Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van toetsing van wetgeving (SteR nr. 1) 2010/II.4.2.1.2
II.4.2.1.2 Class actions
Joost Sillen, datum 01-07-2010
- Datum
01-07-2010
- Auteur
Joost Sillen
- JCDI
JCDI:ADS583694:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Miller 1979, p. 670-671. Monaghan 1973, p. 1382 spreekt over een ‘explosion of class actions in constitutional cases’.
Rule 23(c)(2) en (c)(3) Rules of Civil Procedure.
Slechts voor een Rule 23(b)(3)-class action ligt dan anders. Vgl. Rule 23(c)(3)(B) Rules of Civil Procedure.
U.S. Supreme Court 12 november 1940, 311 U.S. 32 (Hansberry v. Lee), 42.
Rule 23(b)(2) van de Rules of Civil Procedure regelt dit type class action.
U.S. Supreme Court 1 juni 1976, 426 U.S. 26 (Simon v. Eastern Kentucky Welfare Rights Org.), 40 en nt. 20.
U.S. Supreme Court 12 juni 1992, 504 U.S. 555 (Lujan v. Defenders of Wildlife), 576. Het arrest is besproken in paragraaf 3.2.5.5.
U.S. Supreme Court 15 januari 1974, 414 U.S. 488 (O’Shea v. Littleton), 494.
Rule 23(c)(1) Rules of Civil Procedure.
Rule 23(c)(2)(A) Rules of Civil Procedure.
Tribe 2000, p. 313.
U.S. Supreme Court 1 juni 1976, 426 U.S. 26 (Simon v. Eastern Kentucky Welfare Rights Org.), 40 en nt. 20.
U.S. Supreme Court 19 maart 1980, 445 U.S. 388 (U.S. Parole Comm’n v. Geraghty), 397. Het Hof citeert daarbij Monaghan 1973, p. 1382.
U.S. Supreme Court 14 december 1971, 404 U.S. 244 (North Carolina v. Rice), 246. Vroeger meende het Hof wel, dat mootness geen juridische norm was, maar louter een zaak van pragmatische overwegingen. In de afgelopen decennia heeft het die opvatting niet meer gehuldigd (Tribe 2000, p. 345).
U.S. Supreme Court 19 maart 1980, 445 U.S. 388 (U.S. Parole Comm’n v. Geraghty), 393.
Zie nt. 403.
U.S. Supreme Court 19 maart 1980, 445 U.S. 388 (U.S. Parole Comm’n v. Geraghty), 402.
Idem, p. 397.
Idem, p. 403.
Idem, p. 404.
U.S. Supreme Court 14 januari 1975, 419 U.S. 393 (Sosna v. Iowa), 418 (White, J, dissenting). Vgl. U.S. Supreme Court 19 maart 1980, 445 U.S. 388 (U.S. Parole Comm’n v. Geraghty), 409 e.v. (Powell, J., dissenting).
U.S. Supreme Court 23 januari 1911, 219 U.S. 346 (Muskrat v. United States), 356.
Zie de tekst bij nt. 396 e.v..
Monaghan 1973, p. 1383. De auteur wijst ook op de (vermeende) bevoegdheid van de rechter om de terugwerkende kracht van toetsingsuitspraken te beperken. Zie daarover deel IV.
Idem, p. 1382. Vgl. Chayes 1976, p. 1281-1316.
Cappelletti 1971, p. 88.
