Einde inhoudsopgave
Hoofdelijke aansprakelijkheid (O&R nr. 144) 2024/4.2.2.3
4.2.2.3 Vennootschapsrecht
mr. drs. D.F.H. Stein, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. drs. D.F.H. Stein
- JCDI
JCDI:ADS931151:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 11 maart 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC1877, NJ 1977/521, m.nt. G.J. Scholten (Kribbebijter).
Asser/Van Olffen & Renssen 2-IIa 2019/74-75. Vgl. HR 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:144, NJ 2017/79; JOR 2017/85, m.nt. S.C.J.J. Kortmann & J.S. Kortmann (Frère Vastgoedprojecten), waarover Asser/Kortmann 3-III 2017/83.
Zie Hoofdstuk 3, par. 3.2.1, nr. 37.
Zie Kamerstukken II 1969/70, 10400, nr. 3, p. 8, waar wordt toegelicht waarom een dergelijke regel in art. 40 WvK werd neergelegd. Die regel is later vervangen door art. 2:93/203 BW, zie Kamerstukken II 1980/81, 16631, nr. 3, p. 10-12.
Zie Hoofdstuk 2, par. 2.3.3.
Zie hiervoor, nr. 104.
Dit geldt ongeacht de grond voor aansprakelijkheid van de rechtspersoon-bestuurder, zie HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:275, NJ 2017/215, m.nt. P. van Schilfgaarde; JOR 2017/121, m.nt. A.F.J.A. Leijten (Le Roux Fruit Exporters), r.o. 3.4.3.
Zie uitgebreid Hanegraaf 2017/3.8 en 3.9 (p. 73-88). Zie voorts Schuijling & Kortmann 2017, par. 3 (p. 402-408).
Ook in dat geval speelt de norm van art. 2:9 BW overigens een rol. Zie HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758, NJ 2006/659; JOR 2007/38 (Ontvanger/Roelofsen), r.o. 3.5. en HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959, NJ 2009/21, m.nt. J.M.M. Maeijer & H.J. Snijders; JOR 2008/260, m.nt. Y. Borrius (Willemsen/NOM), r.o. 5.3.
HR 6 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9521, NJ 1990/286, m.nt. J.M.M. Maeijer (Beklamel), r.o. 3.1 en 3.2. Zie ook HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758, NJ 2006/659; JOR 2007/38 (Ontvanger/Roelofsen), r.o. 3.5; HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627, NJ 2015/22, m.nt. P. van Schilfgaarde; JOR 2014/325, m.nt. S.C.J.J. Kortmann (RCI Financial Services), r.o. 4.3.
Daarbij is met name de vraag of de bestuurder aanstonds aansprakelijk is, of pas indien blijkt dat de rechtspersoon geen verhaal biedt. Zie hierover Karapetian 2019/5.7; Vetter 2021, p. 26-28.
Zie voor het Engelse recht expliciet Companies Act 2006, sectie 1187 (2) (a): “A person who is personally responsible by virtue of this section for debts and other liabilities of a company is jointly and severally liable in respect of those debts and liabilities with—(a) the company, and (b) any other person who (whether by virtue of this section or otherwise) is so liable.”
HR 28 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4663, NJ 2002/447, m.nt. J.M.M. Maeijer; JOR 2002/136, m.nt. S.M. Bartman (Akzo Nobel/ING), r.o. 3.4.3.
Zie hierover uitgebreid Spierings 2014/3 en Spierings 2016/396 e.v.
HR 28 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4663, NJ 2002/447, m.nt. J.M.M. Maeijer; JOR 2002/136, m.nt. S.M. Bartman (Akzo Nobel/ING), r.o. 3.4.2. Zie hierover nader Spierings 2014, par. 3.
Zie thans Richtlijn 2013/34/EU. Deze richtlijn kent haar voorloper in Richtlijn 78/660/EEG, later gewijzigd door Richtlijn 83/349/EEG.
Richtlijn 2013/34/EU, art. 37 aanhef en onder 3. Deze bepaling kent haar voorloper in Richtlijn 78/660/EEG, art. 57 lid 1 sub c, later gewijzigd door Richtlijn 83/349/EEG, art. 43. Zie daarover Hoofdstuk 2, par. 3.2.1.
