Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/1.3.1
1.3.1 Het csqn-verband en het toerekeningsverband
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655712:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Sieburgh 2021 (6-II), nr. 50; Klaassen 2017 (Mon. BW B35), nr. 18.
Idem.
Asser/Sieburgh 2021 (6-II), nr. 50. Vgl. Klaassen 2017 (Mon. BW B35), nr. 18; Boonekamp, Stelplicht en Bewijslast, commentaar op art. 6:98 BW.
Asser/Sieburgh 2021 (6-II), nr. 83; Klaassen 2017 (Mon. BW B35), nr. 22.
Zie over deze uitzonderingen Asser/Sieburgh 2021 (6-II), nr. 79-81d en nr. 86-97; Klaassen 2017 (Mon. BW B35), nr. 22-30.
Asser/Sieburgh 2021 (6-II), nr. 76; Klaassen 2017 (Mon. BW B35), nr. 46; Asser 2004, nr. 182.
Zie HR 2 oktober 1998, NJ 1998/831 (Nacap/Shellfish), r.o. 3.10. Zie ook punt 3.30-3.36 van de conclusie van A-G J. Spier bij dit arrest. Zie verder HR 29 april 2011, NJ 2011/191 (Bouwcombinatie/Liander), waar de Hoge Raad in r.o. 3.2.3 de desbetreffende overweging van het hof weergeeft (Hof Arnhem 16 maart 2010, JA 2010/68, r.o. 4.16). Zie voorts punt 4.8 van de conclusie van A-G J. Spier, ECLI:NL:PHR:2012:BU5737, bij het 81 RO-arrest HR 10 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU5737 (X/Y en Z). Anders Boonekamp, Stelplicht en Bewijslast, commentaar op art. 6:98 BW. A-G F.F. Langemeijer lijkt Boonekamp op dit punt te volgen in punt 2.22-2.23 van zijn conclusie, ECLI:NL:PHR:2019:61, bij het 81 RO-arrest HR 8 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:326 (ABN AMRO Bank N.V./X).
Hartkamp en Sieburgh spreken in dit verband van een ‘argumenteerlast’ (curs. ACWP) van de aansprakelijk gestelde partij. Zie Asser/Hartkamp & Sieburgh 2019 (6-IV), nr. 144 en Asser/Sieburgh 2021 (6-II), nr. 82.
Asser/Sieburgh 2021 (6-II), nr. 76 en nr. 83; Klaassen 2017 (Mon. BW B35), nr. 45.
Asser/Sieburgh 2021 (6-II), nr. 83.
Zie hierover ook Klaassen 2017 (Mon. BW B35), nr. 19 en Akkermans 2002, p. 30-32.
In de heersende doctrine worden voor het juridisch causaal verband achtereenvolgens twee stappen onderscheiden: eerst condicio sine qua non (hierna: ‘csqn’) en daarna toerekening.1 Het csqn-vereiste houdt in dat voor het aannemen van het causaal verband ten minste is vereist dat er een csqn-verband bestaat tussen enerzijds de beweerdelijk geleden schade en anderzijds de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid wordt gebaseerd: zonder de litigieuze gebeurtenis zou de geleden schade niet zijn ingetreden. Is voor een bepaalde schadeveroorzakende gebeurtenis en/of een bepaalde schadepost aan het csqn-verband voldaan, dan vindt vervolgens een normatieve, op het recht toegesneden toetsing plaats op grond van art. 6:98 BW.2 Deze toets houdt in dat voor vergoeding slechts in aanmerking komt schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend.
