Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/9.2.3
9.2.3 Tweede feitelijke grondslag: zonder de misleiding zou het litigieuze aandeel in het geheel niet zijn gekocht
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655933:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie in dit verband bijvoorbeeld Rb. Amsterdam 25 juni 2008, ECLI:NL:RBAMS:2008:BD6614 (Fratini e.a./Peters e.a.), r.o. 4.2, waar de rechtbank netjes vasthoudt aan de feitelijke grondslag waarmee de eisende beleggers hun vordering hadden onderbouwd. Zie in dit verband ook Rb. ’s-Gravenhage 20 oktober 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BK0741 (X/Staat), r.o. 3.2 resp. 4.8 (bekrachtigd door Hof ’s-Gravenhage 23 november 2010, JOR 2011/49, m.nt. P.J. van der Korst).
Dit ligt iets genuanceerder voor het geval waarin de eisende belegger gebruikt maakt van algorithmic trading en waarbij zijn kooporder wordt ‘getriggerd’ door een koersbeweging die direct is terug te voeren op de misleidende informatie. In dat geval is de aankoopbeslissing van de belegger onmiskenbaar door de misleidende informatie beïnvloed, terwijl hij niet (direct) op de misleidende informatie is afgegaan. Wel zou men kunnen zeggen dat het algoritme (indirect) op de misleidende informatie ‘is afgegaan’, en in zoverre dus ook de belegger. Ik laat dit geval hier verder buiten beschouwing. Zie over dit geval ook de Brief of Securities Law Scholars as Amici Curiae in Support of Respondent, p. 10, voetnoot 6, in de zaak Halliburton Co. v. Erica P. John Fund, Inc., 573 U.S. 258 (2014) (‘Halliburton II’).
Zie in dit verband ook HR 8 februari 2013, NJ 2014/495, m.nt. J. Hijma onder NJ 2014/497; JOR 2013/108, m.nt. B.T.M. van der Wiel onder JOR 2013/106 (F. van Lanschot Bankiers N.V./Grove e.a.), r.o. 3.7.1-3.7.2 over de stelplicht en de bewijslast wat het causaal verband (in de zin van het csqn-verband) betreft tussen de zorgplichtschending van de bank en de door de belegger gestelde schade in de situatie waarin de bank (optredend als beleggingsadviseur) de belegger onjuist heeft geadviseerd en/of onvoldoende heeft gewaarschuwd voor de aan de voorgestelde belegging verbonden risico’s.
Zie in dit verband bijvoorbeeld het gemotiveerde betoog van de eisende beleggers in de zaak Rb. Noord-Nederland 13 december 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:4769 (X e.a./Bouwhuis en Wiegel), r.o. 8.2 en r. o. 8.4.
Voor een geval waarin nogal soepel met de in de hoofdtekst bedoelde bewijslast wordt omgegaan en waarin voor het rendement in de hypothetische situatie zonder normschending vrij gemakkelijk wordt aangeknoopt bij de wettelijke rente, wijs ik op het arrest Hof Den Haag 24 februari 2015, JOR 2015/147, m.nt. C.W.M. Lieverse (Van der Heiden/Van Meer-Van Santen e.a.), r.o. 16. Het oordeel van het hof is vermoedelijk te verklaren door de wijze waarop door de aansprakelijke partij verweer is gevoerd. Voor andere gevallen waarin nogal soepel met deze bewijslast wordt omgegaan en waarin vrij gemakkelijk wordt aangenomen dat de belegger zijn geld niet zou hebben belegd, maar op een spaarrekening respectievelijk depositierekening zou hebben laten staan als de beleggingsadviseur niet in zijn advisering zou zijn tekortgeschoten, wijs ik op de uitspraken Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening nr. 2016-033 d.d. 11 oktober 2016, r.o. 4.5 en Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening nr. 2012-15 d.d. 24 juli 2012, r.o. 3.9. Ook in de eerstgenoemde zaak had de aangesproken beleggingsadviseur op dit punt niet of nauwelijks verweer gevoerd.
Zie over deze kwestie uitgebreid § 5.5.3.1 sub a.
Voor zover de beleggers meer dan één aandeel hebben gekocht, moet – om het totale schadebedrag te krijgen – het in de hoofdtekst genoemde bedrag uiteraard nog worden vermenigvuldigd met het aantal gekochte aandelen.
Ik wijs erop dat om voor schadevergoeding in aanmerking te komen, het dus niet noodzakelijkerwijs zo hoeft te zijn dat de eisende belegger in de feitelijke situatie (in absolute zin) koersverlies heeft geleden.
Voor zover de belegger tevens vergoeding vordert van koerswinst die in de hypothetische situatie zonder misleiding zou zijn behaald op een alternatieve belegging, is een ander verweer dat de gedaagde zou kunnen voeren (dat overigens in het verlengde ligt van het in de hoofdtekst genoemde verweer), dat gederfde koerswinst op hypothetische beleggingen hem niet op de voet van art. 6:98 BW kan worden toegerekend. Zie in dit verband § 5.5.3.2 sub b.
HR 27 november 2009, NJ 2014/201, m.nt. C.E. du Perron; JOR 2010/43, m.nt. K. Frielink (VEB e.a./World Online e.a.), r.o. 4.11.3.
