Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/4.4.3.1
4.4.3.1 Ongerechtvaardigde verrijking als schadevergoedingsactie?
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS497562:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
PG Boek 6, p. 823-829.
Biegman-Hartogh 1971, p. 155; Asser/Hartkamp & Sieburgh 2011 (6-IV*), nr. 462; Vriesendorp 2012, nr. 312 (die overigens kritisch is over het schadevereiste, maar onwaarschijnlijk acht dat de Hoge Raad het vereiste loslaat zolang de tekst van artikel 6:212 niet is veranderd).
Zie bijv. HR 26 januari 2001, NJ 2002/118 (Standard Groep Holland/ING); HR 14 januari 2011, NJ 2012/88 (Van der Plas/Janssens c.s); HR 24 februari 2012, NJ 2012/143 (Post/Kleijweg).
Nieskens-Isphording 1991, p. 67-68; Hartkamp 2001, p. 315; Linssen 2001, p. 473-494.
Hartkamp 2001, p. 315.
Par. 4.2.5 onder ii.
Bregstein 1927, p. 216; Schoordijk 1977, p 32; Verhagen 2004, p. 145; vgl. Snijders 2001, p. 17 (“een ruim genomen schadebegrip is op zijn plaats”).
Bregstein 1927, p. 217; Verhagen 2004, p. 145.
Ook de vordering uit onrechtmatige daad kan geen grondslag bieden voor een schadevergoeding die op de voet van artikel 6:104 wordt begroot op een normale gebruiksvergoeding. Volgens de Hoge Raad is voor een begroting van de schade op het voordeel van de laedens vereist dat vaststaat dat enige schade is geleden; zie HR 24 december 1993, NJ 1995/431 (Waeyen-Scheers/Naus).
HR 24 mei 2013, JOR 2013/266.
Zie r.o. 3.3-3.4 van het hof-arrest. Dat Subway niet onrechtmatig heeft gehandeld, volgt volgens mij reeds uit het feit dat Subway de bedrijfsruimte met (stilzwijgende) instemming van de verhuurder is blijven gebruiken terwijl contractsonderhandelingen gaande waren.
Zie mijn noot onder het arrest in JOR 2013/266 voor een uitgebreide bespreking van dit arrest en voor een analyse van andere gevallen waarin mogelijk op grond van de beslissing van de Hoge Raad een abstracte schadebegroting kan worden toegepast.
Uit de parlementaire geschiedenis wordt duidelijk dat de wetgever een algemene vordering tot afdracht van een ongerechtvaardigde verrijking heeft willen invoeren om aan te sluiten bij de rechtssystemen van de ons omringende landen en bij het oudvaderlandse recht.1 In deze rechtstelsels strekt de vordering tot afdracht van de verrijking.
Het kan echter worden betwijfeld of de wetgever is geslaagd in het vinden van deze aansluiting. In de rechtsstelsels van de ons omringende landen strekt de vordering uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking tot afdracht van de verrijking. De Nederlandse wetgever heeft de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking echter geformuleerd als een schadevergoedingsvordering. De vordering lijkt te strekken tot vergoeding van de schade van de verarmde, zodat ook bijvoorbeeld afdeling 6.1.10 (artikel 6:95-110) over de wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding van toepassing lijkt te zijn. In de literatuur wordt het artikel daarom zo uitgelegd dat de verarmde niet meer kan vorderen dan de schade die hij heeft geleden.2 De schade van de verarmde vormt het ‘plafond’ van zijn vordering. Ook de Hoge Raad ziet de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking als schadevergoedingsvordering.3
Enkele auteurs zijn ingegaan op dit vermeende schadevergoedingsrechtelijke karakter.4 Hartkamp merkt op dat de ongerechtvaardigde verrijking eigenlijk geen grond is voor schadevergoeding, maar voor ongedaanmaking van de verrijking.5 Hij signaleert enkele problemen die ontstaan wanneer de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking wordt opgevat als een schadevergoedingsvordering. Zo bepaalt artikel 6:98 dat voor vergoeding slechts in aanmerking komt de schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, dat zij aan degene die tot vergoeding verplicht is kan worden toegerekend als gevolg van deze gebeurtenis. Hartkamp merkt op dat de aansprakelijkheid bij de ongerechtvaardigde verrijking berust op een toestand, de verrijking, en niet op een gebeurtenis. Ook de regeling van de eigen schuld in artikel 6:101 gaat uit van aansprakelijkheid die ontstaat als gevolg van een gebeurtenis. Hartkamp meent dat het verdedigbaar is dat beide artikelen niet dienen te worden toegepast bij de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking. Volgens hem bevat artikel 6:212 een eigen regel van causaal verband, namelijk de regel dat de verrijking ‘ten koste van’ een ander is verkregen. Hij werkt echter niet uit wat dit betekent voor de omvang van de verplichting tot ongedaanmaking van de verrijking.
