Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/10.3.7
10.3.7 Proportionaliteitseisen
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS499485:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Van het Kaar meent zelfs dat Nederlandse schuldeisers benadeeld worden door art. 26 voorstel Europees bankbeslag. Omdat de schuldenaar vrij is om over het restant bedrag te beschikken kan dit worden overgeboekt en daarmee worden onttrokken aan verder verhaal (van andere, latere schuldeisers): Van het Kaar 2011c, p. 648. Ik zou juist menen dat dit een goede ontwikkeling zou zijn omdat niet valt in te zien waarom een conservatoir beslagene niet meer over diens gehele saldo meer kan beschikken, terwijl de vordering waarvoor beslag is gelegd lager is dan het saldo op de rekening. Dat er ook anderen beslag zouden kunnen leggen acht ik geen valide argument. Dit verschil in inzicht met Van het Kaar komt voort uit de omstandigheid ik voorstander ben van afschaffen van het systeem van naar evenredigheid van ieders vordering verdelen van de executieopbrengst. Zie ook paragraaf 9.2.6.5.
Zie ook: Van den Heuvel & De Lange 2011, p. 36.
Toch is het voorstel Europees bankbeslag niet geheel verstoken van enige proportionaliteitstoets. Een eerste in dit verband interessante bepaling is te vinden in artikel 19, inzake ‘informatie over bij andere gerechten in behandeling zijnde verzoeken’ dat de eiser verplicht om bij de aanvraag van een EAPO te vermelden of meer aanvragen voor een EAPO (inclusief verzoeken tot bewarende maatregelen gebaseerd op nationaal recht) zijn gedaan tegen dezelfde verweerder en met betrekking tot dezelfde vordering. Het gaat hierbij om gelijkwaardige bewarende maatregelen naar nationaal recht, waarbij de tekst van de regeling geen duidelijkheid biedt of hieronder alleen bankbeslagen of ook andere vormen van beslag vallen. Op grond van artikel 19.2 voorstel Europees bankbeslag mag het gerecht (discretionair) een EAPO weigeren indien het van oordeel is dat reeds toegekende maatregelen de belangen van de eiser voldoende beschermen. Hierbij wordt de omvang van de gevraagde bewarende maatregelen in relatie tot de te secureren vordering beoordeeld. Het opmerkelijke is dat de bepaling niet imperatief is geformuleerd. Het lijkt mij voor hand liggend dat een EAPO geweigerd zou moeten worden indien zich de situatie voordoet dat het gerecht van oordeel is dat reeds genomen maatregelen de belangen van de verzoeker voldoende beschermen.
De proportionaliteitstoetsing van artikel 19 voorstel Europees bankbeslag vindt niet plaats ingevolge de in Nederland gebruikelijke afweging van belangen van beslaglegger en beslagene; het is een abstracte benadering die beoogt om ter bescherming van de beslagene overkill situaties te voorkomen. Een eiser wordt geacht geen belang te hebben bij bewarende maatregelen die de hoogte van de vordering plus rente en kosten overstijgen. Een krachtig uitgangspunt in het kader van de bescherming van de belangen van de beslagene dus. Toch doen zich een aantal praktische problemen voor. Ten eerste ligt het voor de hand dat de eiser, die gelijktijdig op diverse bankrekeningen in diverse lidstaten beslag wenst te leggen, dit – mede met het oog op het verrassingseffect – zal proberen zoveel als mogelijk op hetzelfde moment te laten plaatsvinden. Dit betekent een te respecteren belang om tezelfdertijd meer EAPO's aan te vragen. Zo bezien heeft deze proportionaliteitsbepaling daarmee alleen betekenis voor die situaties waarin reeds bewarende maatregelen zijn genomen en bovendien bekend is in hoeverre die maatregelen hebben gekleefd (ook daar kan de nodige tijd overheen gaan, zeker wanneer een verzoek tevens een verzoek tot informatie over bankrekeningen inhoudt). Een tweede complicerende factor voor een dergelijke proportionaliteitstoets is dat in Nederland de beoordeling mede afhankelijk zou moeten zijn van de vooruitzichten op voldoening van de vordering waarvoor beslag werd gelegd in geval van executie, hetgeen weer afhankelijk is van de rangorde van schuldeisers. Het voorstel Europees bankbeslag laat dit onderdeel over aan nationale wetgeving (art. 33 voorstel Europees bankbeslag), in die zin dat een vordering waarvoor een EAPO is uitgevaardigd, en naar men mag aannemen daarmee ook ten uitvoer gelegd, dezelfde rangorde van schuldeisers geldt als een maatregel met gelijkwaardige gevolgen op grond van het nationale recht van de lidstaat waar de rekening wordt aangehouden. In Nederland kan zich de situatie voordoen dat een beslaglegger bij de verdeling in de executiefase moet meedelen met overige gerechtigden, (paritas creditorum principe, art. 3:277 lid 1 BW) waardoor deze het risico loopt slechts een deel van zijn vordering voldaan te zien.1 Indien dergelijke factoren bij de beoordeling van de proportionaliteit zouden worden meegewogen lijkt er veeleer sprake van een theoretische kans op een afwijzing van een EAPO dan van een reële proportionaliteitswaarborg. Indien geen rekening wordt gehouden met de hiervoor geschetste nationale omstandigheden (hetgeen niet ondenkbaar is, alleen al omdat een uitvaardigend gerecht in een andere lidstaat hiervan waarschijnlijk geen kennis heeft) dan zal een Europees bankbeslag in het geval van meer beslagleggers minder zekerheid op nakoming bieden dan een nationaal Nederlands bankbeslag. Alhoewel de redactie van artikel 33 voorstel Europees bankbeslag zodanig is dat dit bepaalt dat het EAPO de vordering van schuldeiser dezelfde plaats in de rangorde geeft als een maatregel met gelijkwaardige gevolgen op grond van het nationale recht van de lidstaat waar de rekening wordt aangehouden, mag worden aangenomen dat dit uitgangspunt bedoeld is om de positie van de schuldeiser met een grensoverschrijdende vordering bij de uiteindelijke verdeling niet slechter te laten zijn dan die van de nationale schuldeiser(s). Het Nederlandse paritas creditorum beginsel bij verdeling leidt, uitgaande van de juistheid van de hier geschetste benadering, tot collisie met de bepalingen van het voorstel Europees bankbeslag.2