Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/6.3.4.4
6.3.4.4 De bevoegdheid tot het intrekken en terugvorderen van Europese subsidies
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS396093:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie artikel 4:57 van de Awb.
Zie hoofdstuk 5, paragraaf 5.7.5.
Zie artikel 80. Deze verordening ziet onder meer op de bedrijfstoeslag. In andere Europese subsidieverordeningen wordt deze bepaling van overeenkomstige toepassing verklaard. Zie bijvoorbeeld artikel 13, negende lid, van de Commissieverordening nr. 288/2009 (schoolfruitregeling). Het artikel is ook van toepassing op de terugvordering van ELFPO-subsidies. Zie artikel 2 van de Commissieverordening nr. 1975/2005. In deze bepalingen wordt overigens nog wel verwezen naar de voorganger van artikel 80 van de Commissieverordening nr. 1122/2009, namelijk artikel 73 van de Commissieverordening nr. 796/2004.
Zie artikel 49, eerste lid. Deze Commissieverordening ziet op de exportrestituties.
Een dergelijke situatie was bijvoorbeeld aan de orde in CBb 3 juli 2008, LJN BD7102. In deze uitspraak ging het nog om de Commissieverordening 3887/92 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen.
HvJEG 19 november 2002, C-304/00 (Strawson), Jur. 2002, p. 1-10737. Zie wat betreft de exportrestituties HvJEG 5 februari 1987, 288/85 (Plange), Jur. 1987, p. 611 waaruit volgt dat de vrijgave van een waarborg, op grond waarvan de betaling van vooruitbetaalde of voorgeschoten restitutie definitief wordt, geen invloed heeft op de verplichting tot terugbetaling van de restitutie. Zie CBb 24 december 2009, LJN BL9703.
Zie bijvoorbeeld CBb 8 juli 2009, LJN BJ6462; CBb 20 september 2007, AB 2007, 361, m.nt. R. Ortlep, r.o. 5.3; CBb 23 april 2007, AB 2007, 247, m.nt. A.P.W. Duijkersloot en R. Ortlep, r.o. 5.7; CBb 17 mei 2006, AB 2006, 313, m.nt. A.P.W. Duijkersloot, r.o. 5.2; CBb 7 december 2005, LJN AU7885, r.o. 5.7; CBb 23 november 2005, LJN AU7842, r.o. 5.6; CBb 24 juni 2005, LJN AT8929, r.o. 5.4.
Zie CBb 8 juli 2009, LJN BJ6462, r.o. 2.3; CBb 2 februari 2009, LJN BH3311; CBb 24 juni 2005, LJN AT8929, r.o. 5.4. Zie hieromtrent ook Overkleeft-Verburg in punt 5 bij haar noot bij CBb 1 september 2006, JB 2007/18.
Zie bijvoorbeeld CBb 8 december 2009, LJN BL4431, r.o. 5.2; CBb 8 juli 2009, LJN BJ6462, r.o. 2.3; CBb 28 mei 2009, LJN BI9209, r.o. 52; CBb 29 april 2009, LJN BI7106; CBb 7 december 2005, LJN AU7885, r.o. 5.6. In sommige van deze uitspraken volstaat het CBb met de overweging dat het nationaal bestuursorgaan op grond van de verplichting voor de aanvrager om bij onverschuldigde betaling de Europese subsidies terug te betalen die is neergelegd in een Europese verordening, gehouden is om op onjuiste beslissingen terug te komen en onverschuldigd betaalde bedragen terug te vorderen. Een dergelijke overweging is te kort door de bocht. Mijns inziens vloeit de bevoegdheid om op onjuiste beslissingen terug te komen voort uit bepalingen neergelegd in de Europese subsidieverordeningen waaruit volgt op hoeveel Europese subsidie recht bestaat in combinatie met de jurisprudentie van het Hof van Justitie waaruit volgt dat deze bepalingen ook moeten worden toegepast in gevallen waarin de Europese subsidie reeds is vastgesteld.
Zie bijvoorbeeld CBb 17 mei 2006, LJN AX7770 waarin het College overweegt dat aangezien de voorschriften inzake de terugvordering van ten onrechte betaalde steunbedragen dwingendrechtelijk zijn bepaald, verweerder hieraan rechtens is gebonden en dan ook verplicht was de ten onrechte aan appellante betaalde steunbedragen terug te vorderen. Het College gaat niet in op het betoog van appellant dat er geen bevoegdheid bestond om tot terugvordering over te gaan.
ABRvS 10 maart 2010, AB 2011, 68, m.nt. J.E. van den Brink (Wamstelcer). Ook de minister had in dat geval de intrekking van het besluit tot subsidieverlening gebaseerd op artikel 4:48 van de Awb.
Over de vraag of ook het Nederlands legaliteitsbeginsel dit vereist kan men twisten. Een en ander is afhankelijk van de vraag in hoeverre men van mening is dat een geïmpliceerde bevoegdheid tot intrekking van de Europese subsidie bestaat. Zie paragraaf 6.3.2. Nu in de subsidietitel van de Awb is gekozen voor een wettelijke grondslag voor het intrekken van subsidies, zou van deze eis in het kader van verstrekking van Europese subsidies mijns inziens niet moeten worden afgeweken.
Zie de artikelen 68 t/m 70 en artikel 61, eerste lid, van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006.
Zie wat betreft de ELFPO-subsidies die door de minister van EL&I worden verstrekt artikel 120, derde lid, van de Regeling LNV-subsidies. Voor de ELFPO-subsidies die door GS worden verstrekt geldt dat de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer alleen een grondslag biedt voor het verlagen van de jaarvergoedingen die in het besluit tot subsidieverlening zijn neergelegd. Het lijkt erop dat de artikelen 10.1 en 10.2 van de Subsidieregeling Natuur- en Landschapsbeheer Noord-Brabant niet zien op de mogelijkheid de jaarvergoeding te verlagen indien de subsidie na zes jaar is vastgesteld (zie artikel 4.1.1.10).
Ervan uitgaande dat de subsidietitel van de Awb niet van toepassing is op de bedrijfstoeslag.
