Einde inhoudsopgave
Doorwerking van de beginselen van behoorlijke rechtspleging 2010/II.5.3.1
II.5.3.1 Inleiding
mr. D.W.M. Wenders, datum 27-09-2010
- Datum
27-09-2010
- Auteur
mr. D.W.M. Wenders
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Het verdedigingsbeginsel in communautaire context is aan bod geweest in Deel I, hfst. 5, par. 5.2.1.
Zie bijvoorbeeld: Widdershoven 1989, am. p. 114; De Waard 1987, p. 127.
De Waard 1987, p. 245. Het beginsel hoor en wederhoor en het verdedigingsbeginsel beschouwt hij als onderling uitwisselbare begrippen, alhoewel zijn voorkeur uitgaat naar de term verdedigingsbeginsel, p. 246. Zoals ik heb aangegeven wordt in dit onderzoek als uitgangspunt de term beginsel van hoor en wederhoor gehanteerd, zie ?ar. 4.3.5 van Deel I.
De Waard 1987, p. 127.
De Waard 1987, p. 127.
Dat geschiedt in navolging van De Waard, zie: De Waard 1987, p. 247 en par. 4.3.5 van Deel I.
Op de functies van het beginsel van hoor en wederhoor is nader ingegaan in par. 4.3.5 van Deel I.
Aantekening verdient wel dat in het algemeen wordt aangenomen (in navolging van de wetgever) dat het horen in die fase een andere functie heeft dan het horen van belanghebbenden in de procedure voor de rechter en het horen vooral ten dienste van de zorgvuldige besluitvorming staat, PG Awb I, p. 247; P. van den Brekel, `Horen', in: E.H.J.C. van der Linden & F.A.M. Stroink (red.), JB-select, Den Haag: Sdu 2004, p. 150.
PG Awb I, p. 329.
PG Awb I, p. 329; Van den Brekel 2004, p. 143; J.M.H.F. Teunissen, 'Commentaar art. 7:2 Awb', in: M. Scheltema, A.M. van Male, B.W.N. de Waard, A.T. Marseille, A.J.C. de Moor-van Vugt (red.), Losbladig commentaar Algemene wet bestuursrecht, Amsterdam: Reed Elsvevier (voorheen Den Haag: VUGA), losbladige uitgave, p. E 6.3.7-5.
Vgl.: Stroink 2004a, p. 102.
Het belang dat gehecht wordt aan het horen van belanghebbenden in de bezwaarfase wordt, zoals uit het navolgende zal blijken, nadrukkelijk naar voren gebracht in de toelichting op art. 7:2 Awb, zie PG Awb I, p. 329-331. Van de Peppel en Sanders merken in dat kader ook op dat het belang dat de wetgever hecht aan het horen ook blijkt uit het feit dat in art. 7:3 Awb, waarover hierna meer, limitatief is aangegeven in welke gevallen van het horen kan worden afgezien, A.A. van de Peppel & K.H. Sanders, 'Van 'heel eenzijdig’ tot 'in één woord correct': meningen van burgers over de bezwaarschriftprocedure, in: M. Herweijer, K.F. Schuiling en H.B. Winter (red.), In wederkerigheid (Scheltema-bundel), Deventer: Kluwer 1997, p. 222.
Verschil met de rechterlijke procedure bestaat er hoe dan ook omdat in bezwaar in beginsel het bestuursorgaan de belanghebbende hoort en derhalve in mindere mate sprake is van een contradictoire mondelinge behandeling zoals het geval is bij de bestuursrechter, tenzij ten behoeve van de beslissing op bezwaar een adviescommissie is ingesteld.
Teunissen, p. E 6.3.7-1 e.v.; Notten 1998, p. 176.
AbRvS 12 juli 2006, AB 2008/144 m.nt. A.M.L. Jansen; JB 2006/268 m.nt. D.W.M. Wenders. Zie over het vereiste van equality of arms en de bestuurlijke besluitvormingsprocedures nader par. 5.3.5.
Zie bijv.: CRvB 13 februari 2002, JB 2002/126 m.nt. A. van Eijs; AB 2002/96 m.nt. Pennings. Verder nog: A.M.L. Jansen, `De deskundige en een 'fair trial', M&R 2008, p. 224.
