Einde inhoudsopgave
De concern(genoten)enquête (VDHI nr. 158) 2019/11.1
11.1 Inleiding
mr. R.P. Jager, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. R.P. Jager
- JCDI
JCDI:ADS85934:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Van een strikte scheiding tussen het huidige recht en het wenselijke recht is evenwel geen sprake; ook in dit hoofdstuk komt het ius positivum om de hoek kijken.
Cf. art. 2:353, derde lid, eerste volzin, BW.
Vide ook voetnoot 35 infra. Slagter 1988, op. cit., p. 137 verdedigde dat het concern als een zelfstandige samenwerkingsvorm – met rechtspersoonlijkheid – zou moeten worden beschouwd. Vide ook Slagter 2005, op. cit., p. 626. Deze zienswijze heeft echter geen bijval gevonden in de literatuur; vide Bartman 1989, op. cit., p. 7 (noot 23) en 145; M.J.G.C. Raaijmakers, ‘Dient een concern te worden beschouwd als rechtspersoon?’, TVVS 1990, p. 25-28 en W.J. Slagter, ‘Naschrift’,TVVS 1990, p. 28-29; Buijn en Storm, op. cit., p. 457 en de verwijzing aldaar; Slagter (deel 1) 2013, op. cit., p. 75.
Cf. J.M.M. Maeijer en M. van Olffen, Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. 7. Bijzondere overeenkomsten. Deel VII. Maatschap, vennootschap onder firma en commanditaire vennootschap, Deventer: Wolters Kluwer 2017/12.
Cf. B.M. Katan, ‘Toerekening van kennis van groepsvennootschappen’, Ondernemingsrecht 2019/ 60, p. 295-307.
In deel II heb ik het enquêterecht naar huidig recht (het ius constitutum) behandeld. Centraal daarin stonden vragen rond de ‘concerngenotenenquête’ (als gedefinieerd in § 1.4). Thans stap ik over op een bespreking van het enquêterecht naar wenselijk recht (het ius constituendum),1 waarin vragen rond de ‘concernenquête’ (als gedefinieerd in § 1.4) centraal staan. Ik heb mij beperkt tot tien vragen. Deze luiden als volgt:
Bij wie zou een enquête moeten kunnen worden uitgelokt (§ 11.2)?
Wie zou een enquêteverzoek moeten kunnen doen (§ 11.3)?
Aan wie zouden de bezwaren kenbaar moeten worden gemaakt (§ 11.4)?
Ten aanzien van wie zou moeten blijken van gegronde redenen om aan een juist beleid of een juiste gang van zaken te twijfelen (§ 11.5)?
Hoe zou het verzoekschrift moeten worden ingericht (§ 11.6)?
Wie zou in de enquêteprocedure moeten worden betrokken en, zo ja, op welke wijze (§ 11.7)?
Wie zou de kosten van de enquête moeten betalen en daarvoor zekerheid moeten stellen (§ 11.8)?
Wie zou een exemplaar van het (concept)onderzoeksverslag moeten ontvangen en daaruit – zonder OK-machtiging –2mededelingen aan derden mogen doen (§ 11.9)?
Ten aanzien van wie zou (de verantwoordelijkheid voor) wanbeleid moeten kunnen worden vastgesteld (§ 11.10)?
Bij wie zouden (eind)voorzieningen moeten kunnen worden getroffen (§ 11.11)?
Bij de beantwoording van deze vragen neem ik het volgende tot uitgangspunt. Een concern als zodanig beschikt niet over rechtspersoonlijkheid,3 zodat het e.g. geen wanbeleid kan worden aangewreven. Dat zou zich ook moeizaam verdragen met het feit dat een concern is opgebouwd uit individuele rechtspersonen. Hoe verhouden deze rechtspersonen zich dan tot elkaar? Wordt het concern een soort ‘superrechtspersoon’? Daar komt bij dat als gevolg van rechtspersoonlijkheid van een concern als zodanig deze zou gelden als een autonome georganiseerde eenheid die intern door eigen rechtsregels van specifieke aard zou worden beheerst.4 Dergelijke op concerns toegesneden regels, zoals die ter zake van besluitvorming, ontbreken echter, in ieder geval onder Nederlands recht.
Een concern met rechtspersoonlijkheid bekleden moge dan een stap te ver zijn, maar de focus, bij e.g. de beoordeling van de vraag of er gegronde redenen zijn of dat er sprake is van wanbeleid, leggen op de afzonderlijke (te enquêteren of geënquêteerde) groepsmaatschappijen acht ik evenmin wenselijk, aangezien daarmee wordt miskend, althans in onvoldoende mate wordt erkend, dat zij tezamen een economische eenheid onder centrale leiding vormen, waarbinnen het beleid en de strategie van de respectieve groepsmaatschappijen (tot op zekere hoogte) zijn samengesmolten en gericht op (uiteindelijk) het dienen van het concernbelang (vide nader § 2.1-2.3). Ook ben ik geen voorstander van, hoewel praktisch, het toerekenen van het handelen of nalaten van een dochtermaatschappij aan de moedermaatschappij,5 nu daarmee te weinig rekening wordt gehouden met de eigen rechten, plichten en verantwoordelijkheden van die dochtermaatschappij.
Tegen deze achtergrond zou ik het concern, ten behoeve van de toepassing van het enquêterecht en voor zover nodig, willen beschouwen als een rechtssubject sui generis, zodat het (eveneens) zelfstandig drager kan zijn van rechten, plichten en verantwoordelijkheden. Deze benadering, een middenweg, doet naar mijn mening het meest recht aan de (materiële) aard van het concern. Mitsdien neem ik haar in dit hoofdstuk tot uitgangspunt.