Einde inhoudsopgave
Uitkoop van minderheidsaandeelhouders (VDHI nr. 125) 2014/9.4.3.a
9.4.3.a De bezwaren ten aanzien van de datum van de overdracht als peildatum
mr. T. Salemink, datum 01-07-2014
- Datum
01-07-2014
- Auteur
mr. T. Salemink
- JCDI
JCDI:ADS598870:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Aldus ook Den Boer (2002), p. 341-342. Alleen in de uitzonderlijke situatie dat de OK voor de waardering kan aansluiten bij de koers van de aandelen in een vergelijkbare vennootschap (§ 9.3.2 sub a) bestaat dit probleem niet.
O.m. OK 19 maart 2013 (ro. 3.16), ARO 2013/61 (Teleplan); OK 8 mei 2012 (ro. 2.3), ARO 2012/73 (Cascal); OK 20 maart 2012 (ro. 3.10), ARO 2012/49 (Gucci Group); OK 31 januari 2012 (ro. 3.15), JOR 2012/110 (DIM Vastgoed). Dit is vaste rechtspraak sinds medio 1996, hierover Den Boer (2002), p. 341.
OK 10 december 2013 (ro. 2.9), JOR 2014/68 (Smartrac); OK 21 mei 2013 (ro. 2.2-2.5), ARO 2013/ 96 (Gamma Holding); OK 17 mei 2011 (ro. 3.6), ARO 2011/142 (Rodamco Europe).
O.m. OK 11 december 2012 (ro. 2.3), ARO 2013/19 (Cascal); OK 16 oktober 2012 (ro. 2.3), ARO 2012/155 (Econocom); OK 10 juli 2012 (ro. 2.3), ARO 2012/115 (Gucci Group).
Aldus ook Den Boer (2002), p. 342.
Evenzo Norbruis (2003), p. 572; Kuijpers (2009), p. 418.
Norbruis (2003), p. 572. Norbruis noemt nog een aantal bezwaren. Allereerst creëert het uitgangspunt volgens hem onzekerheid voor de uitkoper. Voor de waardering houdt de OK rekening met alle feiten en omstandigheden tot aan de datum van het arrest. Hiermee kan de uitkoper onmogelijk rekeningen houden op het moment dat hij vaststelde welke uitkooprijs hij wilde betalen en een vordering tot uitkoop instelde. Om dezelfde reden is het ook niet te achterhalen of een gedaagden terecht verweer heeft gevoerd tegen de gevorderde uitkoopprijs. Daarnaast baseert de OK zich bij de waardebepaling mede op informatie (jaarrekeningen en deskundigenberichten) die tegen de tijd van het eindarrest per definitie niet meer actueel zijn. Tot slot geeft Norbruis aan dat waardestijgingen veelal het gevolg zijn van investeringen van de eiser, waardoor de minderheidsaandeelhouder profiteert van iets waaraan hij niet heeft bijgedragen.
Een goed voorbeeld is de uitkoopprocedure inzake New World Resources. De uitkoper vordert in eerste instantie uitkoop tegen een prijs van € 10, 12 per aandeel. Hij vermeerdert zijn eis echter gedurende de procedure en vordert de vaststelling van de prijs gelijk aan de waarde van een aandeel in zijn eigen kapitaal. De OK volgt de uitkoper in zijn redenering en stelt de prijs vast op € 3, 96 per aandeel. Zie OK 27 juni 2012, JOR 2012/250 (New World Resources).
Bijvoorbeeld OK 9 maart 2010, JOR 2010/154 (Rodamco Europe).
Josephus Jitta onder JOR 2000/170; Norbruis (2003), p. 572-573; Kuijpers (2009), p. 418; Olden (2010), p. 65.
Van de in totaal 16 uitkoopprocedures op grond van art. 2:359c BW vanaf 2008 heeft een gedaagde alleen in de zaak Schuitema het verweer gevoerd dat de aandelen sinds het bod in waarde zijn gestegen, zie OK 5 oktober 2010, JOR 2011/212 (Schuitema). De duur van deze zaak is met twaalf maanden niet veel langer dan de gemiddelde verstekprocedure (§ 11.3.2). Vanaf 2007 heeft een gedaagde slechts in vier van de 16 uitkoopprocedures op grond van art. 2:92a/ 201a BW volgend op een openbaar bod aangevoerd dat de waarde van de aandelen sinds het openbaar bod zijn gestegen. Het gaat om de zaken OK 19 maart 2013, ARO 2013/61 (Teleplan); OK 31 januari 2012, JOR 2012/110 (Dim Vastgoed); OK 15 mei 2008, JOR 2008/198 (VNU Group); OK 18 mei 2008, JOR 2008/197 (Euronext). De laatstgenoemde zaak duurt in totaal minder dan 11 maanden. Dit is aanzienlijk korter dan het gemiddelde duur van 14 maanden voor procedures op tegenspraak (§ 11.3.2). De VNU-zaak duurt in totaal 21 maanden. De OK heeft vanaf het moment dat de partijen arrest hebben gevraagd ruim 14 maanden nodig om uitspraak te doen. Het is moeilijk in te schatten wat de invloed van het verweer van de gedaagde op deze lange duur heeft gehad, maar het lijkt mij onwaarschijnlijk dat dit het verweer de enige oorzaak is van de lange duur. De procedures inzake Dim Vastgoed en Teleplan lopen nog.