Hierop wordt uitgebreid ingegaan in paragraaf 6.4.3.5.
Dit speelde bijvoorbeeld in de zaak Wamsteker (ABRvS 10 maart 2010, AB 2011, 68, m.nt. J.E. van den Brink). Zie uitgebreid paragraaf 6.8.6.11.
In hoofdstuk 5, paragraaf 5.7.5.6, is besproken dat de Europese landbouwsubsidieverordeningen niet altijd duidelijk zijn over de vraag of ook de nationale cofinanciering moet worden ingetrokken. Zekerheidshalve kan een bevoegdheidsgrondslag worden opgenomen, daarbij indachtig dat voor de nog te bespreken structuurfondsen en het Europees Visserijfonds intrekking van de nationale cofinanciering wel is voorgeschreven in de Europese subsidieverordeningen.
Vergelijk thans artikel 61, eerste lid, van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 waarin is bepaald dat indien een bedrag aan subsidie ten onrechte is uitbetaald, dit bedrag en de rente daarover overeenkomstig artikel 80 van de Commissieverordening nr. 1122/2009 wordt teruggevorderd.
Zie bijvoorbeeld artikel 23, eerste lid, van de Coördinatieverordening.
Zie ABRvS 30 augustus 2006, AB 2007, 240, m.nt. M.J. Jacobs & W. den Ouden onder AB 2007, 241, JB 2006/303, m.nt. AJB (Sociaal Economische Samenwerking West-Brabant); ABRvS 30 augustus 2006, AB 2007, 241, m.nt. M.J. Jacobs & W. den Ouden (Cedris); ABRvS 30 augustus 2006, LJN AY7173(Gemeente Rotterdam).
ABRvS 1 ljanuari 2006, AB 2006, 208, m.nt. W. den Ouden, Gst. 2006, 98, p. 372, m.nt. R.J.M. van den Tweel. Zie omtrent deze uitspraak Van den Tweel 2007; Den Ouden 2008, p. 14 en 15; Gorissen 2009A.
Zie hieromtrent Den Ouden 2008, p. 14.
Zie Den Ouden 2008, p. 15.
Beschikking van de president van het HvJEG 5 juni 2008, Pb. 2008, C 285/32.
Zie hoofdstuk 4, paragraaf 42.10.4.
ABRvS 24 december 2008, AB 2009, 96, m.nt. W. den Ouden, JB 2009/53, m.nt. AJB (gemeente Rotterdam); ABRvS 24 december 2008, IJN13G8283 (Sociaal Economische Samenwerking West-Brabant I); ABRvS 24 december 2008, AB 2009, 95 (Sociaal Economische Samenwerking West-Brabant II), m.nt. W. den Ouden bij ABRvS 24 december 2008, AB 2009, 96 (gemeente Rotterdam); ABRvS 24 december 2008, LJN BG8291 (Cedris).
Zie Ortlep 2011, p. 379; Ortlep 2009, p. 98-99.
Zie Den Ouden in punt 6 van haar annotatie bij ABRvS 24 december 2008, AB 2009, 96 (gemeente Rotterdam).
Zie hoofdstuk 3, paragraaf 3.2.2.3.
Voor Den Ouden is niet duidelijk waarom artikel 4:49 van de Awb EU-conform moest worden geïnterpreteerd om het bevoegde bestuursorgaan te identificeren. Zie Den Ouden in punt 6 van haar annotatie bij ABRvS 24 december 2008, AB 2009, 96 (gemeente Rotterdam). Den Ouden gaat er kennelijk vanuit dat een EU-conforme uitleg van artikel 4:49 van de Awb alleen noodzakelijk zou zijn geweest indien één van de daarin neergelegde intrekkingsgronden zou zijn toegepast. Dit is echter niet het geval, nu de bevoegdheid tot intrekking volgens de Afdeling is te vinden in artikel 23 van de Cffirdinatieverordening, zij het dat het alleen een bevoegdheid van de lidstaat betreft. Mijns inziens is de Afdeling echter terecht van oordeel dat een EU-conforme interpretatie van artikel 4:49 van de Awb noodzakelijk is. Strikt genomen is het alleen dan mogelijk om tot het oordeel te komen dat ook buiten de daargenoemde intrekkingsgronden tot intrekking van de subsidievaststelling kan worden overgegaan.
Ortlep 2011, p. 371; Verhoeven 2010A, p. 45, voetnoot 98; Ortlep 2009, p. 92; Jacobs, Den Ouden & Verheij 2008, p. 162; Den Ouden 2008, p. 13.
Alleen deze intrekkingsgrond kan naar de letter van de wet worden toegepast en komt in aanmerking voor EU-conforme uitleg. Zie Ortlep 2009, p. 102 en Bok onder ABRvS 30 augustus 2006, JB 2006/303.
Zie uitgebreid paragraaf 6.8.4.3. Zie ook Ortlep 2009, p. 102.
Ortlep 2011, p. 293 en 371; Jacobs, Den Ouden & Verheij 2008, p. 162.
Zie HR 6 juni 2008, AB 2008, 214, m.nt. R.J.G.M. Widdershoven, BNB 2008/202, m.nt. Sio, r.o. 3.3.1 en HR 10 augustus 2007, AB 2007, 291, m.nt. R.J.G.M. Widdershoven. Zie ook Ortlep 2011, p. 383; Ortlep 2009, p. 102.
Ortlep 2009, p. 102.
Zie artikel 98, tweede lid.
Zie hoofdstuk 4, paragraaf 42.102.
Zie hoofdstuk 4, paragraaf 4.3.3.4.
Zie paragraaf 6.32.
Zie CBb 18 september 2008, AB 2008, 359, m.nt. R. Ortlep waarin het niet ging om het toepassen van financiële correcties in het kader van Europese subsidies, maar om de aanzegging tot vernietiging van een partij maïs. Zie ook Van den Tweel 2007, p. 370 die voor de beoordeling of aan een Europese verordening rechtstreeks een bevoegdheid kan worden ontleend relevant acht of een bepaling zich uitsluitend richt tot de lidstaten.
