Einde inhoudsopgave
Bijzonder ontslagprocesrecht (MSR nr. 67) 2015/4.5
4.5 Verdund ontslagprocesrecht en de fundamenten van het arbeidsrecht
Mr. D.M.A. Bij de Vaate, datum 30-12-2014
- Datum
30-12-2014
- Auteur
Mr. D.M.A. Bij de Vaate
- JCDI
JCDI:ADS354705:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Rechtspleging van onderscheiden aard
Arbeidsrecht / Einde arbeidsovereenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Langille 2013, p.105; Weiss 2013, p. 44; Roozendaal 2011, p. 373; Van der Heijden & Noordam 2001, p. 49; Rood 1998, p. 4.
Roozendaal 2011, p. 373; Weiss 2013, p. 44; Mundlak 2013, p. 316. Vgl. Zekic 2014, p. 83.
Vgl. STAR Advies 5/07, p. 19; Van Peijpe 1997, p. 373. Overigens meen ik met Van den Heuvel dat een arbeidsovereenkomst aanzienlijk meer voor een werknemer betekent dan uitsluitend het recht op loon. Arbeid is ook een middel tot ontplooiing, tot plaatsbepaling in de samenleving en structurering. Zie Van den Heuvel 1993, p. 547. Vgl. Roozendaal 2011, p. 376-382.
Vgl. Asser/Heerma van Voss 2008, p. 7; Loonstra & Zondag 2000, p. 1274.
In dat kader wordt vaak gesproken over de 'ordenende functie' van het arbeidsrecht. Dit ordeningsaspect is vooral zichtbaar in het collectieve arbeidsrecht. Zie Roozendaal 2011, p. 382-383; Houweling & Loonstra 2011, p. 172-173.
Roozendaal 2011, p. 382; Houweling & Loonstra 2011, p. 172; Zondag 2002, p. 31. Vgl. Zekic 2014, p. 83.
Deze organisatievrijheid voor de werkgever komt sterk tot uitdrukking in de institutionele leer. Volgens de institutionele theorie wordt de inhoud van de wederzijdse rechten en verplichtingen tussen werkgever en werknemer niet zozeer bepaald door hetgeen contractueel is afgesproken maar meer door hetgeen voor een goed functioneren van de organisatie nodig is. Zie Zondag 2002, p. 5. Zie ook Roozendaal 2011, p. 384-387; Van Peijpe 1997, p. 370.
HvJ EU 18 juli 2013, C-426/11 (Alemo-Herron/Parkwood). In dit arrest stelt het HvJ een grens aan een te werknemersvriendelijke uitleg van richtlijn 2001/23 inzake overgang van onderneming. Vgl. Peters 2014.
Vgl. Van Peijpe 1997, p. 378-379.
En in die zin dus ook past binnen de gedachte van ongelijkheidscompensatie.
Vooral voor wergevers die niet beschikken over deskundigheid op het gebied van het ontslagrecht. Vgl. De Meester 1993, p. 526. Overigens, in 1949 zag men de lange duur van een arbeidsproces vooral als nadeel voor de werknemer. De werknemer moest in de tussenliggende periode zijn gezin kunnen onderhouden. Zie Kamerstukken II 1949/50, 881, nr. 4, p. 14.
Ook het EHRM heeft het belang erkend van het behandelen van ontslagzaken met de nodige voortvarendheid. Zie EHRM 28 juni 1990, nr. 11761/85, § 72 (Obermeier v. Austria).
In het voorgaande is duidelijk geworden dat dankzij het verdund ontslagprocesrecht snel zekerheid kan worden verkregen over het eindigen van de arbeidsovereenkomst, ook in de repressieve procedure tot loondoorbetaling en wedertewerkstelling die kan volgen na een opzegging wanneer de werknemer een beroep doet op een vernietigingsgrond van de opzegging. Deze snelle zekerheid wordt verkregen door een beperking in de normale procedurele rechten. Het is vraag hoe dit zich verhoudt tot de fundamenten die ten grondslag liggen aan het arbeidsrecht, met name het beginsel van ongelijkheidscompensatie.
