Einde inhoudsopgave
Rechten van polishouders bij portefeuilleoverdracht, juridische fusie en juridische splitsing door verzekeraars (O&R nr. 148) 2024/6.9
6.9 Rol van de AFM
mr. A.M.M. Menken, datum 01-01-2024
- Datum
01-01-2024
- Auteur
mr. A.M.M. Menken
- JCDI
JCDI:ADS950455:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De Belgische toezichtrechtelijke regeling over portefeuilleoverdracht bevat wel een verplichting voor de Belgische prudentiële toezichthouder (NBB) om de Belgische gedragstoezichthouder (FSMA) hierover te informeren. Zie hoofdstuk 9.2.2 van dit onderzoek.
In het in die afdeling opgenomen art. 1:47b Wft is wél bepaald dat DNB de AFM in de daar omschreven gevallen in de gelegenheid moet stellen advies uit te brengen alvorens zij een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in art. 3:95 Wft verleent. Van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in art. 3:95 Wft is bij een portefeuilleoverdracht geen sprake. Zie met betrekking tot art. 3:95 Wft hoofdstuk 6.3 van dit proefschrift. Zie met betrekking tot art. 1:47b Wft Grundmann-van de Krol 2022, p. 557.
Een nieuwe versie van dit convenant is gepubliceerd in de Nederlandse Staatscourant van 13 juli 2023, nr. 19513.
Art. 1.1.1 van dit convenant.
Zie hoofdstuk 6.2 van dit onderzoek.
Silverentand en Van der Eerden 2018, par. 1.5, p. 7-8.
EIOPA ‘Supervisory statement on supervision of run-off undertakings’, 7 april 2022, https://www.eiopa.europa.eu/media/news/eiopa-issues-supervisory-statement-supervision-of-run-undertakings_en. EIOPA publiceerde in 2021 een consultatieversie van deze verklaring, de ‘Consultation paper on supervisory statement on supervision of run-off undertakings’, EIOPA-BoS-21/318, 8 juli 2021, https://www.eiopa.europa.eu/document-library/consultation/consultation-supervisory-statement-supervision-of-run-undertakings_en. Zie over het consultatiedocument de ‘blog’ van Van Wijk en Land, VAST 2021/B-046. Tegelijk met de definitieve versie werd een ‘Feedback statement from comments received on the supervisory statement on supervision of run-off undertakings’ gepubliceerd met een reactie op de ontvangen opmerkingen.
In de inleiding wordt een toelichting gegeven op de juridische basis van dit supervisory statement. Eerst wordt verwezen naar art. 29(2) van de verordening waarmee EIOPA in 2010 werd opgericht. Het betreft “Verordening (EU) Nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/79/EG van de Commissie”. Dit art. 29(2) bepaalt: “De Autoriteit kan in voorkomend geval nieuwe praktische instrumenten en convergentiehulpmiddelen ontwikkelen ter bevordering van gemeenschappelijke toezichtbenaderingen en -praktijken.” Daarna wordt opgemerkt dat deze verklaring wordt uitgevaardigd op basis van de Solvency II-richtlijn en is gericht aan de nationale toezichthouders. Ten slotte wordt opgemerkt dat de Raad van Toezichthouders van EIOPA tot deze verklaring heeft besloten in overeenstemming met art. 2(7) van zijn reglement. Dit artikel bepaalt: “The Board of Supervisors shall give guidance to the work of EIOPA and shall be in charge of taking the decisions referred to in Chapter II of Regulation (EU) No 1094/2010.” In het in de vorige voetnoot genoemde feedback statement wordt opgemerkt dat de verklaring in samenhang met enkele eerder uitgevaardigde richtsnoeren (‘guidelines’) moet worden gelezen en geen nieuwe verplichtingen oplegt. Dit betreft richtsnoeren waarvan DNB in haar ‘Beleidsregel toepassing richtsnoeren Europese toezichthoudende autoriteiten Wft 2019’ (Staatscourant 2019, 18510) heeft aangegeven dat zij het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de Wft bepaalde, uitoefent met inachtneming daarvan.
Een dergelijke uiting van een Europese financiële toezichthouder valt onder het begrip soft law. Zie over ‘de betekenis van ‘soft law’ in de financiële toezichtwetgeving’ De Serière en Jennen, Ondernemingsrecht 2017/143, p. 796-808. Zij verstaan onder soft law alle uitingen van de Nederlandse en Europese financiële toezichthouders die niet formeel juridisch bindend zijn voor financiële ondernemingen, maar wel (indirecte) juridische effecten kunnen hebben en gericht zijn op het bewerkstelligen van effecten in de praktijk.