Zie voor kritiek onder meer De Neve 2002; Schoordijk 2003; Bartman 2004; Verdaas 2008/418; Wibier 2008; Biemans 2011/310; Rongen 2012/986; Nass & Nass 2014; Van Dooren 2015; en E.C.A. Nass 2019/9.4.2.1 (p. 215-216).
De redenen voor keuze van de wetgever voor hoofdelijke verbondenheid blijken niet uit de parlementaire geschiedenis, zie Kamerstukken II 1979/80, 16326, nr. 3, p. 39-40.
HR 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:837, NJ 2015/255, m.nt. P. van Schilfgaarde; JOR 2015/191, m.nt. N.E.D. Faber & N.S.G.J. Vermunt (Bia Beheer), r.o. 3.6.3; HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:661, NJ 2015/361, m.nt. P. van Schilfgaarde en J.W. Winter; JOR 2015/140, m.nt. M.W. Josephus Jitta (SNS Reaal I), r.o. 4.34.1; HR 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:904, NJ 2014/309, m.nt. P. van Schilfgaarde; JOR 2014/199, m.nt. E.A. van Dooren (Econcern), r.o. 3.4.1 en 3.4.2. Vgl. HR 28 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4663, NJ 2002/447, m.nt. J.M.M. Maeijer; JOR 2002/136, m.nt. S.M. Bartman (Akzo Nobel/ING), r.o. 3.4.6.
HR 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:837, NJ 2015/255, m.nt. P. van Schilfgaarde; JOR 2015/191, m.nt. N.E.D. Faber & N.S.G.J. Vermunt (Bia Beheer), r.o. 3.6.3. Zie ook Conclusie A-G Wuisman voor HR 3 april 2015 (ECLI:NL:HR:2015:837), ECLI:NL:PHR:2015:48 (Bia Beheer), nr. 2.9, en Richtlijn 2013/34/EU, considerans, nr. 8.
Zie hiervoor, nr. 39.
Zie par. 4.3.1 en par. 4.3.2.
Asser/Kroeze 2-I 2021/583 (d); E.C.A. Nass 2019/5.3.2.2 (p. 101-103). Vgl. Van der Kraan 2022/9.7.4 (p. 535).
Indien een overeenkomst van opdracht wordt gesloten met ‘de maatschap’, zijn de vennoten echter wel hoofdelijk verbonden (art. 7:407 lid 2 BW). Zie HR 15 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7840, NJ 2013/290, m.nt. P. van Schilfgaarde; JOR 2013/133, m.nt. J.M. Blanco Fernández (Biek Holdings), r.o. 3.4.2 en Asser/Van Olffen 7-VII 2022/116b. Vgl. HR 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:588, NJ 2015/241, m.nt. P. van Schilfgaarde; JOR 2015/134, m.nt. Chr.M. Stokkermans (Hoekzema/Stichting Bedrijfstak Pensioenfonds voor het Beroepsvervoer over de weg), r.o. 3.4.7.
Zie echter HR 4 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2516, NJ 2017/61, m.nt. P. van Schilfgaarde; JOR 2016/326, m.nt. J.M. Blanco Fernández (Distriport/Provincie Noord Holland), r.o. 4.2, waaruit volgt dat hoofdelijke aansprakelijkheid geen automatisme is, omdat “mede van belang kan zijn of de wederpartij van de hoedanigheid van de commanditaire vennoot op de hoogte was of behoorde te zijn, en dat steeds van belang is of de commanditaire vennoot tegen wie de sanctie van art. 21 WvK wordt ingeroepen, ter zake van zijn handelen een verwijt valt te maken”.
HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:649, NJ 2019/438, m.nt. F.M.J. Verstijlen; JOR 2019/173, m.nt. N.E.D. Faber (UWV/X), r.o. 3.4.2. Vgl. (a contrario) art. 2:5 BW.
HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:649, NJ 2019/438, m.nt. F.M.J. Verstijlen; JOR 2019/173, m.nt. N.E.D. Faber (UWV/X), r.o. 3.4.2 en 3.5.2.
HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1315, NJ 2022/224, m.nt. J.L. Smeehuijzen; JOR 2020/227, m.nt. D.F.H. Stein, r.o. 3.3.2. Wel oordeelde de Hoge Raad dat een ‘aan de vof’ uitgebrachte stuitingsverklaring in beginsel geacht kan worden ook de vennoten te hebben bereikt (r.o. 3.3.2), en in beginsel zo moet worden uitgelegd dat zij ook betrekking heeft op de rechtsvorderingen jegens de vennoten (r.o. 3.3.3).
HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:649, NJ 2019/438, m.nt. F.M.J. Verstijlen; JOR 2019/173, m.nt. N.E.D. Faber (UWV/X), r.o. 3.4.1; Mathey-Bal 2016/3.2.1.1; en Asser/Van Olffen 7-VII 2022/176, met verdere verwijzingen. Hoewel iedere vennoot ten dele gerechtigd is tot het vof-vermogen, kunnen privéschuldeisers van de vennoten hierop dus geen verhaal nemen.
HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:649, NJ 2019/438, m.nt. F.M.J. Verstijlen; JOR 2019/173, m.nt. N.E.D. Faber (UWV/X), r.o. 3.4.3-3.4.4.
HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:649, NJ 2019/438, m.nt. F.M.J. Verstijlen; JOR 2019/173, m.nt. N.E.D. Faber (UWV/X), r.o. 3.4.4. Zie ook HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1315, NJ 2022/224, m.nt. J.L. Smeehuijzen; JOR 2020/227, m.nt. D.F.H. Stein, waarin het ging om de gevolgen van deze samenloop voor stuiting van de verjaring.
Zie over die kwesties hierna, nr. 124 en 145.
Zie https://www.internetconsultatie.nl/moderniseringpv2 (laatst geraadpleegd op 1 april 2023).
Zie de concept-MvT, p. 7-8 en p, 83.
Vgl. art. 7:404 e.v. BW.
Het voorgestelde art. 7:814 lid 3, tweede volzin BW, dat bepaalt dat alleen die vennoot draagplichtig is, is daarmee overbodig.
Vgl. art. 2:138/248 BW.
De concept-MvT, p. 12 (“terwijl schuldeisers voldoende beschermd zijn doordat is voorzien in hoofdelijke aansprakelijkheid van commanditaire vennoten voor zover hun handelen heeft geleid tot het faillissement van de commanditaire vennootschap”) en p. 107 (“dan kan hij [de commanditaire vennoot; DFHS] in de in lid 4 genoemde omstandigheden hoofdelijk aansprakelijk zijn wanneer de commanditaire vennootschap in staat van faillissement geraakt”), acht ik dan ook onjuist op dit punt.
106. Rechtshandelingen verricht namens een ‘BV i.o.’ of ‘NV i.o’. Vennootschappen met rechtspersoonlijkheid worden voor het vermogensrecht gelijkgesteld met een natuurlijk persoon (art. 2:5 BW), maar kunnen slechts handelen door tussenkomst van natuurlijke personen. Het bestuur is in beginsel bevoegd tot vertegenwoordiging van vennootschappen (art. 2:130/240 lid 1 BW), welke bevoegdheid in beginsel mede aan iedere bestuurder toekomt (lid 2, eerste volzin). Wordt aldus door het bestuur of een bestuurder een rechtshandeling verricht namens de vennootschap, dan is daarvan het rechtsgevolg dat de vennootschap daarbij partij is. De vertegenwoordiger raakt zelf dus niet gebonden aan de desbetreffende rechtshandeling.1 Of een partij voor zichzelf of namens iemand anders een rechtshandeling met een wederpartij aangaat, moet worden beoordeeld aan de hand van hetgeen zij daaromtrent “jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden”.2
Ook vóórdat een vennootschap is opgericht, kan soms behoefte bestaan aan het verrichten van rechtshandelingen ‘namens de BV/NV i.o’. Daarbij kan de vennootschap niet als vertegenwoordigde optreden, omdat zij nog niet bestaat. Niettemin blijkt uit art. 2:93/203 lid 1 BW dat reeds kan worden gehandeld namens de BV i.o. of NV i.o., waarvoor – gelet op de hiervoor geciteerde maatstaf – wel vereist is dat het ook voor de wederpartij kenbaar was dat degene met wie zij feitelijk handelde, namens de BV/NV i.o. optrad.3 Voor de later opgerichte BV of NV vloeien uit een dergelijke rechtshandeling pas verplichtingen voort wanneer zij – kort gezegd – niet alleen is ontstaan, maar de verrichte rechtshandelingen ook heeft bekrachtigd.