Zie ook: Jansen 2008, p. 224. Opmerking verdient wel dat Nicolaï in zijn dissertatie wijst op verschillende auteurs die het verdedigingsbeginsel onderscheiden als beginsel van behoorlijk bestuur alsmede enkele uitspraken van de bestuursrechter, Nicolaï 1990, p. 111 e.v. In meer recente literatuur en jurisprudentie heeft het beginsel echter geen ingang gevonden als nationaal beginsel van behoorlijk bestuur (op een enkele verwijzing na, zie bijvoorbeeld: Van Wijk/Konijnenbelt & Van Male 2008, p. 283).
Een bekend voorbeeld vormt de hoorplicht, zie hierover par. 5.3.2. Verscheidene auteurs onderscheiden ook een beginsel van zorgvuldige bejegening waaruit vereisten voortvloeien die eenzelfde strekking hebben als het de eisen die uit het beginsel van hoor en wederhoor voortvloeien. Bijvoorbeeld: G.H. Addink, Algemene beginselen van behoorlijk bestuur, Deventer: Kluwer 1999, p. 191 en p. 195; Nicolai 1990, p. 290 e.v. en 327 e.v.
Nationale ombudsman, Burgerschap verzilverd, Jaarverslag 2007, Den Haag: Sdu 2007, p. 152 en 163. Wel heeft het vereiste een beperkte strekking en ziet het op het in de gelegenheid stellen van burgers om gehoord te worden.
Bijvoorbeeld: CBb 11 november 2005, JB 2006/46. Zie uitvoeriger hierover par. 5.3.2.3.
Hoor en wederhoor vormt in het kader van een rechterlijke procedure een belangrijke in acht te nemen norm. Het belang van dit beginsel vloeit, zoals uiteen is gezet in paragraaf 4.3.5 in Deel I, mede voort uit artikel 6, eerste lid van het EVRM en de jurisprudentie van het EHRM in het kader van die bepaling. Ook het Hof van Justitie heeft de laatste jaren in zijn jurisprudentie steeds meer nadruk gelegd op inachtneming van dit beginsel als algemeen rechtsbeginsel van Unierecht, zelfs in bestuurlijke besluitvormingsprocedures.1Het beginsel van hoor en wederhoor, ook wel genoemd het verdedigingsbeginsel, is voorts als (ongeschreven) nationaal beginsel van behoorlijke rechtspleging algemeen aanvaard en onomstreden.2 De Waard beschouwt dit beginsel als de kern van de normen die gelden voor een behoorlijke procedure.3 Ter herinnering geef ik nogmaals zijn omschrijving van het beginsel weer:
”het recht om stellingen en eventuele bewijsmiddelen naar voren te brengen en voldoende in de gelegenheid gesteld te worden op door de wederpartij aangedragen stellingen en bewijsmiddelen te reageren: partijen dienen in de gelegenheid gesteld te worden in beginsel alle stukken waarop de geschilbeslechtende instantie haar oordeel zal baseren in te zien. Met andere woorden, het beginsel verbiedt dat recht wordt gedaan op onbekende stukken, en dat een partij met relevante informatie 'overvallen' wordt op een moment dat een adequate reactie in redelijkheid niet meer verlangd kan worden."4
Belangrijke elementen van het beginsel van hoor en wederhoor zijn ook `equality of arms' of gelijkheid der wapenen en `quality en quantity of arms'. Dat betekent dat er voor partijen niet alleen een evenwicht in kansen moet zijn om hun standpunt te verdedigen, maar bovendien dat deze kansen goed en voldoende dienen te zijn.5 In dit onderzoek worden, in navolging van De Waard, vier deeleisen van het beginsel van hoor en wederhoor gehanteerd: het recht om informatie te ontvangen, het recht om informatie te verschaffen, voldoende gelegenheid voor de voorbereiding van het eigen standpunt en gelijke processuele mogelijkheden voor partijen.6 De functie van het beginsel van hoor en wederhoor en de vier deelaspecten is primair de bescherming van de processuele belangen van de deelnemers aan de procedure bij de rechter. Daaruit volgt dat aan het beginsel van hoor en wederhoor vooral interne werking toekomt.7
Hoor en wederhoor in de bestuursrechtelijke procedures
Het beginsel van hoor en wederhoor heeft in hoofdstuk 8 van de Awb in verschillende bepalingen zijn uitwerking gekregen voor de procedure bij de bestuursrechter. De mondelinge behandeling van het beroep neemt bijvoorbeeld een belangrijke plaats in de procedure in getuige artikel 8:56 e.v. van de Awb. In hoofdstuk 8 van de Awb, waarin de processuele voorschriften zijn neergelegd voor de rechterlijke procedure, zijn naast de mondelinge behandeling van het beroep echter ook nog diverse andere uitwerkingen van het beginsel van hoor en wederhoor (die daar overigens wel mee samenhangen) terug te vinden. Te denken valt dan aan artikel 8:58 waarin het recht is neergelegd voor partijen om nadere stukken in te dienen. Een ander voorbeeld van een uitwerking van het beginsel van hoor en wederhoor voor de procedure bij de bestuursrechter is het recht van partijen om deskundigen of getuigen mee te brengen of op te roepen als geregeld in artikel 8:63 tweede lid van de Awb. In paragraaf 4.3.5 van Deel I zijn deze inrichtingseisen reeds aangestipt.