Art. 3.2. spreekt over een ‘material part of the undertaking’s business’. In de ‘Feedback statement from comments received on the supervisory statement on supervision of run-off undertakings’ (p. 4) wordt opgemerkt dat het van het specifieke risicoprofiel, het bedrijfsmodel en de complexiteit van het bedrijf afhangt wat bij een bepaalde onderneming ‘material’ is.
Art. 5.5.
Art. 4.1., 5.2. en 5.3. Volgens de ‘Feedback statement from comments received on the supervisory statement on supervision of run-off undertakings’ (p. 5) is hier weloverwogen voor de rol van een externe actuaris gekozen.
Art. 5.2. juncto 4.1.
Art. 5.10. Deze tekst doet mij overigens zodanig denken aan het Nederlandse Haviltex-arrest, dat ik niet geheel uitsluit dat een Nederlandse jurist heeft meegewerkt aan het opstellen van het consultatiedocument. Zie over maatschappijwinstdeling en het Haviltex-arrest hoofdstuk 5.7.4 van dit proefschrift.
Art. 5.6.
Art. 5.12.
Art. 5.12.
Art. 7.
Art. 7.2.
Dat wil zeggen de toetsing zoals omschreven in artikel 1 tot en met 6.
Art. 7.4.
Art. 7.5.
Art. 7.7.
Zie Kamerstukken II 2003/04, 29708, nr. 3, p. 6: “In dat verband is het van belang dat op basis van de Wft besluiten altijd maar door één toezichthouder kunnen worden genomen. Voorop staat derhalve dat de toezichthouders zelfstandig kunnen opereren in hun eigen toezichtdomein en het toezicht niet lam wordt gelegd door competentiegeschillen. Dat neemt niet weg dat een toezichthouder de ander waar nodig betrekt en diens oordeel meeweegt bij de besluitvorming.”
In hoofdstuk 9.3.3 van dit onderzoek ga ik in op de inhoud van een uitgebreid document van de FCA (de Engelse gedragstoezichthouder) over haar rol bij portefeuilleoverdrachten. In hoofdstuk 9.3.6 stel ik dat het naar mijn mening in het belang is van Nederlandse polishouders, indien de Nederlandse gedragstoezichthouder AFM aan de hand van de door de FCA opgestelde documenten reflecteert op haar rol in het proces van een portefeuilleoverdracht en dan een ‘eigen’ document opstelt over haar rol in een dergelijk proces in Nederland.
Op 20 juni 2023 heeft de AFM het document “Closedbook-levensverzekeringen. Een onderzoek naar dienstverlening, uitbesteding en informatieverstrekking” gepubliceerd. Zie https://www.afm.nl/nl-nl/sector/actueel/2023/juni/klantbelang-centraal-closedbook-levensverzekeraars. De AFM gaat in het document niet in op haar rol als gedragstoezichthouder bij portefeuilleoverdrachten van “closed book”-portefeuilles.
Inleiding
In de afdeling in de Wft waarin de portefeuilleoverdracht wordt geregeld (afdeling 3.5.1A Wft) zijn geen taken toebedeeld aan de AFM. De afdeling bevat ook geen bepaling op grond waarvan DNB de AFM zou moeten informeren over het ontvangen van een aanvraag ter verkrijging van instemming met een overdracht van verzekeringen of over het verlenen van instemming.1 Hoofdstuk 1.3 van het Algemeen deel van de Wft regelt de samenwerking tussen toezichthouders. Afdeling 1.3.1 daarvan, met de titel: Samenwerking toezichthouders nationaal, bevat ook géén verplichting van DNB om de AFM over aanvragen van instemming met een portefeuilleoverdracht, of de beslissingen daarover, te informeren.2
Het samenwerkingsconvenant tussen de AFM en DNB bevat evenmin een verplichting van DNB om de AFM over aanvragen van instemming met een portefeuilleoverdracht, of de beslissingen daarover, te informeren.3 In het convenant is wel bepaald dat de toezichthouders elkaar actief informeren over ontwikkelingen bij onder toezicht staande instellingen, die voor de ander relevant zijn.4 Ik veronderstel daarom dat DNB de AFM in de praktijk over een deel van de verzoeken om instemming voor een portefeuilleoverdracht wel informeert.
Op 7 april 2022 publiceerde de European Insurance and Occupational Pensions Authority (‘EIOPA’) een verklaring over het toezicht op verzekeraars in ‘run-off’. Deze verklaring geeft naar mijn mening richting aan DNB over de situaties waarin DNB de AFM in ieder geval over een voorgenomen portefeuilleoverdracht moet informeren. Hierna ga ik daarom in op die verklaring van EIOPA. Ter inleiding daarvan zal ik eerst kort ingaan op wat de rol van de AFM als gedragstoezichthouder inhoudt.