Degenen die namens de BV/NV i.o. handelden, zijn tót dat moment zelf niet aansprakelijk, omdat zij niet de wil hebben geuit zichzelf te binden. Omdat het (thans) Unierecht voor de NV vereist dat degenen die handelden hoofdelijk aansprakelijk zijn zolang de vennootschap de aansprakelijkheid niet heeft overgenomen,4 is thans in art. 2:93/203 lid 2 BW neergelegd dat degenen die handelden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de daaruit voortvloeiende verplichtingen, tenzij bij de rechtshandeling anders is bedongen.5 Hoewel het Unierecht slechts verplicht tot een regeling voor de NV (art. 2:203 BW), kent het Nederlandse recht eenzelfde regel voor de BV (art. 2:93 BW). Daarbij is strikt genomen slechts in het kader van de NV sprake van een verplichting tot Unierechtconforme interpretatie,6 maar ligt het mijns inziens voor de hand dat beide regels op eenzelfde manier worden uitgelegd.
107. Bestuurdersaansprakelijkheid. In diverse wettelijke bepalingen is voorzien in hoofdelijke aansprakelijkheid van bestuurders van een rechtspersoon. Daarbij kan het gaan om aansprakelijkheid jegens die rechtspersoon zelf (zogeheten ‘interne’ aansprakelijkheid),7 maar ook om aansprakelijkheid jegens anderen dan de rechtspersoon zelf, zoals schuldeisers of aandeelhouders (het gaat dan om ‘externe’ aansprakelijkheid).8
Wat betreft de interne aansprakelijkheden kan worden gewezen op de schending van de verplichting van de bestuurder jegens de rechtspersoon tot een behoorlijke taakvervulling (art. 2:9 BW), die bij schending daarvan door meerdere bestuurders hoofdelijke aansprakelijkheid in het leven roept.9 Ook bepaalt de wet dit soms met zoveel woorden. Zo zijn de bestuurders/natuurlijke personen van een rechtspersoon (A) hoofdelijk verbonden indien A bestuurder is van een andere rechtspersoon (B), en A als bestuurder van B aansprakelijk is (art. 2:11 BW).10
Wat betreft de externe hoofdelijke aansprakelijkheid, kan worden gedacht aan de aansprakelijkheid van bestuurders tot vergoeding van het boedeltekort, indien sprake is geweest van kennelijk onbehoorlijk bestuur en het aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement (art. 2:138/248 BW).11 Wel kan een individuele bestuurder zich onder omstandigheden disculperen ten aanzien van de aansprakelijkheid uit hoofde van art. 2:11 BW of uit art. 2:138/248 BW,12 in welk geval hij uiteraard niet hoofdelijk aansprakelijk is. Ook kunnen bestuurders op de voet van art. 6:162 BW aansprakelijk zijn jegens derden.13 Ook voor de externe aansprakelijkheid geldt dat indien het gaat om een aansprakelijke rechtspersoon-bestuurder, de natuurlijke personen die van die rechtspersoon bestuurder zijn, hoofdelijk aansprakelijk zijn (art. 2:11 BW).