Dit is niet alleen bevestigd in interviews, maar ook af te leiden uit de uitspraak van de Rb Amsterdam van 22 september 2011, AB 2012, 136, m.nt. J.E. van den Brink waarin de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel de vaststelling van een subsidie uit het EVF wijzigt op grond van artikel 4:49, eerste lid, van de Awb.
Rb Amsterdam 22 september 2011, AB 2012, 136, m.nt. J.E. van den Brink.
Pb. 2004, L 381/52.
Uit hoofdstuk 5 is gebleken dat per Europese subsidieregeling verschilt in hoeverre in geval van onregelmatigheden ook de nationale cofinanciering moet worden terugbetaald. Zie hoofdstuk 5, paragraaf 5.7.5.6.
Zie artikel 7, eerste lid, van de Kaderwet SZW-subsidies; artikel 6, eerste lid, van de Kaderwet LNV-subsidies.
CBb 13 april 2006, LJN AW5789, r.o. 52.
Zie CBb 13 april 2006, LJN AW5789, r.o. 5.3. Zie ook Polak & Den Ouden 2004, p. 132 die reeds hebben aangegeven dat de bepalingen uit de subsidiekaderwetten zo algemeen zijn geformuleerd dat denkbaar is dat ook EU-subsidies met behulp van deze bepalingen kunnen worden ingetrokken en teruggevorderd.
Zie hoofdstuk 5, paragraaf 5.7.15.
Zie ABRvS 11 januari 2006, AB 2006, 208, m.nt. W. den Ouden, r.o. 2.3 waarin de Afdeling overweegt dat terugvordering van onwettige steun volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie plaatsvindt op de wijze voorzien in het nationale recht, mits de door het gemeenschapsrecht verlangde terugvordering door het nationale recht niet praktisch onmogelijk dan wel uiterst moeilijk wordt gemaakt. Naar nationaal recht dient eerst te worden ingetrokken alvorens kan worden overgegaan tot terugvordering. De bevoegdheid tot intrekking van de subsidie, vloeit niet rechtstreeks voort uit het gemeenschapsrecht, maar vereist een grondslag in het nationale recht, aldus de Afdeling. Zie hieromtrent ook Ortlep 2011, p. 350 e.v.
In de vorige paragraaf kwam aan de orde dat de subsidietitel van de Awb wel bevoegdheden toekent aan het subsidieverstrekkende bestuursorgaan met betrekking tot het lager vaststellen en intrekken van subsidies. Indien deze bevoegdheden kunnen worden uitgeoefend, bestaat ook de bevoegdheid om reeds betaalde voorschotten of subsidies terug te vorderen.1 Op grond van het legaliteitsbeginsel is het buiten de in de subsidietitel van de Awb bepaalde gevallen niet mogelijk om een subsidie lager vast te stellen of in te trekken, tenzij daarvoor in een wet in formele zin een afzonderlijke grondslag bestaat.
Voormelde bevoegdheden uit de subsidietitel van de Awb zijn in beginsel ook van toepassing op Europese subsidies die kwalificeren als Awb-subsidies. In hoofdstuk 5 is aan de orde geweest dat de Europese subsidieregelgeving voorschrijft dat Europese subsidies waarmee zich onregelmatigheden hebben voorgedaan, worden ingetrokken en teruggevorderd.2 In de zin van de Verordening nr. 2988/95 gaat het om administratieve maatregelen. De bepalingen van de subsidietitel van de Awb zijn uiteraard niet van toepassing indien het subsidieverstrekkende bestuursorgaan de bevoegdheid tot het opleggen van administratieve maatregelen rechtstreeks kan ontlenen aan een bepaling die is neergelegd in de Europese subsidieregelgeving.
Wat betreft de vraag in hoeverre de bevoegdheid tot het opleggen van administratieve maatregelen aan de Europese subsidieregelgeving kan worden ontleend en het Nederlandse legaliteitsbeginsel niet vereist dat in het nationale recht een bevoegdheidsgrondslag is neergelegd, kunnen de Europese subsidieregelingen in drie categorieën worden verdeeld. Allereerst de Europese landbouwsubsidies uit het ELGF en ELFPO waarvoor geldt dat de op te leggen administratieve maatregelen onvoorwaardelijk en onvoldoende duidelijk zijn, zodat zij zich lenen voor rechtstreekse toepassing door het nationaal uitvoeringsorgaan. Ten tweede de Europese subsidies uit de structuurfondsen en de migratiefondsen waarvoor geldt dat in de Europese subsidieregelgeving slechts een verplichting is opgenomen tot het verrichten van financiële correcties in geval van onregelmatigheden. Ten slotte lijken de bevoegdheden tot het opleggen van administratieve maatregelen in het kader van de Europese subsidies die op grond van de Europese subsidieregelingen Jeugd in Actie en Een Leven Leren worden verstrekt, te zijn gebaseerd op de overeenkomsten die met de eindontvangers van de Europese subsidies worden gesloten. Hierop wordt afzonderlijk in paragraaf 6.3.4.5 ingegaan. Voor alle Europese subsidies geldt dat zij ook moeten worden ingetrokken indien zij zijn aan te merken als onrechtmatige staatssteun. In hoeverre daarvoor een nationaalrechtelijke grondslag noodzakelijk is wordt besproken aan het slot van deze paragraaf.
In deze paragraaf komt voor voormelde categorieën aan de orde in hoeverre nog ruimte bestaat voor de regeling in de subsidietitel van de Awb wat betreft het lager vaststellen, het met terugwerkende kracht intrekken en terugvorderen van Europese subsidies.