Veel vaker dan in twee-partijengeschillen betwisten burgers de rechtmatigheid van wettelijke voorschriften in class actions. Vooral sinds de jaren zestig van de vorige eeuw heeft het op die wijze procederen ‘tegen’ wetgeving een hoge vlucht genomen.1 Met een class action procedeert eiser niet alleen voor zichzelf, maar ook voor ieder ander die in vergelijkbare omstandigheden verkeert als hij – de class. De uitspraak in zo’n class actions bindt niet alleen eiser, maar ook alle leden van de class.2 Zij kunnen zich aan het gezag van gewijsde van die uitspraak niet ontrekken,3 tenzij bij het proces regels van een behoorlijke rechtspleging zijn geschonden.4
Vaak vordert eiser met zo’n class action een verbod aan het adres van de overheid om een wettelijk voorschrift nog langer toe te passen, omdat het voorschrift of zijn toepassing onrechtmatig is.5 Zo’n vordering is ontvankelijk als eiser aan twee voorwaarden voldoet:
Ten eerste moet er – zo bepaalt artikel III Constitutie – sprake zijn van een concreet geschil; er moet een ‘case’ of ‘controversy’ zijn. Eiser moet daartoe onder meer aantonen, net als in een twee-partijengeschil, dat hij door de toepassing van het onrechtmatige voorschrift persoonlijk wordt geschaad.6 Het louter behartigen van het algemeen belang is voor het aannemen van ontvankelijkheid onvoldoende.7 Evenmin is voldoende, dat eiser niet, maar derden – voor wie eiser opkomt – wel door de toepassing van het voorschrift worden geraakt.8
Ten tweede moet eiser voldoen aan de voorwaarden die Rule 23(a) van de Federal Rules of Civil Procedure stelt: (1) de class moet zó groot zijn, dat het niet bundelen van alle afzonderlijke vorderingen onpraktisch is; (2) de rechtmatigheid van de toepassing van het voorschrift jegens elk van de leden van de class moet op dezelfde wijze kunnen worden beantwoord en (3) eiser moet op ‘eerlijke en adequate wijze’ de belangen van de class behartigen. Voldoet hij aan die voorwaarden, dan ‘certificeert’9 de rechter de class action – een soort goedkeuring tot het instellen van zo’n vordering – en brengt hij de leden van de class op ‘een geschikte wijze’ op de hoogte van het mede namens hen gevorderde toepassingsverbod.10
De praktische voordelen van class actions zijn groot: zij maken het mogelijk om op efficiënte wijze een antwoord te verkrijgen op een rechtsvraag die voor veel mensen van belang is. Dogmatisch echter kleven aan deze wijze van procederen bezwaren. Ten eerste past het Hof in class actions andere ontvankelijkheidsregels toe dan het doet in twee-partijengeschillen (i). Ten tweede is de taak die de rechter uitoefent in class actions volgens sommigen een andere dan hij van oudsher uitoefent: hij beslecht geen geschillen tussen individuele justitiabelen, maar behartigt materieel steeds vaker het algemeen belang (ii). Op beide kenmerken van class actions zijn bezwaren geuit die verband houden met de trias.
i. Ontvankelijkheid
Het Hof beoordeelt de ontvankelijkheid van eiser in zowel twee-partijengeschillen als in class actions aan de hand van drie criteria: standing, mootness en ripeness.11 In beide type geschillen past het Hof echter twee van de drie criteria, namelijk standing en mootness verschillend toe.
Volgens het Hof is eiser in een class action – net als een twee-partijengeschil – pas ontvankelijk als hij standing heeft, dat wil zeggen: als hij zelf rechtstreeks in zijn belangen wordt geraakt door de onrechtmatige gedraging.12 Heeft eiser geen belang bij zijn vordering, maar de class wel, dan verandert dat niets aan de nietontvankelijkheid van eiser. Die toepassing van de doctrine van standing geeft uitdrukking aan een formele benadering van class actions: een class action is in essentie een gewoon twee-partijengeschil, zij het dat de rechterlijke beslissing in zo’n geschil ook bindend is voor de leden van de class. Door zó te redeneren tracht het Hof class actions te verenigen met de traditionele opvatting van de rechterlijke functie, namelijk het beslechten van concrete geschillen tussen partijen.
Voor ontvankelijkheid moet eiser echter niet alleen standing hebben; zijn vordering mag ook niet moot zijn. Een vordering is moot als het belang dat eiser had bij toewijzing van hetgeen hij had gevorderd, is verdwenen. Volgens het Hof zet de doctrine van mootness
‘the doctrine of standing [...] in a time frame: The requisite personal interest that must exist at the commencement of the litigation (standing) must continue throughout its existence (mootness).’13
Eiser moet, anders gezegd, niet alleen belang hebben bij het gevorderde bij aanvang van het geschil; hij moet dat belang ook behouden gedurende het geschil.
Net als de doctrine van standing leidt het Hof de doctrine van mootness af uit de trias, zoals die tot uitdrukking komt in artikel III Constitutie:
‘our impotence ‚"to review moot cases derives from the requirement of Article III of the Constitution under which the exercise of judicial power depends upon the existence of a case or controversy".’14
Anders dan de doctrine van standing past het Hof de doctrine van mootness niet onverkort toe bij class actions.
