeeld ook de vereisten op het gebied van corporate governance en integere en beheerste bedrijfsvoering. DNB zal beoordelen wat de impact van de voorgenomen verwerving is op de financiële onderneming. Afhankelijk van de omvang van de deelneming en de plannen van de aanvrager met de financiële onderneming, zal deze beoordeling meer of minder diepgaand zijn en zal meer of minder informatie moeten worden verstrekt.” Deze verwoording doet meteen denken aan de tekst in de DNB Toelichting 2019 over wat wordt onderzocht in geval van een verzoek om instemming voor een portefeuilleoverdracht door een verzekeraar aan een andere verzekeraar.7 De bewoordingen van Jennen kleuren dus ook die toetsing verder in.
Op 1 oktober 2017 zijn “Gemeenschappelijke richtsnoeren van de Europese toezichthoudende autoriteiten inzake de prudentiële beoordeling van verwervingen en vergrotingen van gekwalificeerde deelnemingen in de financiële sector”8 in werking getreden. Het gaat hier om gezamenlijke richtsnoeren van drie toezichthoudende autoriteiten: de European Banking Authority (‘EBA’), de European Insurance and Occupational Pensions Authority (‘EIOPA’) en de European Securities and Markets Authority (‘ESMA’).9 DNB heeft aangegeven deze richtsnoeren toe te passen bij de toetsing op grond van art. 3:100 Wft.10 Deze richtsnoeren bevatten een paragraaf “Naleving van de prudentiële eisen door de doelonderneming – vierde beoordelingscriterium”. Dit deel van de richtsnoeren zou dus ook meer inzicht kunnen geven in de brede toetsing door DNB bij een portefeuilleoverdracht. Die paragraaf bevat echter niet echt verdere verduidelijking ten aanzien van deze toetsing op grond van art. 3:100 lid 1 onder d Wft.11 Wat ik in dit onderdeel van de richtsnoeren met name interessant vond, is dat blijkbaar in het kader van art. 3:100 lid 1 onder d Wft niet voor een specifieke termijn na het plaatsvinden van de transactie wordt bekeken of de financiële onderneming aan de prudentiële eisen kan blijven voldoen. Ik ga ervan uit dat dit ook bij de toetsing van een verzoek om instemming voor een portefeuilleoverdracht het geval is. De tekst van de DNB Toelichting 2019 impliceert dat eigenlijk ook.
3. De toetsingscriteria voor een vvgb staan in de Wft, maar de criteria voor de toetsing van een aanvraag tot instemming met een portefeuilleoverdracht niet.
Art. 3:100 Wft bevat dus een limitatieve opsomming van de gronden waarop DNB een vvgb kan weigeren. Dit wetsartikel is niet alleen interessant om in beschouwing te nemen om te bezien of de daarin vermelde criteria nader licht kunnen werpen op de toetsing die door DNB wordt uitgevoerd bij het beoordelen van een aanvraag van instemming met een portefeuilleoverdracht. Deze wettelijke bepaling waarin de criteria voor het verlenen van een vvgb staan opgesomd, roept ook de vraag op of er alsnog een wettelijke bepaling zou moeten komen waarin de door DNB gehanteerde criteria voor de beoordeling van een aanvraag van instemming met een portefeuilleoverdracht staan beschreven. In art. 3:118 lid 1 Wft is vermeld dat DNB slechts instemt met een overdracht aan een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in Nederland, indien deze levensverzekeraar of schadeverzekeraar, mede gelet op de voorgenomen overdracht, voldoet aan het solvabiliteitskapitaalvereiste en er bij DNB geen bedenkingen bestaan tegen de overdracht. In de Wft is dus uitsluitend het criterium van het voldoen aan het solvabiliteitskapitaalvereiste expliciet vermeld. Het artikel vermeldt geen nadere weigeringsgronden (of zo men wil: toetsingscriteria). In hoofdstuk 9.2 over de wettelijke regeling van de portefeuilleoverdracht in België beschrijf ik dat de criteria die de Belgische toezichthouder hanteert bij de beoordeling van een verzoek om instemming wel in de wet staan vermeld. Ik ben van mening dat het in beginsel toegevoegde waarde kan hebben om een dergelijke bepaling aan de Wft toe te voegen. Dit dient de rechtszekerheid van de betrokken verzekeraars en de belangen van polishouders. Een dergelijke bepaling kan ook van belang zijn in het geval van rechterlijke toetsing van het instemmingbesluit van DNB. In hoofdstuk 10.4 zal ik deze gedachte uitwerken. Ik heb daar de aanbeveling opgenomen een wettelijke bepaling met de toetsingscriteria toe te voegen aan de Wft.