Europese landbouwsubsidies
In de meeste Europese landbouwsubsidieverordeningen die van toepassing zijn in de huidige programmaperiode is exact neergelegd onder welke voorwaarden een landbouwer recht heeft op een Europese subsidie en welk subsidiebedrag moet worden toegekend. Indien op basis van de aanvraag een voorschot wordt toegekend, maar bij de beslissing op de aanvraag wordt geconstateerd dat de aanvraag niet juist was, dient de Europese landbouwsubsidie op het juiste bedrag te worden vastgesteld en moeten onverschuldigd betaalde voorschotten worden terugbetaald op grond van de in de Commissieverordening nr. 1122/20093 en de Commissieverordening nr. 612/20094 neergelegde verplichting tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde subsidiebedragen.5 Hiervoor is geen grondslag noodzakelijk in het nationale recht, mits is bepaald welk Nederlands bestuursorgaan bevoegd is de Europese subsidie te verstrekken.
De voormelde Europese bepalingen lijken niet te zien op het geval waarin reeds op de aanvraag voor de Europese subsidie is beslist, maar naderhand wordt ontdekt dat op de Europese subsidie geen recht bestaat omdat niet aan de voorwaarden voor toekenning is voldaan. Uit het arrest Strawson6 volgt echter dat het nationaal uitvoeringsorgaan op grond van voormelde bepalingen ook in dat geval is gehouden de Europese subsidie in te trekken en dat op grond daarvan de onverschuldigd betaalde subsidiebedragen moeten worden terugbetaald.
In de praktijk blijkt aan deze verplichting in Nederland niet altijd strak de hand te worden gehouden. In 2010 nog was de vraag aan de orde in hoeverre de toenmalige minister van LNV terugvordering van uitbetaalde bedrijfstoeslag achterwege kon laten, omdat de omstandigheid dat de landbouwers door onjuiste meetmethoden te veel oppervlakte in hun subsidieaanvraag hadden opgegeven was te wijten aan het nationaal uitvoeringsorgaan. Om voor de bedrijfstoeslag in aanmerking te komen is de landbouwer gehouden om de oppervlakte van zijn landbouwgronden op te geven. In de Europese landbouwsubsidieverordeningen is gedetailleerd voorgeschreven op welke wijze de oppervlakte moet worden gemeten. Tijdens controles van de Europese Commissie werd echter ontdekt dat deze metingen verkeerd hadden plaatsgevonden: Nederlandse landbouwers hadden consequent te veel oppervlakte opgegeven. Volgens de Europese subsidieverordeningen dient in dat geval de ontvangen Europese subsidie te worden gecorrigeerd; er moet worden uitgegaan van de daadwerkelijke oppervlakte. De toenmalige Nederlandse minister van LNV was van mening dat de foute metingen niet aan de landbouwers konden worden toegerekend en wilde terugvordering achterwege laten. Dit ging echter niet zonder slag of stoot. De minister heeft heel wat overredingskracht nodig gehad om de Europese Commissie ervan te overtuigen dat de landbouwers die te veel oppervlakte hadden opgegeven geen blaam trof. Uiteindelijk is dit wel gelukt.
Op basis van het voormelde arrest Strawson oordeelt het CBb dat ook in gevallen waarin achteraf niet aan de voorwaarden voor het verstrekken van een Europese subsidie blijkt te zijn voldaan, de verplichting tot terugvordering van onverschuldigd betaalde Europese subsidies rechtstreeks voortvloeit uit het Europese recht en daardoor geheel worden gereguleerd.7 Voor toepassing van de subsidietitel van de Awb, zoals de artikelen 4:48 en 4:49 van de Awb bestaat volgens het CBb geen ruimte.8
Hoewel deze benaderingswijze van het CBb gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie juist is, rijst de vraag waaraan het Nederlandse bestuursorgaan de bevoegdheid ontleent om indien al op de aanvraag is beslist en de Europese subsidie in Awb-termen is verleend dan wel vastgesteld tot intrekking en terugvordering over te gaan indien deze verlening/vaststelling onjuist blijkt te zijn. Het CBb lijkt ervan uit te gaan dat deze bevoegdheid voortvloeit uit bepalingen neergelegd in de Europese subsidieverordening waarin exact is voorgeschreven op hoeveel Europese subsidie de ontvanger recht heeft en de in de Europese subsidieverordening voor de ontvanger neergelegde verplichting tot het terugbetalen van onverschuldigd betaalde Europese subsidies.9 Het CBb overweegt dit echter niet expliciet.10 Uit de uitspraak Wamsteker waarin het om vergelijkbare Europese bepalingen gaat, lijkt de ABRvS daarentegen van oordeel te zijn dat in gevallen waarin de subsidie ten onrechte blijkt te zijn verleend wel moet worden teruggevallen op de subsidietitel van de Awb.11
Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie volgt duidelijk dat de Europese bepalingen waarin is neergelegd op hoeveel Europese subsidie een eindontvanger recht heeft in combinatie met de verplichting om onverschuldigd ontvangen subsidies terug te betalen, ook als bevoegdheidsgrondslag dienen voor de intrekking en terugvordering van eenmaal verstrekte Europese subsidies. Dit neemt niet weg dat dit niet expliciet in de Europese landbouw-subsidieverordeningen is neergelegd. Gelet op de beginselen van legaliteit12 en rechtszekerheid verdient het de voorkeur dat voor Nederlandse subsidieverstrekkende bestuursorganen deze bevoegdheid in het nationale recht wordt neergelegd.