Leggen de beleggers aan hun vordering tot schadevergoeding ten grondslag dat zij bij afwezigheid van de misleiding het litigieuze aandeel in het geheel niet zouden hebben gekocht, dan rusten op hen in de eerste plaats de stelplicht en bewijslast – althans, wanneer aan de hoofdregel van art. 150 Rv wordt vastgehouden – dat zij bij afwezigheid van de misleidende informatie een andere beleggingsbeslissing zouden hebben genomen. Zij moeten met andere woorden aantonen dat zij (direct of indirect) op de misleidende informatie zijn afgegaan, dat hun beleggingsbeslissing aldus (direct of indirect) door de misleidende informatie is beïnvloed en dat zij als gevolg daarvan in het litigieuze aandeel hebben geïnvesteerd.1,2 Bij juiste en volledige informatie zouden zij dat niet hebben gedaan.
Daarnaast moeten de eisende beleggers aantonen dat het door hen gestelde koersverlies in causaal verband (in de zin van het csqn-verband) staat met de misleiding (of anders gezegd: dat zij als gevolg van de misleiding schade hebben geleden).3 Dit betekent dat zij inzicht moeten geven in hun beleggingsgedrag in de hypothetische situatie zonder misleiding, en aannemelijk moeten maken dat zij in deze hypothetische situatie op een alternatief beleggingsobject een beter rendement zouden hebben behaald dan zij thans op het litigieuze aandeel hebben behaald4 (althans, wanneer de door hen gestelde koersschade door de gedaagde gemotiveerd wordt betwist).5 Hierbij moet worden aangetekend dat de relevante (peil)periode waarover het rendement wordt gemeten, afhangt van het tijdstip waarop de eisende belegger zijn aandeel heeft gekocht respectievelijk eventueel heeft verkocht.6 Voor de belegger die het litigieuze aandeel tot na het bekend worden van de misleiding heeft aangehouden, betreft de relevante periode het tijdvak gelegen tussen het tijdstip van aankoop en het tijdstip van de bekendwording van de misleiding. Voor de belegger die het aandeel tussentijds heeft verkocht, betreft de relevante periode het tijdvak gelegen tussen het tijdstip van aankoop en het tijdstip van verkoop.
Kan worden vastgesteld dat de eisende beleggers in de hypothetische situatie zonder misleiding inderdaad een beter rendement zouden hebben behaald dan zij thans op het litigieuze aandeel hebben behaald, dan staat daarmee vast dat zij als gevolg van de misleiding schade hebben geleden. De omvang van deze schade kan vervolgens gemakkelijk worden vastgesteld door het verschil te nemen tussen enerzijds het koersverlies dat zij thans hebben geleden (of de koerswinst die zij thans hebben behaald) in de feitelijke situatie met misleiding, en anderzijds het koersverlies dat zij zouden hebben geleden (of de koerswinst die zij zouden hebben behaald) in de hypothetische situatie zonder misleiding.7,8 Het is vervolgens aan de gedaagde om te beargumenteren (en de bij wijze van verweer aangevoerde feiten te stellen en – bij betwisting – te bewijzen) dat niet het volledige bedrag van de aldus vastgestelde schade hem op de voet van art. 6:98 BW kan worden toegerekend. Het meest voor de hand liggende verweer dat hij in dit verband kan voeren is dat het door de beleggers gestelde koersverlies primair is veroorzaakt door aan de misleiding externe factoren (zoals macro-economische, sectorgerelateerde en/of (met de misleiding geen verband houdende) bedrijfsspecifieke factoren), zodat het niet (volledig) voor vergoeding in aanmerking dient te komen.9 De gedaagde zal hiermee zijn vergoedingsplicht ten minste willen beperken tot het bedrag van de door de misleiding veroorzaakte koersinflatie.
In de situatie waarin de eisende beleggers aanvoeren dat zij bij afwezigheid van de misleiding het litigieuze aandeel in het geheel niet zouden hebben gekocht, zal het processuele debat over de vraag of de misleidende informatie tot koersinflatie heeft geleid dus in beginsel volledig worden gevoerd in het kader van het toerekeningsverband ex art. 6:98 BW. Wanneer het processuele debat over de koersinvloed van de misleidende informatie in de sleutel staat van het toerekeningsverband, is de gehele analyse zoals die volgt uit § 9.4.2 voor de situatie waarin dit debat in de sleutel staat van het csqn-verband – met wat geringe aanpassingen – van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de gehele processuele constellatie spiegelbeeldig moet worden bekeken. Uit het World Online-arrest zou men echter kunnen afleiden dat bij prospectusaansprakelijkheid geldt dat ook wanneer de eisende beleggers stellen dat zij zonder de misleiding het litigieuze aandeel in het geheel niet zouden hebben gekocht, het aan hen is om te bewijzen dat de misleidende informatie de koers heeft beïnvloed, en zo ja, met welk bedrag (in plaats van dat het aan de gedaagde is om te bewijzen dat de misleidende informatie de koers niet heeft beïnvloed). Ik wijs in dit verband op de overweging dat ‘ten aanzien van het bestaan en de omvang van de schade (…) in beginsel de gewone bewijsregels (…) gelden’.10 Deze overweging wordt hierna besproken.