Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/7.7
7.7 Het Stabiliteits- en Groeipact in de praktijk
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS450507:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een overzicht van de buitensporigtekortprocedures per land: https://ec.europa.eu/info/business-economy-euro/economic-and-fiscal-policy-coordination/eu-econo-mic-governance-monitoring-prevention-correction/stability-and-growth-pact/corrective-arm-excessive-deficit-procedure/excessive-deficit-procedures-overview_en. Zie ook: Burkens e.a. 2017, p. 396.
Zie hierover: Smits 2004a, p. 53-55. Dit waren echter niet de eerste landen die te maken kregen met de buitensporigtekortprocedure, die discutabele eer komt Ierland en Portugal toe. Inmiddels zijn echter vrijwel alle landen op enig moment met deze procedure geconfronteerd. Alleen voor Estland en Zweden gaat dit niet op. Estland trad in 2004 toe tot de EU en behoort sinds 1 januari 2011 tot de eurozone, waardoor sinds 2011 sancties in het kader van de buitensporigtekortprocedure kunnen worden opgelegd. Zweden trad in 1995 tot de EU, maar weigert vooralsnog om toe te treden tot de eurozone.
Deze uitspraak deed Prodi in een interview met het Franse dagblad Le Monde, gepubliceerd op 17 oktober 2002.
Conclusies van de Raad van 25 november 2003, p. 15-22.
HvJ EG 13 juli 2004, C-27/04 (Commissie/Raad), Jur. 2004, p. I-06649. Zie hierover: Barents & Noort 2005; Smits 2004b. Op grond van artikel 104, tiende lid, EG-verdrag is de rechtsgang bij het Hof van Justitie krachtens de artikelen 226 en 227 EG-verdrag vanwege de niet naleving van verplichtingen die op een lidstaat rusten bij buitensporige tekorten niet mogelijk, zie par. 6.8.2.3. De Europese Commissie en de lidstaten kunnen dus geen zaak tegen een (andere) lidstaat aanspannen bij het Hof van Justitie in het kader van een buitensporigtekortprocedure. Zie ook: HvJ EG 13 juli 2004, C-27/04, (Commissie/Raad), r.o. 75. Dit gebeurde hier ook niet. In dit geval spande de Commissie een zaak aan bij het Hof van Justitie tegen de Raad.
HvJ EG 13 juli 2004, C-27/04, (Commissie/Raad), r.o. 34 en 36. De Europese Commissie kan dus op deze manier niet bij het Hof van Justitie opkomen tegen het uitblijven van door de Commissie aanbevolen besluiten van de Raad in het kader van de buitensporigtekortprocedure. Wel wees het Hof van Justitie in r.o. 35 op de mogelijkheid voor de Commissie om op grond van artikel 232 EG-verdrag beroep in te stellen wegens het nalaten om een besluit te nemen door de Raad. Een dergelijk beroep zal echter, gelet op de beoordelingsruimte van de Raad bij de buitensporigtekortprocedure, weinig kans van slagen hebben.
HvJ EG 13 juli 2004, C-27/04, (Commissie/Raad), r.o. 88 en 89.
HvJ EG 13 juli 2004, C-27/04, (Commissie/Raad), r.o. 96.
Artikel 104, dertiende lid, EG-verdrag.
HvJ EG 13 juli 2004, C-27/04, (Commissie/Raad), r.o. 92.
Featherstone 2008, p. 167. Ook andere landen dan Griekenland bleken in meer of mindere mate via creatief boekhouden aan de begrotingsregels te voldoen, zie bijvoorbeeld: Von Hagen & Wolff 2004.
Featherstone 2008, p. 167.
Persmededeling van de Raad, 2 juni 2004, 9779/04 – Presse 172, p. 11.
Persmededeling van de Raad, 21 oktober 2004, 13017/04 – Presse 284, p. 8.