Voor de intrekkingen en terugvorderingen in het kader van de bedrijfstoeslag13 en deels ook voor de E-LIED-subsidies14 lijkt thans een dergelijke bevoegdheidsgrondslag te kunnen worden gevonden in lagere subsidieregelingen. Problematisch daarbij is dat daarbij wat betreft de E-LIED-subsidies de indruk wordt gewekt dat de sanctiebevoegdheden die zijn neergelegd in de subsidietitel van de Awb in lagere regelgeving wordt 'opgerekr.15 Op grond van de subsidietitel van de Awb is een lagere vaststelling en intrekking van de subsidie op de grond dat achteraf bezien niet aan de voorwaarden is voldaan, niet zonder meer mogelijk.16 Voor andere Europese landbouwsubsidies geldt echter dat een dergelijke bevoegdheidsgrondslag ontbreekt. Daarbij ontstaat het probleem dat Nederlandse bestuursorganen bij de lagere vaststelling en intrekking van ELFPO-subsidies de sanctiebevoegdheden uit de subsidietitel van de Awb toepassen, die zoals hiervoor aangegeven niet altijd toereikend zijn om aan de Europese landbouwsubsidieverordeningen uitvoering te geven.17
In de volgende paragraaf zal worden voorgesteld om in de Wet inzake Europese subsidies een algemene bevoegdheidsgrondslag voor de intrekking van Europese subsidies en de aanvullende nationale cofinanciering18 neer te leggen die wordt uitgeoefend indien de Europese subsidieregelgeving dat eist. Deze bepaling biedt uiteraard ook een bevoegdheidsgrondslag voor de intrekking en terugvordering van Europese landbouwsubsidies. Daarmee wordt wel verhuld dat de verplichtingen om onverschuldigd betaalde subsidiebedragen terug te betalen die zijn neergelegd in de Europese landbouwsubsidieverordeningen zich lenen voor rechtstreekse toepassing door nationale uitvoeringsorganen. Vandaar dat in aanvulling op voormelde algemene bevoegdheidsgrondslag, in een lagere subsidieregeling zou moeten worden bepaald dat de intrekking en terugvordering van de desbetreffende Europese subsidie geschiedt overeenkomstig bijvoorbeeld artikel 80 van de Verordening nr. 1122/2009.19 Door deze algemene bevoegdheidsgrondslag in het nationale recht is voor de eindontvangers duidelijk dat ook na de verlening en vaststelling van Europese landbouwsubsidies een bevoegdheid tot intrekking van de Europese subsidies bestaat die niet wordt gereguleerd door bijvoorbeeld de artikelen 4:48 en 4:49 van de Awb, maar door de Europese landbouwsubsidieverordeningen.
De structuur- en migratiefondsen
In eerdere programmaperioden was in de toen geldende structuurfondsenverordeningen slechts bepaald dat de lidstaten de noodzakelijke maatregelen dienden te nemen om ten gevolge van onregelmatigheden onverschuldigd betaalde bedragen te recupereren.20 Ten aanzien van deze bepaling heeft de ABRvS in 2006 aan het Hof van Justitie de prejudiciële vraag gesteld in hoeverre de lidstaat of een nationaal bestuursorgaan daaraan rechtstreeks een bevoegdheid tot terugvordering kon ontlenen. In een drietal zaken was de ABRvS tot de conclusie gekomen dat de nationale bevoegdheidsgrondslag voor de terugvordering van de Europese subsidies niet toereikend was, hetgeen als consequentie had dat de verplichting tot terugvordering neergelegd in de structuurfondsenverordening niet kon worden nageleefd.21
Het verdient opmerking dat de ABRvS in een uitspraak van 11 januari 2006 in een staatssteunzaak zelfstandig had geoordeeld dat voor de terugvordering van staatssteun en het vorderen van rente ter uitvoering van een terugvorderingsbeschikking van de Europese Commissie een grondslag in het nationale recht is vereist.22 In de literatuur is hierop kritiek geuit; de ABRvS zou de prejudiciële vraag hebben moeten stellen of de bevoegdheid tot terugvordering en het vorderen van rente rechtstreeks aan het Eu-recht kon worden ontleend.23 Verder kondigde de Europese Commissie aan een inbreukprocedure te starten, omdat het staatssteunrecht in Nederland niet voldoende ten uitvoer zou worden gelegd.24 Met de indiening van het Wetsvoorstel Terugvordering Staatssteun is deze inbreukprocedure overigens weer doorgehaald.25
In hoofdstuk 4 is besproken dat het Hof van Justitie het antwoord op de vraag van de ABRvS omzeilt door te antwoorden dat artikel 23, eerste lid, van de Coördinatieverordening voor de lidstaten, zonder dat een bevoegdheidsattributie naar nationaal recht noodzakelijk is, een verplichting schept om als gevolg van misbruik of nalatigheid verloren middelen terug te vorderen.26 Geconcludeerd is dat het antwoord van het Hof niet tot gevolg heeft dat nationale uitvoeringsorganen bepalingen als artikel 23 van de Coördinatieverordening rechtstreeks kunnen toepassen en daaraan een bevoegdheid tot intrekking en terugvordering van een Europese subsidie kunnen ontlenen. Het Hof van Justitie heeft de vraag gewoonweg niet beantwoord.
De ABRvS heeft op grond van voormeld antwoord van het Hof van Justitie geoordeeld dat de bevoegdheidsgrondslag voor de lidstaat Nederland tot terugvordering ingevolge het communautaire recht een gegeven is, maar dat de uitoefening van deze bevoegdheid moet plaatsvinden volgens de regels van het nationale recht en door het volgens het nationale recht bevoegde bestuursorgaan.27 Om uit te maken welk Nederlands bestuursorgaan bevoegd is, wordt artikel 4:49 van de Awb geraadpleegd. Een verordeningconforme uitleg van deze bepaling, zo overweegt de ABRvS, betekent dat het bestuursorgaan dat de subsidie heeft vastgesteld ingevolge de subsidietitel van de Awb ook de bevoegdheid heeft om het besluit tot vaststelling van de Europese subsidie in te trekken of ten nadele van de eindontvanger te wijzigen.
