Einde inhoudsopgave
Pandrecht op aandelen (O&R nr. 140) 2023/2.7.2
2.7.2 Verlening beschikkingsbevoegdheid aan een ander
mr. T. Hutten, datum 01-05-2023
- Datum
01-05-2023
- Auteur
mr. T. Hutten
- JCDI
JCDI:ADS706291:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Insolventierecht (V)
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. HR 14 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO3521 (Mesdag II). De toekenning is niet gebonden aan een bepaalde vorm (art. 3:37 lid 1 BW), en kan mijns inziens zowel voorwaardelijk als onvoorwaardelijk plaatsvinden (art. 3:38 lid 1 BW).
HR 14 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO3521, r.o. 3.3.3 (Mesdag II); Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2021/234; Bartels, in JOR 2022/27, nr. 5-6.
Zie bijv. Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2022/251; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2019/299 en 302; Van der Grinten 1993/28; Brahn 1992/18. Vgl. (registergoederen) HR 2 april 1976, ECLI:NL:HR:1976:AB6874 (Modehuis Nolly).
Vgl. (in algemene zin) Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2021/235. Vgl. (ten aanzien van registergoederen en vorderingen op naam) Asser/Kortmann 3-III 2017/136a en 136c; Bartels 2004, p. 61-63; Groefsema 1993, p. 39-40.
Vgl. (bij andere goederen) Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2021/235; Asser/Kortmann 3-III 2017/136c.
37. Een aandeelhouder kan mijns inziens aan een ander de bevoegdheid verlenen om in eigen naam een pandrecht te vestigen op aan de aandeelhouder toebehorende aandelen. Net als bij roerende zaken, niet-registergoederen is daarvoor mijns inziens nodig dat de bevoegdheid bij overeenkomst door de beschikkingsbevoegde persoon wordt toegekend aan de ander.1 Wat de precieze inhoud en reikwijdte van de bevoegdheidsverlening is, zal daarbij steeds afhangen van de uitleg van de toekenning. Daarbij geldt in beginsel dat wanneer de ander buiten de grenzen van de overeenkomst treedt, niet slechts sprake is van een tekortkoming in de nakoming, maar ook van beschikkingsonbevoegdheid.2
In de literatuur bestaat er geen eenstemmigheid over de kwestie of iemand in eigen naam goederen kan leveren die hem niet toebehoren. Door bekende auteurs is verdedigd dat dit slechts zou kunnen met goederen die door bezitsverschaffing worden geleverd.3 Zo zou bij de levering van registergoederen en vorderingen op naam de rechthebbende de akte moeten ondertekenen of de derde dit in naam van de rechthebbende moeten doen. Voor aandelen is dit standpunt (nog) niet ingenomen. Mijns inziens volgt echter niet uit het stelsel van de wet dat beschikkingshandelingen bij aandelen anders moeten worden behandeld dan die bij roerende zaken die geen registergoederen zijn.4 Dit volgt in ieder geval niet uit de eis dat voor de (levering en) verpanding van aandelen een akte is vereist. Artikel 2:86/196 lid 1 BW bepaalt daarover slechts dat bij die akte ‘de betrokkenen’ partij moeten zijn. Dit laat mijns inziens ruimte voor het optreden van een ander dan de rechthebbende in eigen naam uit hoofde van aan hem verleende beschikkingsbevoegdheid. Wel dient er in de pandakte mijns inziens melding te worden gemaakt van de grondslag van de bevoegdheid van de pandgever.5
Een toepassing van het voorgaande kan zijn dat in concernverhoudingen de dochtervennootschappen aan de moedervennootschap bij overeenkomst de bevoegdheid verlenen om hun aandelen in de kleindochtervennootschappen te verpanden. Zo kan een moedervennootschap in het kader van het aantrekken van concernfinanciering bevoegd in eigen naam gelijktijdig de aandelen van alle groepsvennootschappen verpanden. Deze constructie biedt een alternatief voor vertegenwoordiging waarbij het bestuur van de moedervennootschap ook in naam van de dochtervennootschappen de aandelen verpanden in de kleindochtervennootschappen.