Ongelijkheidscompensatie wordt vaak beschouwd als hét fundamentele beginsel ten grondslag liggend aan het arbeidsrecht.1 Het arbeidsrecht compenseert de machtsongelijkheid tussen de werknemer en de werkgever. Hierin verschil het arbeidsrecht voornamelijk van het algemene vermogensrecht, waarin veelal machtsevenwicht tussen partijen verondersteld wordt.2 Ontslagtoetsing is een uitwerking van die in het arbeidsrecht verankerde gedachte van ongelijkheidscompensatie. Omdat de werknemer voor zijn inkomen afhankelijk is van zijn werkgever, moet de werknemer er in redelijkheid aanspraak op kunnen maken dat zijn arbeidsovereenkomst niet naar willekeur door de 'sterkere' werkgever wordt verbroken.3 Dit is zelfs een grondrecht. Het EU-grondrechtenhandvest meldt in art. 30 dat iedere werknemer recht heeft op bescherming tegen iedere vorm van kennelijk onredelijk ontslag. Deze ongelijkheidscompensatie – ook wel werknemersbescherming genoemd4 – betekent niet dat de arbeidsverhouding die de werknemer met de werkgever heeft nooit verbroken kan worden. Werknemersbescherming is niet het enige beschermde belang binnen het arbeidsrecht. Een werknemer krijgt niet altijd wat hij wil. Ook werkgeversbelangen en maatschappelijke belangen5 spelen een rol.6 De arbeidsrechtelijke regels vormen een afweging van deze belangen. Dit is duidelijk waarneembaar in het ontslagrecht. In het kader van het ontslagrecht contrasteert het belang van de werknemer op adequate individuele ontslagbescherming met het belang van de werkgever om vrij te zijn om zijn organisatie naar eigen inzicht in te richten.7 Ook dit laatste belang kan in het kader van grondrechten worden geplaatst. Artikel 16 EU-grondrechtenhandvest erkent het grondrecht van ondernemersvrijheid. Dit grondrecht kan een grens stellen aan werknemersbeschermend arbeidsrecht, zo blijkt uit het arrest Parkwood van het Hof van Justitie.8 In dat kader zou ik ook het verdund ontslagprocesrecht willen plaatsen. Het verdund ontslagprocesrecht is mijns inziens het resultaat van een evenwichtige afweging tussen het werknemersbelang c.q. het grondrecht op adequate individuele ontslagbescherming en het belang c.q. grondrecht van de werkgever op ondernemersvrijheid.
In de voorgaande hoofdstukken hebben we gezien dat het verdund procesrecht voorkomt in de preventieve ontslagprocedures. In dit hoofdstuk is tevens gezien dat het verdund procesrecht ook is ingebracht in de repressieve ontslagprocedures die een oordeel geven over het al dan niet beëindigd zijn van de arbeidsovereenkomst. Een vergelijkbare uitkomst als in de preventieve procedures, met dien verstande dat het niet gaat om de vraag of beëindigd kan worden, maar om de vraag of beëindigd is. Deze procedures dienen het werknemersbelang.9 Zij zorgen ervoor dat de werkgever niet op lichtvaardige gronden de arbeidsovereenkomst kan verbreken. Deze ontslagprocedures maken inbreuk op de organisatievrijheid van de werkgever. De inbreuk die op dit belang wordt gemaakt wordt echter beperkt door het verdund procesrecht. Het verdund procesrecht in de preventieve procedures leidt ertoe dat snel duidelijkheid wordt verkregen over het eindigen van de arbeidsovereenkomst, zelfs in de repressieve procedure die kan volgen nadat een beroep wordt gedaan op een vernietigingsgrond van de opzegging dankzij de mogelijkheid van het voeren van de preventieve ontslagprocedures ‘voor zover vereist’. Hoewel deze snelle zekerheid ook het belang van de werknemer kan dienen – een procedure is vaak emotioneel belastend en kostbaar10 – zou ik dit vooral als een belang van de werkgever willen kwalificeren in het kader van zijn ondernemersvrijheid.11 Zonder verdund procesrecht zou de werkgever lange tijd in onzekerheid kunnen verkeren omtrent het al dan niet eindigen of geëindigd zijn van de arbeidsovereenkomst met de werknemer. Hij moet mogelijk rekening houden met een hoogoplopende loonvordering van de werknemer en het risico dat hij de werknemer weer tot zijn oude functie moet toelaten. Deze onzekerheid kan het voeren van een goede organisatieplanning belemmeren.12