Naast de onder omstandigheden hoofdelijke aansprakelijkheid van bestuurders onderling, kan een bestuurder ook hoofdelijk aansprakelijk zijn met de rechtspersoon waarvan hij bestuurder is. Dat doet zich bijvoorbeeld voor indien de rechtspersoon verplichtingen is aangegaan terwijl de bestuurder wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat de rechtspersoon die verplichtingen niet zou kunnen nakomen, en hem daarvan een persoonlijk verwijt gemaakt kan worden (‘Beklamel-aansprakelijkheid’).14 Schiet de rechtspersoon vervolgens inderdaad tekort in de nakoming van de aangegane verplichtingen, dan is zij mogelijk uit wanprestatie aansprakelijk jegens de wederpartij van de rechtspersoon (art. 6:74 BW). De bestuurder is buitencontractueel mogelijk voor dezelfde schade aansprakelijk uit hoofde van de genoemde Beklamel-aansprakelijkheid.15 Voor zover het daarbij gaat om dezelfde schade, zijn de bestuurder en de rechtspersoon hoofdelijk verbonden tot het betalen van schadevergoeding (art. 6:102 lid 1 BW).16
Voor de goede orde wijs ik erop dat de bestuurder die buitencontractueel aansprakelijk is niet hoofdelijk verbonden is met de vennootschap voor zover het gaat om de vordering van de schuldeiser jegens de vennootschap tot nakoming, maar wél voor zover het gaat om de vordering van de schuldeiser tot schadevergoeding wegens wanprestatie, voor zover beide vorderingen recht geven op vergoeding van dezelfde schade. De omzetting van de vordering tot nakoming in een vordering tot schadevergoeding (zie art. 6:87 BW) roept in dit geval dus mogelijk hoofdelijke verbondenheid in het leven.
108. De 403-verklaring. Géén vorm van hoofdelijke aansprakelijkheid op grond van de wet is de aansprakelijkheid uit hoofde van een zogeheten ‘403-verklaring’. Art. 2:403 BW voorziet in een vrijstellingsmogelijkheid voor een groeps(dochter)maatschappij van de verplichting om haar jaarrekening overeenkomstig Titel 2.9 BW in te richten. Wel gelden daarvoor enkele vereisten. Zo dienen de normaliter in de jaarrekening op te nemen gegevens te zijn geconsolideerd in de jaarrekening van de moedermaatschappij en is vereist dat de moedermaatschappij “schriftelijk heeft verklaard zich hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de uit rechtshandelingen van de rechtspersoon voortvloeiende schulden” (art. 2:403 lid 1 sub c resp. sub f BW). Hoewel de wet hier voorschrijft dat de moedermaatschappij dient te verklaren dat zij hoofdelijk aansprakelijk is voor uit rechtshandeling voortvloeiende schulden van haar dochtermaatschappij, berust de hoofdelijke verbondenheid op de 403-verklaring zelf (een rechtshandeling), zo volgt uit het arrest Akzo Nobel/ING:17
“De hier bedoelde verklaring die de moedermaatschappij heeft afgelegd, is een niet tot een bepaalde partij gerichte eenzijdige rechtshandeling op grond waarvan rechtstreeks aansprakelijkheid van de moedermaatschappij ontstaat. Anders dan de Ondernemingskamer heeft geoordeeld, kan de ‘contractant’ jegens de moedermaatschappij geen recht ontlenen aan art. 2:403, doch uitsluitend aan de door deze gedeponeerde verklaring.”
Enkel de gedeponeerde verklaring – een ‘eenzijdig ongerichte rechtshandeling’18 – brengt dus rechtsgevolgen teweeg voor de wederpartij van de dochtermaatschappij. Deze rechtsgevolgen moeten worden gevonden door uitleg van de verklaring volgens de daarvoor geldende normen.19
Art. 2:403 BW dient ter implementatie van Unierechtelijke richtlijnen.20 Het is opvallend dat art. 2:403 BW vereist dat de moedermaatschappij zich hoofdelijk verbonden verklaart, aangezien het Unierecht slechts bepaalt dat wil de dochtermaatschappij zich kunnen beroepen op de vrijstelling, de moedermaatschappij zich “garant [heeft] verklaard voor de door de dochteronderneming aangegane verplichtingen”.21 Door sommige auteurs wordt erop gewezen dat ‘garantstelling’ iets anders is of kan zijn dan ‘hoofdelijke aansprakelijkheid’, waarbij in het bijzonder wordt gewezen op borgtocht, waarbij de borg in beginsel slechts gehouden is tot nakoming als de hoofdschuldenaar tekortschiet (subsidiariteit) en de aanspraak jegens de borg van rechtswege de aanspraak jegens de hoofdschuldenaar