De procedure bij de bestuursrechter is echter niet het eerste moment in het gehele proces met betrekking tot een bepaald besluit waarop hoor en wederhoor een rol kan spelen. In eerdere fases, zelfs non-contentieuze bestuurlijke fases, kan bijvoorbeeld het mondeling horen van belanghebbende(n) een belangrijke plaats innemen. Zo bestaat er immers een gelegenheid tot het geven van een zienswijze (schriftelijk al dan niet mondeling) in de primaire besluitvormingsfase voor beschikkingen op grond van artikel 4:7 en 4:8 Awb.8 De mogelijkheden tot hoor en wederhoor worden in de fase die daarop kan volgen, bezwaar of administratief beroep, van nog meer gewicht geacht. De wetgever merkt de hoorplicht in bezwaar op grond van artikel 7:2 Awb zelfs aan als essentieel element in die procedure.9 Voor de bezwaarfase bevat de Awb in hoofdstuk 7, artikel 7:2 tot en met 7:9, een regeling inzake het horen van belanghebbenden door het bestuursorgaan. De regeling inzake het administratief beroep in artikel 7:16 e.v. van de Awb bevat grotendeels dezelfde bepalingen. Deze bepalingen in de Awb bevatten slechts de minimumeisen waaraan de procedure dient te voldoen.10 Vrijwel alle in afdeling 7.2 en 7.3 van de Awb neergelegde voorschriften voor de inrichting van de bestuurlijke voorprocedures hebben betrekking op of hangen samen met het horen in het kader van die procedure.11 Dat onderstreept, zoals uiteraard het vastleggen van een verplichting daartoe ook doet, het belang dat de wetgever gehecht heeft aan het horen in het kader van de bezwaarschriftprocedure (en het administratief beroep).12
Hoewel het horen in de voorfase niet geheel gelijk kan worden gesteld met de mondelinge behandeling bij de bestuursrechter, neemt de mondelinge behandeling in beide fasen van de procedure een belangrijke plaats in.13 Ook is de achtergrond van de mondelinge behandeling (en de daarmee samenhangende bepalingen) in beide procedures deels hetzelfde: de belanghebbende(n) moet de mogelijkheid krijgen om zijn standpunt en zijn belangen toe te lichten en te verdedigen. Van de vier aspecten die De Waard onderscheidt in het kader van hoor en wederhoor zijn dan ook duidelijk sporen terug te vinden in de regeling van de bezwaarschriftprocedure en het administratief beroep in de Awb. Enkele bepalingen worden (zoals hierna zal blijken) ook beschouwd als een expliciete uitwerking van het beginsel van hoor en wederhoor in de bezwaarfase.14
Van een toepassing die geheel overeenstemt met die voor de rechterlijke procedure of expliciete erkenning van de geldingskracht van alle deeleisen van het beginsel van hoor en wederhoor voor de bestuurlijke voorprocedures is echter geen sprake. Dat is in elk geval niet de benadering van de bestuursrechter. Zo heeft onder meer de Afdeling het beginsel van equality of arms expliciet niet van toepassing geacht op de bezwaarschriftprocedure.15 Het beginsel van hoor en wederhoor wordt door de bestuursrechter, als ongeschreven beginsel van behoorlijke rechtspraak of vereiste op grond van artikel 6 EVRM, veelal niet expliciet van toepassing geacht op de voorprocedures, aangezien die procedures niet worden gezien als rechtspraak (in formele zin).16 Daarnaast wordt het beginsel van hoor en wederhoor ook in het algemeen niet erkend als afzonderlijk beginsel van behoorlijk bestuur17 en worden eisen van die strekking (ook voor de bestuurlijke voorprocedures) — hierop wordt nog nader ingegaan in de verschillende paragrafen hieronder — vaak onder het zorgvuldigheidsbeginsel gebracht.18 Opvallend is in dat verband dat de Nationale ombudsman het vereiste van hoor en wederhoor wel expliciet onderscheidt als norm voor behoorlijk bestuur en van toepassing acht op zowel de primaire als secundaire besluitvonningsprocedures.19