De genoemde stappen csqn en toerekening verhouden zich aldus tot elkaar, dat wanneer eenmaal is vastgesteld dat de beweerdelijk geleden schade in csqn-verband staat met een bepaalde normschending, het toerekeningscriterium van art. 6:98 BW in beginsel fungeert als een aansprakelijkheidsbeperkende voorwaarde.3 Er zijn namelijk vele schadelijke gevolgen denkbaar die in csqn-verband staan met de begane normschending, maar er dient alleen aansprakelijkheid te bestaan voor die gevolgen die naar de maatstaven van art. 6:98 BW aan de aansprakelijke persoon of rechtspersoon kunnen worden toegerekend. Het uitgangspunt dat het toerekeningsverband een beperking van de (omvang van de) aansprakelijkheid inhoudt, geldt echter niet onverkort. In de doctrine worden ook (categorieën van) gevallen onderscheiden waarvoor geldt dat het criterium van redelijke toerekening een zelfstandige grondslag vormt voor het aannemen van het rechtens vereiste causaal verband, omdat het csqn-vereiste in deze gevallen als knellend wordt ervaren (althans, wanneer dit vereiste strikt wordt ingevuld).4 Voor deze uitzondering(en) op (een strikte toepassing van) het csqn-criterium kan onder meer worden gedacht aan de gevallen die (in de literatuur plegen te) worden geschaard onder de noemer van de zogenoemde ‘meervoudige causaliteit’, aan het leerstuk van de zogenoemde ‘proportionele aansprakelijkheid’ en aan de aansprakelijkheid voor kosten ter voorkoming van schade als bedoeld in art. 6:96 lid 2 onder a BW.5
Afgezien van het materieelrechtelijke onderscheid tussen de fases csqn en toerekening, bestaat er ook een onderscheid vanuit procesrechtelijk oogpunt. Dit onderscheid betreft de bewijslastverdeling. Voor het csqn- verband rust volgens de hoofdregel van art. 150 Rv de bewijslast op de benadeelde.6 Het is dus aan de benadeelde om te stellen en – bij betwisting – te bewijzen dat er een csqn-verband bestaat tussen de beweerdelijk geleden schade en de aansprakelijkheidvestigende gebeurtenis (op deze regel bestaan vanzelfsprekend uitzonderingen, waarover ik in het vervolg van dit hoofdstuk nog kom te spreken). Bij het toerekeningsverband is daarentegen de aansprakelijke persoon of rechtspersoon als eerste aan zet om te beargumenteren dat de schade in een zodanig ver verwijderd verband staat tot de aansprakelijkheidvestigende gebeurtenis, dat zijn aansprakelijkheid op de voet van art. 6:98 BW moet worden beperkt.7 Bewust spreek ik hier van ‘beargumenteren’ in plaats van ‘bewijzen’,8 aangezien de vraag of de schade aan de aansprakelijk gestelde partij kan worden toegerekend in beginsel een rechtsvraag betreft.9 Dit betekent dat het toerekeningsoordeel primair aan de hand van juridische maatstaven tot stand komt, zodat bewijslevering in beginsel niet aan de orde is. Dit laat echter onverlet dat op de aansprakelijk gestelde partij wel de bewijslast kan rusten om de bij wijze van argumentatie aangevoerde feiten aan te tonen.10 Dat de vraag of aan het toerekeningsverband van art. 6:98 BW is voldaan een rechtsvraag betreft, heeft overigens als consequentie dat (het oordeel over) het toerekeningsverband in cassatie op juistheid en begrijpelijkheid kan worden getoetst.11 Welke schadesoorten in welke mate voor vergoeding in aanmerking komen, is daarmee aan volledige toetsing van de hoogste rechter onderworpen.
Verder wijs ik er nog op dat bij het beantwoorden van de aansprakelijkheidsvraag van belang is dat de te onderscheiden stappen csqn en toerekening per schadepost worden doorlopen.12 Dit betekent dat in beginsel voor iedere schadepost afzonderlijk – en voor zover deze schadepost is terug te voeren op een aparte schakel in de causale keten van gebeurtenissen: voor iedere causale schakel afzonderlijk – dient te worden getoetst of deze schadepost (of deze schakel) in csqn-verband staat met de aansprakelijkheidvestigende gebeurtenis en of deze in redelijkheid aan de aansprakelijk gestelde partij kan worden toegerekend.