Onderscheid prudentieel toezicht en gedragstoezicht
We onderscheiden in Nederland prudentieel toezicht en gedragstoezicht. DNB is de toezichthouder die verantwoordelijk is voor het prudentieel toezicht.5 AFM is de toezichthouder die verantwoordelijk is voor het gedragstoezicht. De essentie van gedragstoezicht is omschreven in art. 1:25 Wft. De tekst van lid 1 en lid 2 van dat wetsartikel luidt als volgt:
Gedragstoezicht is, mede in het belang van de stabiliteit van het financiële stelsel, gericht op ordelijke en transparante financiëlemarktprocessen, zuivere verhoudingen tussen marktpartijen en zorgvuldige behandeling van cliënten.
De Autoriteit Financiële Markten heeft, op de grondslag van deze wet, tot taak het gedragstoezicht op financiële markten uit te oefenen en te beslissen omtrent de toelating van financiële ondernemingen tot die markten.
Waar het prudentieel toezicht zich dus richt op de soliditeit van financiële ondernemingen en op de stabiliteit van de financiële sector, is het gedragstoezicht (zo volgt uit de tekst van lid 1) met name gericht op een zorgvuldige behandeling van cliënten. Bij het gedragstoezicht gaat het met name om “het gedrag van financiële ondernemingen jegens eenieder die zich op de financiële markten begeeft”.6
EIOPA ‘Supervisory statement on supervision of run-off undertakings’
Op 7 april 2022 publiceerde EIOPA een verklaring over het toezicht op verzekeraars in ‘run-off’ (de ‘EIOPA Verklaring’).7 Deze verklaring heeft niet alleen betrekking op het doorlopend toezicht op ‘run-off’ verzekeraars, maar ook op de overdracht van ‘run-off’ portefeuilles. De verklaring is gericht aan de nationale toezichthouders.8 Nationale toezichthouders, zoals DNB, worden geacht bij het verlenen van instemming voor de overdracht van ‘run-off’ portefeuilles rekening te houden met de inhoud van deze EIOPA Verklaring.9
Een verzekeraar kan besluiten om in zijn gehele portefeuille of een deel daarvan geen nieuwe verzekeringsovereenkomsten meer te sluiten. Dit is de situatie die in deze verklaring als ‘run-off’ wordt aangeduid. De EIOPA Verklaring heeft betrekking op de situatie dat de verzekeraar met zijn gehele portefeuille in ‘run-off’ is gegaan of met een belangrijk deel10 daarvan. EIOPA beschrijft onder meer welke aspecten een toezichthouder in ieder geval in zijn beoordeling moet betrekken wanneer een verzekeraar een ‘run-off’ portefeuille wil verwerven. Zo moet de toezichthouder volgens EIOPA het bedrijfsmodel van de overnemer beoordelen, de verwachte veranderingen in het risicoprofiel, de ‘governance’ (inclusief de interne governance met betrekking tot producten), risicomanagement en de solvabiliteitspositie (zowel de ontwikkeling van het solvabiliteitskapitaalvereiste als van het eigen vermogen).11 Er wordt gesteld dat de toezichthouder financiële projecties moet vragen en beoordelen die betrekking hebben op de gehele resterende looptijd van de ‘run-off’ portefeuille. De toezichthouder zou volgens deze verklaring ook allerlei specifieke informatie moeten verlangen, zoals bijvoorbeeld een overzicht van de assumpties die ten grondslag liggen aan de financiële projecties, alsmede een rapport van een externe actuaris over de ontwikkeling van de technische voorzieningen ‘gerelateerd’ aan de portefeuilleoverdracht.12 Volgens EIOPA moet bijvoorbeeld ook inzicht worden verschaft in de kostenontwikkeling gedurende de resterende looptijd van de verzekeringsportefeuille en de doorbelasting daarvan aan de polishouders.13 Ten aanzien van polissen met maatschappijwinstdeling wordt opgemerkt dat de toezichthouder moet bewaken dat de winstdeling niet onredelijk wordt verlaagd en dat de aanspraken grotendeels (‘mostly’) in lijn blijven met wat de polishouder redelijkerwijs mag verwachten,14 met dien verstande dat ook externe factoren (zoals marktomstandigheden) en regelgeving van het desbetreffende land relevant zijn bij de beschouwingen hierover van de toezichthouder. Expliciet wordt opgemerkt dat de bescherming van polishouders één van de belangrijkste doelstellingen moet zijn van het toezicht op de transactie.15 Indien de verkrijger een ‘private equity’ investeerder is, dan moet de toezichthouder zich ook grondig verdiepen in het door die investeerder, en de eigenaren van die investeerder, na de eventuele eerdere verkrijging van portefeuilles gevoerde beleid (het ‘track record’).16 EIOPA verwacht van de nationale toezichthouders ook een analyse welke scenario’s zich kunnen voordoen als de private equity investeerder op enig moment besluit de verzekeringsportefeuille of de verkrijgende verzekeraar weer te desinvesteren.17
Deze EIOPA Verklaring komt op mij over als een doorwrochten document, waaraan waarschijnlijk door medewerkers van een aantal nationale toezichthouders is meegewerkt. Ik veronderstel dat DNB de afgelopen jaren bij de overdracht van ‘run-off’ portefeuilles de in de verklaring genoemde aspecten al in het toezicht betrok. Naar mijn mening zal deze verklaring voor het door DNB gehouden toezicht daarom geen grote wijzigingen meebrengen. Desalniettemin is het zeker nuttig dat EIOPA een dergelijk document heeft opgesteld. Ik kan mij namelijk voorstellen dat er in bepaalde andere landen een ‘lichtere’ toetsing plaatsvindt. Het is in het belang van de polishouders dat in de gehele Europese Unie bij de overdracht van een ‘run-off’ portefeuille dezelfde verscheidenheid aan aspecten in de beoordeling wordt betrokken.