Gelet op deze overwegingen, moet tot de conclusie worden gekomen dat de ABRvS van oordeel is dat een bestuursorgaan aan artikel 23, eerste lid, van de Coördinatieverordening geen bevoegdheid tot terugvordering kan ontlenen.28 Om te bewerkstelligen dat het bestuursorgaan dat het besluit tot subsidievaststelling heeft genomen, ook de bevoegdheid heeft om deze in te trekken, is de Afdeling van mening dat artikel 4:49, eerste lid, van de Awb verordeningconform moet worden geïnterpreteerd. De Afdeling specificeert in dat kader niet welke van de drie intrekkingsgronden van artikel 4:49, eerste lid, van de Awb aan de orde is.29 De oorzaak hiervan lijkt te zijn gelegen in de omstandigheid dat de ABRvS in de prejudiciële verwijzingsuitspraken á had geoordeeld dat de drie in artikel 4:49, eerste lid, van de Awb genoemde intrekkingsgronden geen toepassing konden vinden. Het Eu-conform interpreteren van deze intrekkingsgronden zou dan ook neerkomen op een contra legem interpretatie, hetgeen niet is toegestaan.30 Vandaar dat artikel 4:49 van de Awb alleen verordeningconform wordt geïnterpreteerd om het bevoegde nationale bestuursorgaan te identificeren.31
In de literatuur is betoogd dat de ABRvS in de verwijzingsuitspraken ten onrechte heeft overwogen dat in het nationale recht geen bevoegdheid tot intrekking en terugvordering van het besluit tot subsidievaststelling bestaat.32 Deze bevoegdheid bestaat wel, namelijk in artikel 4:49, eerste lid, onder b, van de Awb33 in combinatie met artikel 4:57, maar kan in het concrete geval geen toepassing vinden. Uit de wetsgeschiedenis bij dat artikel blijkt immers dat de b-grond, op grond waarvan de subsidievaststelling kan worden ingetrokken of ten nadele kan worden gewijzigd 'indien de subsidievaststelling onjuist was en de subsidieontvanger dit wist of behoorde te weten', alleen ziet op gevallen waarin sprake is van een kennelijke fout in het besluit tot subsidievaststelling.34 Van een kennelijk fout is in de casus die ten grondslag liggen aan het EsF-arrest geen sprake, zodat de bevoegdheid in het onderhavige geval niet kan worden toegepast. De normering van de uitoefening van een bevoegdheid ziet echter niet op het bestaan van een bevoegdheid.35 Gelet hierop was de stap van de Afdeling dat de lidstaat Nederland een bevoegdheid kan ontlenen aan artikel 23 van de Coördinatieverordening - hetgeen overigens niet door het Hof van Justitie is overwogen - niet nodig geweest. Op basis van de Europese verplichting tot terugvordering had de Afdeling tot het oordeel kunnen komen dat artikel 4:49, eerste lid, onder b, van de Awb Eu-conform moet worden geïnterpreteerd en het bestuursorgaan dat de Europese subsidie had verstrekt op grond daarvan tot intrekking en terugvordering mocht overgaan. In dat kader is relevant dat de Hoge Raad in het kader van de richtlijnconforme uitleg heeft uitgemaakt dat de mogelijkheid van grammaticale uitleg boven de mogelijkheid van wetshistorische uitleg gaat.36 Niet valt in te zien waarom dit anders zou zijn als het gaat om verordeningconforme uitleg van artikel 4:49, eerste lid, van de Awb.37 Een verklaring voor de door de ABRvS gekozen 'omweg' kan worden gevonden in het feit dat de ABRvS in de uitspraken van 30 augustus 2006 heeft geoordeeld dat intrekking van de Europese subsidie op grond van artikel 4:49 van de Awb niet mogelijk was. Indien de Afdeling na het EsF-arrest zonder meer zou hebben overwogen dat artikel 4:49 van de Awb als bevoegdheidsgrondslag kan dienen voor de intrekking van de Europese subsidie, zou de indruk worden gewekt dat het nationale recht contra legem wordt geïnterpreteerd, hetgeen in strijd komt met het rechtszekerheidsbeginsel. Met de overweging dat de lidstaat Nederland een bevoegdheid ontleent aan de Europese verordening, wordt een vermeende contra legem-interpretatie vermeden.
In de huidige programmaperiode is in de structuurfondsenverordening nr. 1083/2006 de verplichting tot terugvordering voor de lidstaten aangescherpt in die zin dat is bepaald dat de lidstaten verplicht zijn de financiële correcties toe te passen die noodzakelijk zijn in verband met onregelmatigheden die zijn geconstateerd.38 Daaraan is toegevoegd dat de door de lidstaat verrichte correcties bestaan in een volledige of gedeeltelijke intrekking van de overheidsbijdrage aan het OP en dat de lidstaten daarbij rekening houden met de aard en de ernst van de onregelmatigheid. In hoofdstuk 4 is besproken dat niet duidelijk is in hoeverre het Hof van Justitie ten aanzien van deze bepaling — á dan niet in combinatie met artikel 4 van de Verordening nr. 2988/95 tot het oordeel zal komen dat een bevoegdheid tot terugvordering direct daarop kan worden gebaseerd.39 Vast staat dat de bepaling meer houvast biedt, dan het voormelde artikel 23, eerste lid, van de Coördinatieverordening. In dat kader is voorts relevant dat indien in het nationale recht is geregeld welk Nederlandse bestuursorgaan bevoegd is de Europese subsidie te verstrekken, daarmee naar nationaal recht vaststaat dat dat orgaan een eventueel bestaande bevoegdheid tot intrekking en terugvordering zal moeten uitoefenen. De vraag die aan de orde zal zijn, is dan ook of artikel 98, tweede lid, van de Verordening nr. 1083/2006 onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is om rechtstreeks door een Nederlands bestuursorgaan te worden toegepast, vergelijkbaar met de jurisprudentie van het CBb inzake de Europese landbouwsubsidies. Omtrent deze vraag bestaat nog geen Nederlandse jurisprudentie. Uit de Nederlandse uitvoeringspraktijk blijkt echter dat ook in de huidige programmaperiode ervan wordt uitgegaan dat het toepassen van de financiële correcties geschiedt met behulp van het nationale recht, dat wil zeggen de subsidietitel van de Awb.