Het huidige uitgangspunt heeft tot gevolg dat de peildatum voor de waarde van de aandelen (vaak aanzienlijk) later ligt dan het moment waarop de procedure aanvangt. Dit brengt verschillende nadelen met zich.
Een belangrijk bezwaar is dat door dit tijdsverloop het risico van het zogenoemde ‘informatie-gat’ toeneemt. Voor de waardebepaling baseert de OK zich op financiële informatie, zoals een accountantsrapport, een biedingsbericht of een deskundigenonderzoek, dat op de dag van het eindarrest in de regel niet meer actueel is.1 Er is namelijk altijd enig tijdsverloop tussen het moment waarop de informatie tot stand komt en het tijdstip waarop de OK de aandelen waardeert. Het gevaar bestaat dat in de tussenliggende periode de waarde van de aandelen is veranderd.
De OK is zich bewust van het `informatie-gat’ en probeert het risico zo veel mogelijk te beperken. Bij een deskundigenonderzoek luidt de opdracht van de OK om de aandelen te waarderen `per een zo recent mogelijke, voor de hand liggende datum’.2 Als het mogelijk is, trekt de OK de berekening van de deskundige(n) door tot aan de datum van het eindarrest.3 In de andere gevallen stelt zij de prijs conform de uitkomst van het onderzoek vast, indien de berekende waarde per de door de deskundige(n) gekozen peildatum `tevens de beste benadering van de waarde per heden geeft’.4
Ook als de OK voor de waardering aansluiting zoekt bij de prijs van een voorafgaand bod, bestaat het probleem van een informatieachterstand. Zij verlangt daarom een verklaring van een onafhankelijk deskundige waarin staat dat, kort gezegd, de aandelen sinds het openbaar bod niet in waarde zijn gestegen (§ 9.3.2 sub b). Op deze manier probeert zij het `informatie-gat’ enigszins te overbruggen.
Ik acht deze pragmatische benadering van de OK begrijpelijk. Zij moet op een gegeven moment de knoop doorhakken, anders ontstaat er een vicieuze waarderingscirkel door elke keer een `waarderingsupdate’ te vragen.5 Een eerdere peildatum vermindert het risico van het `informatie-gat’ aanzienlijk.
Een tweede bezwaar is dat het uitgangspunt een zekere onevenwichtigheid tot gevolg heeft. De OK stelt de uitkoopprijs om processuele redenen niet vast op een lager bedrag dan door de uitkoper is gevorderd (§ 9.2.2 sub e). Is de waarde van de aandelen daarentegen gestegen, dan stelt zij wel een hogere prijs vast. Dit betekent dat gedurende de procedure het risico van zowel waardestijgingen als -dalingen bij de uitkoper ligt.6 Dit ligt niet in lijn met de gedachte van de OK dat het waarde-risico voor rekening dient te komen van degene die de aandelen houdt (§ 9.4.2). Norbruis wijst er op dat de minderheid er belang bij heeft om haar aandelen niet onder het bod aan te melden en te hopen op een hogere prijs in de daaropvolgende uitkoopprocedure. Zij loopt immers nauwelijks een risico.7
De uitkoper kan deze onevenwichtigheid (deels) wegnemen, door op grond van art. 130 Rv zijn eis gedurende de procedure te vermeerderen en de vaststelling van een lagere prijs te vorderen (§ 9.2.2 sub f).8 Met deze mogelijkheid zijn echter wel kosten gemoeid en bovendien loopt de uitkoper het risico dat zijn eisvermeerdering voor de OK aanleiding is om een deskundigenonderzoek te gelasten.9
Voorts is een punt van kritiek in de literatuur op het huidige uitganspunt dat hierdoor, in (met name) uitkoopprocedures na een openbaar bod, discussies ontstaan over de waardeontwikkeling van de over te dragen aandelen.10 Dit vertraagt volgens critici de procedure en vergroot bovendien de kans op een kostbaar en tijdrovend deskundigenonderzoek. Dit bezwaar acht ik echter niet overtuigend, omdat in de praktijk van een vertraging door discussies over de vraag of de aandelen sinds het openbaar bod in waarde zijn gestegen amper sprake is.11