volgt (afhankelijkheid).22 De reden voor hoofdelijke aansprakelijkheid lijkt te zijn dat het Nederlandse recht reeds vóór Richtlijn 78/660/EG voorzag in hoofdelijke aansprakelijkheid als voorwaarde, en die voorwaarde bij de implementatie van Richtlijn 78/660/EG heeft gehandhaafd.23 Hoewel men gelet op de tekst van de richtlijn kritiek kan hebben op die keuze, heeft de wetgever gekozen voor hoofdelijke verbondenheid24 en heeft de Hoge Raad herhaaldelijk geoordeeld dat de Unierechtelijke herkomst van de bepaling hierin geen verandering brengt.25 Daarbij acht de Hoge Raad van belang dat de desbetreffende richtlijn minimumharmonisatie voorschrijft en het de Nederlandse wetgever dus is toegestaan om een verdergaande aansprakelijkstelling te vereisen.26 Op basis van hetgeen ik eerder ten aanzien van het Unierecht concludeerde, meen ik dat ook uit het Unierecht voortvloeit dat het in art. 2:403 lid 1 aanhef en sub f BW gaat om een hoofdelijke schuldverklaring; een richtlijnconforme interpretatie brengt mee dat het moet gaan om het zich als hoofdelijk schuldenaar verbinden door de moedermaatschappij.27
Het is denkbaar dat de moedermaatschappij haar aansprakelijkheid in de 403-verklaring clausuleert, bijvoorbeeld door daarin op te nemen dat zij slechts kan worden aangesproken indien haar dochtermaatschappij geen verhaal biedt. Een dergelijke clausulering staat mijns inziens niet aan hoofdelijke verbondenheid in de weg, omdat daarvan ook sprake kan zijn indien de ene schuldenaar slechts voorwaardelijk gehouden is tot het verrichten van de verschuldigde prestatie.28 Aan een dergelijke beperking is echter wel het risico verbonden dat dan niet is voldaan aan de vrijstellingsvoorwaarden. Is enkel een geconsolideerde jaarrekening openbaargemaakt, dan heeft de dochtermaatschappij – en mogelijk ook de moedermaatschappij – niet voldaan aan hun verplichtingen uit hoofde van art. 2:394 BW en kunnen de bestuurders van die vennootschappen hoofdelijk aansprakelijk zijn (art. 2:138/248 lid 2 BW en art. 2:139/249 BW).29
109. Personenvennootschapsrecht. Tot slot is in het personenvennootschapsrecht geregeld voorzien in hoofdelijke verbondenheid. Waar de vennoten in een maatschap jegens schuldeisers van de maatschap in beginsel niet hoofdelijk, maar voor gelijke delen aansprakelijk zijn (art. 7A:1679 en 1680 BW),30 ligt dit anders voor de vennoten in een vof: zij zijn hoofdelijk verbonden voor de schulden van de vof (art. 18 WvK). Hetzelfde geldt voor de commanditaire vennoot (de “vennoot bij wijze van geldschieting”), indien de naam van de cv zijn naam bevat en/of hij daden van beheer verricht (art. 21 jo. art. 20 lid 1 en 2 WvK).31
Met name de vof komt in het handelsverkeer geregeld voor, mede doordat de ontstaansvereisten erg licht zijn.32 Aangezien een vof geen rechtspersoon is, kan ‘de vof’ zelf geen schuldenaar zijn.33 Zo oordeelde de Hoge Raad dat een arbeidsovereenkomst tussen een werknemer en ‘een vof’, een overeenkomst betreft tussen de werknemer enerzijds en de gezamenlijke vennoten anderzijds.34 Evenzo oordeelde de Hoge Raad dat een stuitingshandeling ten aanzien van een rechtsvordering ‘jegens de vof’ in beginsel slechts kan worden verricht jegens de gezamenlijke vennoten.35 Van de vraag wie schuldenaar is of schuldenaren zijn moet worden onderscheiden de vraag op welke vermogensbestanddelen de ‘vof-schuldeiser’ zo nodig verhaal kan nemen. De vof kent een eigen, van de vermogens van de individuele vennoten afgescheiden vermogen (het ‘vof-vermogen’).36 Schuldeisers kunnen voor ‘vof-schulden’ zowel verhaal nemen op het vof-vermogen als op de privévermogens van de vennoten, die voor die schulden hoofdelijk verbonden zijn (art. 18 WvK). De verhaalsaanspraak op het vof-vermogen brengt echter niet mee dat ‘de vof’ ook als hoofdelijk schuldenaar moet worden aangemerkt. De vof is zelf geen rechtssubject en maakt zelf volgens de Hoge Raad dan ook géén deel uit van de kring van hoofdelijk schuldenaren:37
“Art. 18 WvK bewerkstelligt derhalve een hoofdelijke verbondenheid van de vennoten onderling en niet een hoofdelijke verbondenheid van iedere vennoot met de vof (de gezamenlijke vennoten).