Voor de migratiefondsen bestaat een soortgelijke verplichting tot het opleggen van financiële correcties, maar deze is neergelegd in Europese besluiten van algemene strekking die zijn gericht tot de lidstaten. In hoofdstuk 4 is besproken dat uit de Europese jurisprudentie niet valt af te leiden in hoeverre het noodzakelijk is om dergelijke besluiten te implementeren in het nationale recht en als dit wel noodzakelijk zou zijn of een dergelijke bepaling zo nodig kan dienen als een bevoegdheidsgrondslag voor een nationaal uitvoeringsorgaan.40 Eerder in dit hoofdstuk is aangegeven dat om de redenen dat een Europees besluit niet rechtstreeks toepasselijk is en is gericht tot de lidstaten en dus niet tot de eindontvanger van de Europese subsidie, mijns inziens moet worden geconcludeerd dat het niet mogelijk zou moeten zijn om aan daarin neergelegde bepalingen een bevoegdheid te ontlenen.41 Ook uit jurisprudentie van het CBb blijkt dat een bestuursorgaan niet rechtstreeks bevoegdheden kan ontlenen aan een Europees besluit dat is gericht tot de lidstaten.42 In de praktijk gaat het subsidieverstrekkende Nederlandse bestuursorgaan er in ieder geval zelf vanuit dat de financiële correcties worden toegepast met behulp van de subsidietitel van de Awb.43 De Europese besluiten van algemene strekking worden derhalve niet rechtstreeks toegepast.
Het voorgaande doet de vraag rijzen of het EsF-arrest waarin het Hof van Justitie overweegt dat artikel 23, eerste lid, van de Coërdinatieverordening voor de lidstaten, zonder dat een bevoegdheidsattributie naar nationaal recht noodzakelijk is, een verplichting schept om als gevolg van misbruik of nalatigheid verloren middelen terug te vorderen, ook toepassing vindt in het kader van de terugvordering van Europese subsidies uit de migratiefondsen. In de Europese besluiten die zien op de migratiefondsen zijn immers met voormeld artikel 23 vergelijkbare bepalingen neergelegd. Voor zover voormelde overweging niet anders moet worden begrepen dan dat een Europese verplichting tot terugvordering bestaat en niet dat artikel 23 van de Coërdinatieverordening door nationale bestuursorganen als bevoegdheidsgrondslag kan worden gebruikt, dient deze vraag bevestigend te worden beantwoord. Buiten kijf staat immers dat Europese besluiten van algemene strekking die zijn gericht tot de lidstaten weliswaar niet rechtstreeks toepasselijk zijn, maar wel degelijk verplichtingen kunnen scheppen voor de lidstaten. Dit wordt bevestigd in een uitspraak van 22 september 2011 van de rechtbank Amsterdam.44
In deze uitspraak gaat het om een Europese subsidie uit EVF in de periode 2005-2006 op grond van de Beschikking van de Raad van 2 december 2004 tot instelling van het Europees Vluchtelingenfonds voor de periode 2005-2010.45 Deze Europese subsidie is in 2007 overeenkomstig het besluit tot subsidieverlening vastgesteld. Echter, nadat door controleurs van de Europese Commissie onregelmatigheden zijn geconstateerd, besluit de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel deze vaststelling op grond van artikel 4:49, eerste lid, van de Awb te wijzigen. De rechtbank Amsterdam oordeelt echter dat de minister aan deze bepaling geen bevoegdheid kan ontlenen, nu de minister de subsidie heeft vastgesteld zonder de door de eindontvanger van de Europese subsidie ingediende eindafrekening te controleren. In artikel 25, tweede lid, van de voormelde Europese beschikking is echter neergelegd dat de lidstaten de financiële correcties uitvoeren die nodig zijn in verband met geconstateerde onregelmatigheden, waarbij rekening wordt gehouden met het incidentele, dan wel structurele karakter ervan. Deze financiële correcties van de lidstaten bestaan - aldus deze bepaling - uit het geheel of gedeeltelijk intrekken van de communautaire bijdrage. De rechtbank oordeelt derhalve dat de minister op grond van het Europese recht verplicht was om de subsidievaststelling te wijzigen en de ten onrechte betaalde bedragen terug te vorderen. Vervolgens overweegt de rechtbank dat het Hof van Justitie in het EsF-arrest heeft bepaald dat voor de lidstaten een verplichting bestaat om als gevolg van misbruik of nalatigheid verloren middelen terug te vorderen, zonder dat een bevoegdheidsattributie naar nationaal recht noodzakelijk is. Derhalve is het volgens de rechtbank aan de nationale rechter om de toepassing van het gemeenschapsrecht ten volle te verzekeren door indien nodig nationale bepalingen zoals de Awb die hieraan in de weg staan buiten toepassing te laten (of uit te leggen). De rechtbank komt tot de condusie dat hetgeen in het EsF-arrest is overwogen geen ruimte laat om voormeld artikel 25, tweede lid, anders te lezen dan als een verplichting voor de minister om het besluit tot subsidievaststelling te wijzigen.
De overwegingen van de rechtbank impliceren echter ook dat een Europese verplichting tot het opleggen van financiële correcties die is neergelegd in een Europees besluit zelfstandig kan resulteren in een bevoegdheid voor een Nederlands bestuursorgaan om een naar Nederlands recht vastgestelde Europese subsidie te wijzigen en terug te vorderen.
Hier valt wel wat tegenin te brengen. In de eerste plaats is hiervoor al aangegeven dat het Hof van Justitie in het EsF-arrest de vraag van de Afdeling omzeilt en waarschijnlijk niet heeft bedoeld te overwegen dat nationale bestuursorganen rechtstreeks bevoegdheden kunnen ontlenen aan Europese verplichtingen. In de tweede plaats geldt dat ook als het EsF-arrest wel zo zou moeten worden begrepen dat bestuursorganen aan artikel 23 van de Coërdinatieverordening rechtstreeks een bevoegdheid tot intrekking en terugvordering kunnen ontlenen, dit in de onderhavige zaak niet direct tot een oplossing kan leiden. Het gaat hier immers niet om een verplichting tot intrekking en terugvordering die is neergelegd in een Europese verordening, maar in een Europees besluit van algemene strekking dat is gericht tot de lidstaten. Zoals besproken zijn dergelijke beschikkingen - anders dan Europese verordeningen - niet rechtstreeks toepasselijk in de lidstaat. Het is daarom beslist niet vanzelfsprekend dat nationale bestuursorganen aan dergelijke beschikkingen überhaupt bevoegdheden kunnen ontlenen, laat staan als het een bevoegdheid betreft die ten nadele van burgers - in dit geval de eindontvanger van de Europese subsidie - wordt toegepast.