Waar in Nederland zeker wel aandacht voor vereist is, is het laatste artikel van de verklaring.18 Dit artikel heeft betrekking op het gedragstoezicht. EIOPA beveelt daarin aan dat ook de gedragstoezichthouder bij de portefeuilleoverdracht van een ‘run-off’ portefeuille betrokken zou moeten zijn om de belangen van de polishouders te beschermen:
“In case a Member State has different supervisory authorities for prudential and conduct supervision, EIOPA recommends that the prudential supervisory authority takes advice and involves the relevant conduct supervisor.”19
DNB zal bij dergelijke overdrachten dus de samenwerking met de AFM moeten gaan zoeken. Het belang van deze verklaring van EIOPA voor Nederland ligt naar mijn mening eigenlijk eerder in de omschrijving van de rol die de AFM bij een dergelijke portefeuilleoverdracht zou moeten gaan vervullen, dan in de omschrijving van de taken van DNB. Als gezegd veronderstel ik namelijk dat DNB die toetsing20 in de praktijk al verricht. Blijkens deze verklaring heeft EIOPA voor ogen dat de AFM zich bij de overdracht van ‘run-off’ portefeuilles bijvoorbeeld verdiept in de vraag in hoeverre de klant gedurende de resterende looptijd van de portefeuille centraal zal blijven staan bij de verkrijgende verzekeraar,21 de wijze waarop de verzekeraars gaan communiceren met de polishouders over de gevolgen van de portefeuilleoverdracht22 en wat het niveau van de ‘service’ zal zijn na de portefeuilleoverdracht.23
Het systeem van de Wft gaat ervan uit dat besluiten steeds door één toezichthouder worden genomen.24 Het past in dat kader dat EIOPA in deze verklaring spreekt over het uitbrengen van een advies door de gedragstoezichthouder aan de prudentiële toezichthouder. Het is dan vervolgens de prudentiële toezichthouder die een besluit neemt.
Slotbeschouwingen
Naar mijn mening zou deze verklaring van EIOPA voor DNB en AFM aanleiding moeten zijn om concrete afspraken te maken over hun onderlinge samenwerking bij overdracht van ‘run-off’ portefeuilles. Het komt mij voor dat de praktijk zou moeten zijn of worden dat DNB bij de overdracht van ‘run-off’ portefeuilles altijd advies vraagt aan de AFM en dat DNB dat advies in haar beschouwingen betrekt bij het nemen van een besluit over de gevraagde instemming.
Ik ben ook van mening dat het ter bescherming van de belangen van de betrokken polishouders goed zou zijn, indien DNB niet alleen bij de overdracht van ‘run-off’ portefeuilles, maar bij alle portefeuilleoverdrachten advies aan de AFM vraagt, voordat zij een besluit neemt over een aanvraag van instemming. In de huidige situatie zou het immers in theorie kunnen voorkomen dat de AFM niet op de hoogte is van de overdracht van een verzekeringsportefeuille van de ene verzekeraar aan een andere verzekeraar. Het zou dan kunnen gebeuren dat bij de beoordeling van de aanvraag van instemming aan bepaalde typisch gedragstoezichtrechtelijke onderwerpen door DNB geen aandacht wordt besteed, terwijl het in het belang van polishouders zou zijn geweest indien een toezichthouder wat die onderwerpen betreft in het proces wel een rol had gespeeld.
Overigens lijkt het mij ook wenselijk dat de AFM een document publiceert waarin zij meer in het algemeen, dus niet alleen voor ‘run-off’ portefeuilles, uiteenzet hoe zij haar rol als gedragstoezichthouder ziet bij portefeuilleoverdrachten.25 De AFM zou in het te publiceren document dan ook kenbaar moeten maken aan welke zaken zij belang hecht om een positief advies aan DNB te kunnen uitbrengen.26
Bij mijn aanbevelingen in hoofdstuk 10.4 ga ik hier verder op in.