In United States Parole Comm’n v. Geraghty vordert eiser in een class action een toepassingsverbod van de – volgens hem ongrondwettige – Parole Release Guidelines voor hem en ‘alle (andere) federale gevangenen die voor voorwaardelijke vrijlating in aanmerking komen of zullen komen’.15 Nadat Geraghty zijn vordering heeft ingediend, wordt hij vrijgelaten. Hij heeft zijn gevangenisstraf uitgezeten. De rechter weigert daarop de class te certificeren,16 omdat de vordering ten aanzien van Geraghty moot is: hij heeft geen belang meer bij een toepassingsverbod.
Het Hof echter oordeelt, dat artikel III Constitutie ‘with respect to nontraditional forms of litigation, such as class actions’ teleologisch moet worden uitgelegd.17 De doctrine van mootness – die het Hof uit artikel III Constitutie afleidt – vereist, dat de rechter alleen die geschillen beslecht waarvoor zijn beslissing een oplossing kan bieden.18 Een beslissing in de aanhangige class action kan die functie vervullen, zo meent het Hof: hoewel Geraghty geen belang meer heeft bij de uitspraak, heeft de class dat wel. Het primaire doel van een class action is niet het beslechten van een geschil tussen eiser en gedaagde; het oplossen van dat geschil noemt het Hof slechts ‘by-products of the class-action device.’19 Het werkelijke doel is het beslechten van een geschil tussen de class en gedaagde. Omdat het geschil tussen hen niet moot is – het kan ook niet moot worden, tenzij de gewraakte regeling wordt ingetrokken – had de rechter om die reden het certificeren van de class niet mogen weigeren, zo concludeert het Hof.20
Het verschil in de wijze waarop het Hof class action typeert in zijn jurisprudentie over standing en in zijn jurisprudentie over mootness, is opmerkelijk. Het eist, dat eiser persoonlijk is geraakt door de toepassing van een onrechtmatig voorschrift, omdat een class action formeel een geschil is tussen eiser en gedaagde. Als het echter beoordeelt, of de vordering moot is, benadrukt het Hof wat een class action materieel is, namelijk een geschil tussen gedaagde en de class.
Deze inconsistente werkwijze van het Hof heeft tot kritiek geleid. Volgens enkele leden van het Hof is zij niet te verenigen met de trias, zoals die tot uitdrukking komt in artikel III Constitutie. Zij verwijten het Hof opportunisme. Zo schrijft Justice White:
‘Article III is not a rule always consistent with judicial economy. Its overriding purpose is to define the boundaries separating the branches and to keep this Court from assuming a legislative perspective and function. [...] The ultimate basis of the Court’s decision [to depart from its precedents on mootness, JS] must be a conclusion that the issue presented is an important and recurring one which should be finally resolved here. But this notion cannot override constitutional limitations’.21
ii. De rechter als behartiger van het algemeen belang
Van oudsher beslecht de Amerikaanse federale rechter slechts geschillen tussen individuele justitiabelen. Uit Muskrat v. United States blijkt dat het Hof die wijze van geschillenbeslechting ziet als een belangrijk kenmerk van de rechterlijke functie. Het overwoog:
‘Judicial power [...] is the power of a court to decide and pronounce a judgment and carry it into effect between persons and parties who bring a case before it for decision.’22
Beslissingen in class actions echter zijn echter bindend voor alle leden van de class, hoewel zij in die procedure die tot de uitspraak heeft geleid formeel niet partij zijn.23
Diverse auteurs menen, dat wat de rechter bij het beslechten van class actions doet, niet te verenigen is met de trias. Met name in de jaren zeventig van de vorige eeuw was die kritiek te horen. Uitspraak doen over wat rechtens is in een groot aantal vergelijkbare zaken (zoals in class actions) is – in tegenstelling tot het beslechten van een geschil tussen twee partijen – een taak die thuishoort bij de politieke ambten: de wetgever en het bestuur, zo vindt bijvoorbeeld Monaghan.24 Hij verduidelijkt zijn standpunt als volgt:
‘Given the breadth of the relief given in these cases, they in fact serve as ‘public’ actions vindicating broad public interests not protected under the traditional private rights model [of judicial power, JS].’25
Cappelletti beschrijft, hoe het beslechten van class actions leidt tot een andere invulling van de rechterlijke functie:
‘By its nature the class action asks for more than inter partes relief; it takes away the cushioning effects provided by the fact that the significance of traditional constitutional cases was felt only gradually as successive individual litigants sought to vindicate their newly defined rights.’26
Na de jaren zeventig van de vorige eeuw verstomde deze kritiek op class action echter. De efficiency-voordelen die deze wijze van procederen biedt, wonnen het kennelijk van dogmatische bezwaren.