Het oordeel van de rechtbank laat zien dat het EsF-arrest gemakkelijk tot het misverstand kan leiden dat Nederlandse bestuursorganen aan Europese verplichtingen die zijn gericht tot de lidstaten bevoegdheden kunnen ontlenen en dat dit over de hele breedte van het Eu-recht geldt. Zo heeft het Nederlandse legaliteitsbeginsel onder de uitvoering van Europees recht sterk te lijden.
Gelet op het vorenstaande wordt in het vervolg van dit hoofdstuk ervan uitgegaan dat de bevoegdheid van Nederlandse bestuursorganen tot het verrichten van financiële correcties indien zich in het kader van de verstrekking van Europese subsidies onregelmatigheden voordoen moet worden gevonden in het nationale recht.
Zoals later in dit hoofdstuk nog aan de orde komt, biedt de subsidietitel van de Awb onvoldoende mogelijkheden om aan de Europese verplichting tot het opleggen van financiële correcties gevolg te geven, zeker sinds het ESFarrest en de interpretatie daarvan door de ABRvS. Dit betekent dat de sanctiebepalingen in de subsidietitel van de Awb die zien op de lagere vaststelling en intrekking conform moeten worden geïnterpreteerd. Kort gezegd komt het erop neer dat in geval van onregelmatigheden van een discretionaire bevoegdheid tot lagere vaststelling en intrekking geen sprake kan zijn en de limitatieve gronden op grond waarvan de bevoegdheden tot lagere vaststelling en intrekking kunnen worden uitgeoefend, moeten worden opgerekt. Voor zover de Europese subsidieregelgeving verplichtingen tot het toepassen van financiële correcties voor de lidstaat bevat, is het daarom aan te bevelen dat in de Wet inzake Europese subsidies wordt neergelegd dat een Europese subsidie — ongeacht of ze nu zijn verleend dan wel vastgesteld — en de daarbij behorende nationale cofinanciering46 wordt ingetrokken indien de Europese subsidie-regelgeving daartoe verplicht. Een dergelijke bepaling maakt enerzijds mogelijk om aan de Europese verplichtingen te voldoen zonder dat de bescherming die de sanctiebepalingen van de subsidietitel in theorie biedt geheel wordt uitgehold, maar geeft anderzijds ook enige flexibiliteit om uit te vinden wat nog door de Unierechtelijke beugel kan. Hierop wordt verder ingegaan in paragraaf 6.8.6.12.
Dergelijke bepalingen zijn thans al neergelegd in de subsidiekaderwetten die per Nederlands departement zijn vastgesteld. In al deze wetten is een bepaling opgenomen die het mogelijk maakt dat een beschikking tot subsidieverstrekking wordt ingetrokken of gewijzigd voor zover subsidieverstrekking in strijd is met ingevolge een verdrag voor de staat geldende verplichtingen.47 Blijkens de desbetreffende toelichtingen op deze artikelen blijkt dat zij zijn geschreven met het oog op de terugvordering van onrechtmatige staatssteun. Volgens het CBb kan het desbetreffende artikel uit de Kaderwet Ez-subsidies ook worden gebruikt als bevoegdheidsgrondslag voor de intrekking van een besluit tot vaststelling van een Europese subsidie, als artikel 4:49 van de Awb daarvoor geen grondslag biedt.48 De intrekkingsbevoegdheid is in de subsidiekaderwetten wel discretionair geformuleerd, zodat het CBb nog wel een belangenafweging moet verrichten.49 De ABRvS heeft nog geen uitspraak gedaan waarin zij tot het oordeel komt dat voormelde bepalingen van de subsidiekaderwetten als bevoegdheidsgrondslag kunnen dienen om een besluit tot subsidievaststelling in te trekken. Het voorgaande neemt echter niet weg dat de subsidiekaderwetten alleen zien op subsidies die door ministers worden verstrekt en dus geen betekenis kunnen hebben voor Europese subsidies die door GS, B&W en productschappen worden verstrekt.
Terugvordering van Europese subsidies en nationale cofinanciering die als onrechtmatige staatssteun moeten worden aangemerkt
In hoofdstuk 5 is aan de orde gekomen dat een Europese subsidie en de nationale cofinanciering die zijn verstrekt aan een onderneming inclusief de daarover genoten rente ook moeten worden teruggevorderd, indien de Europese Commissie blijkens een terugvorderingsbesluit tot het oordeel is gekomen dat sprake is van onrechtmatige staatssteun.50 Op die plaats is evenzeer besproken dat door het Hof van Justitie nog niet de vraag is beantwoord of aan artikel 14, derde lid, van de Verordening nr. 659/1999 door een nationaal bestuursorgaan een bevoegdheid tot terugvordering van de staatssteun en het vorderen van rente moet worden ontleend, indien in het nationale recht ten onrechte niet is voorzien in de bevoegdheid daartoe. De ABRvS heeft zich op het standpunt gesteld dat de intrekking en terugvordering van onrechtmatige staatssteun en het vorderen van rente wordt beheerst door het nationale recht, echter zonder prejudiciële vragen te stellen.51 Voor zover de staatssteun in de vorm van een Awb-subsidie is verstrekt, zijn derhalve de intrekkings- en terugvorderingsbevoegdheden van de subsidietitel van de Awb van toepassing. Deze zijn niet specifiek geschreven met het oog op de intrekking en terugvordering van subsidies die als ongeoorloofde staatssteun zijn aangemerkt. In hoeverre voormelde bevoegdheden thans voldoende mogelijkheden bieden om de onrechtmatige staatssteun in te trekken en terug te vorderen komt verder aan de orde in paragraaf 6.8.7. In dat kader wordt ook aandacht besteed aan het Wetsvoorstel Terugvordering Staatssteun. De subsidietitel van de Awb biedt thans geen mogelijkheid tot het vorderen van rente over de ten onrechte genoten staatssteun. Indien het Wetsvoorstel Terugvordering Staatssteun in werking treedt, zal daarin verandering komen.