(…)
Een vennootschapscrediteur heeft aldus jegens iedere vennoot twee samenlopende vorderingsrechten: één jegens de gezamenlijke vennoten (‘jegens de vof’), dat verhaalbaar is op het afgescheiden vermogen van de vof, en één jegens de vennoot persoonlijk, dat verhaalbaar is op het privévermogen van deze vennoot.”
De Hoge Raad onderscheidt hier dus tussen de schuldenaren (uitsluitend de vennoten) en de verschillende verhaalsaanspraken op de beschikbare verhaalsvermogens (zowel het vof-vermogen als de vermogens van de vennoten in privé). Dit verklaart ook waarom de Hoge Raad de vennoten niet met de vof, maar enkel onderling hoofdelijk verbonden acht. Er is per schuldenaar sprake van twee samenlopende vorderingsrechten,38 met elk een eigen vermogen waarop de desbetreffende vordering kan worden verhaald. Dit is van belang, omdat het feit dat ‘de vof’ niet behoort tot de kring der hoofdelijk schuldenaren van invloed is op de verhaalspositie van een aangesproken schuldenaar en op de gevolgen van een door ‘de vof’ met de schuldenaar getroffen schikking.39
Na een eerdere internetconsultatie in 2019, is in oktober 2022 een tweede ambtelijk voorontwerp van een nieuwe wettelijke regeling van het personenvennootschapsrecht in consultatie gegeven.40 Een van de belangrijkste voorgestelde wijzigingen ten opzichte van het huidige recht is dat de openbare personenvennootschap rechtspersoonlijkheid toekomt (het voorgestelde art. 7:810 lid 1 BW). Wat hoofdelijke aansprakelijkheid betreft, is een belangrijke wijziging dat de hoofdelijke aansprakelijkheid van vennoten voor schulden van de personenvennootschap niet langer alleen geldt voor de vof, maar voor alle openbare personenvennootschappen.41 Tegelijkertijd wordt de hoofdelijke aansprakelijkheid ook beperkt. Zo is in geval van een opdracht aan de personenvennootschap waarvan de uitvoering aan één vennoot is toevertrouwd, hoogstens die vennoot hoofdelijk (met de personenvennootschap) aansprakelijk jegens de wederpartij (het voorgestelde art. 7:814 lid 3 BW).42 De andere vennoten behoren dus niet tot de kring van hoofdelijk schuldenaren.43 Ook keert de hoofdelijke aansprakelijkheid van de commanditaire vennoot (art. 20 en 21 WvK) niet terug, omdat de externe aansprakelijkheid jegens schuldeisers is vervangen door een aansprakelijkheid jegens de boedel voor het boedeltekort (het voorgestelde art. 7:819 lid 4 BW).44 Van hoofdelijke aansprakelijkheid is daarbij dus geen sprake meer.45 Indien een vennoot hoofdelijk verbonden is voor de schulden van de personenvennootschap, kan hij pas worden aangesproken indien de vof zelf in verzuim is (het voorgestelde art. 7:814 lid 1 en 2 BW). Het primaat ligt hier dus bij (het vermogen van) de personenvennootschap, waarbij de vennoten in privé pas subsidiair aansprakelijk zijn.46 Voor vennoten in een openbare personenvennootschap die niet is ingeschreven in het Handelsregister, gelden deze beperkingen niet; zij zijn onverkort hoofdelijk aansprakelijk voor de verbintenissen van de vennootschap (het voorgestelde art. 7:814 lid 6 BW).