Op deze plaats is het goed om kort stil te staan bij de werking van het Stabiliteits- en Groeipact in de praktijk. Hoewel, zoals hierboven beschreven, de begrotingsafspraken uit dit pact op papier vrij strikt leken, bleek dit in de praktijk tegen te vallen. De buitensporigtekortprocedure van het Stabiliteits- en Groeipact is inmiddels menigmaal toegepast.1 De zaken die de meeste aandacht hebben gekregen, zijn die tegen Duitsland en Frankrijk, vrij kort na de start van de derde fase van de EMU.2 Beide landen kampten toentertijd met oplopende tekorten, die in 2002 de drieprocentsgrens overschreden. De geloofwaardigheid van het Stabiliteits- en Groeipact nam hierdoor af, zeker nu zelfs pleitbezorger Duitsland zich niet meer aan de regels hield. De uitspraak van de toenmalige voorzitter van de Europese Commissie Prodi in 2002 dat het pact ‘stom’ is, hielp daar ook niet bij.3
Na een verslag en een aanbeveling van de Europese Commissie, besloot de Raad in 2003 dat zowel Duitsland als Frankrijk een buitensporig tekort had. Doordat zij de daaropvolgende aanbevelingen van de Raad onvoldoende opvolgden, stelde de Commissie aan de Raad voor de lidstaten aan te manen, een laatste stap voordat sancties kunnen worden opgelegd. Een intensieve lobby vanuit beide landen zorgde er echter voor dat hiervoor niet de vereiste tweederdemeerderheid binnen de Raad werd gehaald. In plaats daarvan schortte de Raad in zijn conclusies van november 2003 de buitensporigtekortprocedure op en wijzigde hij de eerder gegeven aanbevelingen aan Duitsland en Frankrijk over hun begrotingsbeleid.4 De Commissie spande hierop een zaak aan tegen de Raad bij het Hof van Justitie.5
De Europese Commissie verzocht het Hof van Justitie ten eerste om de besluiten van de Raad om niet tegen de lidstaten op te treden nietig te verklaren. Het Hof verklaarde op 13 juli 2004 het beroep voor zover niet-ontvankelijk, omdat de niet-vaststelling van de door de Commissie voorgelegde besluiten geen handeling is die vatbaar is voor beroep.6 Ten tweede vroeg de Commissie het Hof om de conclusies van de Raad nietig te verklaren voor zover het gaat om het opschorten van de buitensporigtekortprocedure en het wijzigen van de aanbevelingen aan Duitsland en Frankrijk. Het Hof van Justitie overwoog dat de verordening over de buitensporigtekortprocedure uitputtend regelt wanneer opschorting mogelijk is, namelijk indien de betrokken lidstaat gevolg heeft gegeven aan de aanbevelingen of aanmaningen van de Raad.7 Hiervan was duidelijk geen sprake. Door de buitensporigtekortprocedure desalniettemin op te schorten, hield de Raad zich niet aan deze verordening. Het Hof van Justitie achtte de formele opschorting door de Raad dan ook onrechtmatig, hoewel erkend werd dat de buitensporigtekortprocedure feitelijk al was uitgesteld door de weigering van de Raad om de aanbevelingen van de Commissie over te nemen.8 Het wijzigen van de aanbevelingen werd om vergelijkbare redenen nietig verklaard.9 De Raad kan immers alleen aanbevelingen doen op voorstel van de Commissie.10 Door eerdere aanbevelingen van de Raad te wijzigen, werd het initiatiefrecht van de Commissie in het kader van de buitensporigtekortprocedure ten onrechte genegeerd.11
Het Hof zette dus een streep door de acties van de Raad. Dit gebeurde echter op formele gronden. Tegen het feit dat de Raad, ondanks de aanbeveling daartoe van de Commissie, Duitsland en Frankrijk niet aanmaande tot begrotingsdiscipline, bleek de Commissie weinig te kunnen doen. De strikte toepassing die bij de totstandkoming van het Stabiliteits- en Groeipact in 1997 nog centraal stond, bleek enkele jaren later al vergeten.
Naast de gebrekkige naleving van de normen door Duitsland en Frankrijk bleek bovendien met het aantreden van een nieuwe Griekse regering in 2004, dat de data zoals door Griekenland in stabiliteits- en convergentieprogramma’s verstrekt aan de EU, door middel van creatief boekhouden tot stand waren gekomen.12 Welke aspecten van de gegevens precies juist en onjuist waren, werd onderwerp van een technisch debat over boekhoudkundige regels. In ieder geval werd duidelijk dat Griekenland op het moment van toetreden tot de EMU niet aan de drieprocentsnorm had voldaan.13 Dit riep de vraag op of het land wel rechtmatig deel uitmaakte van de EMU, een vraag die tijdens de eurocrisis veelvuldig herhaald werd. De gang van zaken deed verder afbreuk aan het vertrouwen in de Europese begrotingsregels, hoewel overigens ook andere landen creatief te werk waren gegaan bij de presentatie van cijfers. In september 2004 volgde een drastische bijstelling van de data voor Griekenland. De Raad schoof zijn ongenoegen over deze gang van zaken niet onder stoelen of banken. Zo werd tijdens de zitting van 2 juni 2004 overeengekomen:
‘De Raad neemt er nota van dat de begrotingsstatistieken verscheidene malen zijn herzien nadat een nieuwe regering was aangetreden. De Raad is van oordeel dat de verzameling en bekendmaking van statistieken voor de buitensporigtekortprocedure niet mogen worden beïnvloed door politieke en verkiezingscycli. Statistieken van hoge kwaliteit zijn van wezenlijk belang voor het Europese beleid. De Raad is van oordeel dat de integriteit, onafhankelijkheid en de verantwoordingsplicht van degenen die de gegevens verzamelen en de transparantie van de verzamelmethoden, geschraagd door de passende institutionele regelingen, van vitaal belang zijn om statistieken van zo’n hoge kwaliteit te garanderen. Het verdient derhalve aanbeveling Europese minimumnormen te ontwikkelen voor de institutionele structuur van de statistische autoriteiten.’14
Tijdens de zitting van 21 oktober 2004 werd voorts onomwonden gesteld: ‘Herziening van begrotingsgegevens, zoals die welke nu in Griekenland nodig is gebleken, mag zich niet opnieuw voordoen in de Gemeenschap.’15 Naar aanleiding van deze kwestie werd de positie van Eurostat, het statistische bureau van de EU, verstevigd.