Van verschillende onderdelen van het beginsel van hoor en wederhoor, zoals equality of arms, lijkt de betekenis voor de bestuurlijke voorprocedures derhalve bij eerste beschouwing gering te zijn of te worden ontkend. Daar staat tegenover dat andere bepalingen in afdeling 7.2 expliciet in verband worden gebracht met het beginsel van hoor en wederhoor, te denken valt dan aan artikel 7:9 waaruit de plicht tot opnieuw horen volgt bij na de hoorzitting bekend geworden feiten of omstandigheden van aanmerkelijk belang. Dat artikel 7:9 Awb het beginsel van hoor en wederhoor tot uitdrukking brengt is zelfs regelmatig bevestigd in jurisprudentie.20 Ook is er een aantal auteurs dat sommige (andere) bepalingen in afdeling 7.2 van de Awb expliciet herleidt tot het beginsel van hoor en wederhoor (als beginsel van behoorlijke rechtspraak).21 Toch lijkt die (expliciete) erkenning van de betekenis van het beginsel van hoor en wederhoor in de bezwaar-schriftprocedure (en het administratief beroep) een incidenteel karakter te hebben en blijft deze vooral beperkt tot enkele specifieke voorschriften voor de inrichting van de bezwaarschriftprocedure. Een algemene visie op de toepasselijkheid of het bestaan van een beginsel van hoor en wederhoor en de daartoe behorende deeleisen op de inrichting van de bezwaarschriftprocedure en het administratief beroep ontbreekt vooralsnog. Gelet op het contentieuze karakter van de bezwaarschriftprocedure, de opzet van de regeling van die procedure in de Awb en de interne werking van het beginsel, ligt het echter in de rede dat het beginsel van hoor en wederhoor van betekenis kan zijn of is voor de inrichting van die procedure. In deze paragraaf wordt onderzocht in hoeverre de bepalingen in de Awb die betrekking hebben op het horen of daarmee samenhangen een uitwerking vormen van het beginsel van hoor en wederhoor. Daartoe wordt het onderzoek opgedeeld aan de hand van de hiervoor aangegeven vier deeleisen van het beginsel van hoor en wederhoor. Aan het deelaspect 'voldoende tijd voor de voorbereiding van het eigen standpunt' wordt echter geen afzonderlijke paragraaf besteed. Dit aspect komt in de paragrafen die betrekking hebben op de overige drie deelaspecten van het beginsel van hoor en wederhoor, indien van belang, aan de orde. Bezien wordt ook in hoeverre de schending van de desbetreffende eisen rechtens gevolgen heeft.
Plan van aanpak
De volgorde van behandeling is als volgt. In paragraaf 5.3.2 wordt het recht om mondeling informatie te verschaffen in de voorprocedures onder de loep genomen. Vervolgens gaat in pararaaf 5.3.3 de aandacht uit naar het recht om schriftelijk informatie te verschaffen. Paragraaf 5.3.4 is gewijd aan het recht om informatie te ontvangen, waaronder het imagerecht, en paragraaf 5.3.5 staat in het teken van het vereiste van equality of arms en de betekenis daarvan voor de bestuurlijke voorprocedures. De volgende paragraaf 5.3.6 heeft betrekking op de vraag of hoor en wederhoor als beginsel voor het bestuur kan worden erkend en de conclusies inzake de doorwerking van het beginsel van hoor en wederhoor in de bestuurlijke voorprocedures.