Ook Linssen heeft, zoals wij hierboven zagen,6 onderzocht of concrete schade een vereiste is. Linssen is van mening dat het schadevereiste moet worden losgelaten. Artikel 6:212 zou enkel aanspraak dienen te geven op afdracht van verrijkingen die ongerechtvaardigd zijn, niet tevens tot vergoeding van schade. Linssen meent dat in bepaalde gevallen waarin de schuldeiser geen schade heeft geleden, deze behoefte kan hebben aan een vordering tot afdracht van een verrijking. Linssen geeft daarvan het volgende voorbeeld. De eigenaar is exclusief gerechtigd tot het gebruik van zijn zaak. Zonder zijn toestemming is het gebruik van de zaak door een derde niet toegestaan. De eigenaar kan voor deze toestemming een vergoeding vragen. Stel echter dat de eigenaar zijn zaak niet heeft verhuurd en vervolgens de zaak door een derde wordt gebruikt, zonder daarvoor toestemming te hebben. Dan kan niet gezegd worden dat de eigenaar in concreto is verarmd. Hij kan – als een concreet schadevereiste geldt – dan ook geen gebruiksvergoeding vorderen op grond van artikel 6:212, terwijl hij dat volgens Linssen wel zou moeten kunnen.
Ook andere auteurs met het schade vereiste, in het bijzonder met de wijze waarop de schade van de verarmde moet worden begroot. Zo verdedigen enkele auteurs dat schade wel vereist is, maar dat zij vaak abstract moet worden begroot, omdat anders onredelijke uitkomsten worden verkregen.7
Dat doet zich bijvoorbeeld voor in de volgende situatie die in de litratuur is beschreven. A gebruikt onbevoegd een onroerende zaak van B. B loopt geen huurinkomsten mis omdat hij het huisje toch niet aan een derde had kunnen verhuren.8 B heeft daarom geen concrete schade geleden. Als schade vereist zou zijn, kan de eigenaar zonder een abstracte begroting van de schade geen gebruiksvergoeding ontvangen op grond van ongerechtvaardigde verrijking.9
In het arrest Credit Suisse/Subway10 kreeg de Hoge Raad te oordelen over een vergelijkbaar geval en lijkt hij een abstracte schadebegroting te hebben toegestaan. Credit Suisse is eigenaar van een bedrijfsruimte, die zij gedurende ruim 8 jaar verhuurt aan Easy. Easy verhuurt, met instemming van Credit Suisse, een gedeelte van de bedrijfsruimte onder aan Subway. Subway betaalt daarvoor aan Easy een huurprijs die, omgerekend per vierkante meter, lager is dan de huurprijs die gold tussen Easy en Credit Suisse. De huurovereenkomst tussen Credit Suisse en Easy wordt vervolgens beëindigd. De gewezen onderhuurder, Subway, blijft gebruik maken van de bedrijfsruimte terwijl Credit Suisse en Subway onderhandelen over het sluiten van een nieuwe huurovereenkomst. Credit Suisse begrijpt pas na enige tijd dat Subway aan Easy een lagere huurprijs per vierkante meter verschuldigd was dan Easy aan haar betaalde, en Subway stemt er niet mee in de huurprijs te verhogen tot het bedrag waarvoor Easy de bedrijfsruimte van Credit Suisse huurde. Credit Suisse breekt daarom de onderhandelingen af en en sommeert Subway om de bedrijfsruimte binnen enkele dagen te ontruimen. Subway voldoet aan deze sommatie. Vervolgens wordt Subway door Credit Suisse gesommeerd haar een vergoeding van ruim € 74.000 te betalen voor het gebruik van de bedrijfsruimte vanaf het moment waarop de huurovereenkomst tussen Credit Suisse en Easy eindigde (terwijl Subway gebruik bleef maken van een deel van de bedrijfsruimte) tot het moment waarop deze ruimte door Subway is ontruimd. Subway geweigert de verlangde gebruiksvergoeding te betalen.
Het hof wijst de vordering van Credit Suisse uit hoofde van onrechtmatige daad af, omdat niet Subway maar Credit Suisse de contractsonderhandelingen heeft afgebroken.11 Ook de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking wordt afgewezen, omdat niet is komen vast te staan dat Credit Suisse schade heeft geleden door het gebruik dat Subway van de bedrijfsruimte heeft gemaakt zonder daarvoor een vergoeding te betalen. Credit Suisse heeft namelijk niet gesteld dat zij, als gevolg van dat gebruik van de bedrijfsruimte, zelf huurkosten heeft moeten maken, dan wel dat zij het door Subway gebruikte gedeelte van de bedrijfsruimte aan een ander had kunnen verhuren. De Hoge Raad casseert het hof arrest en overweegt als volgt:
“Het onderhavige geval wordt hierdoor getypeerd dat Subway, als “zittende” onderhuurder van de bedrijfsruimte, na beëindiging van de huurovereenkomst die haar contractuele wederpartij Easy met Credit Suisse had gesloten, met laatstgenoemde heeft onderhandeld over de totstandkoming van een huurovereenkomst met haar, dat Subway de bedrijfsruimte is blijven gebruiken gedurende de periode waarin de onderhandelingen voortduurden, en dat de onderhandelingen zijn afgebroken zonder dat tussen partijen een huurovereenkomst is tot stand gekomen.
Onder zodanige omstandigheden is voor dit voortgezet gebruik in beginsel een gebruiksvergoeding verschuldigd op de voet van artikel 6:212 BW. Degene die het gebruik van de bedrijfsruimte voortzet is daardoor immers verrijkt, omdat het gebruik van andermans bedrijfsruimte in het maatschappelijk verkeer in de regel slechts tegen een vergoeding plaatsvindt, terwijl de onderhuurder is bevrijd van de met zijn wederpartij overeengekomen verplichting de huurprijs te voldoen, door de beëindiging van de overeenkomst van onderhuur. De eigenaar van de bedrijfsruimte lijdt door dat voortgezet gebruik schade, ook als hij niet elders vervangende bedrijfsruimte hoeft te huren en hij niet door dat gebruik is verhinderd de ruimte aan een derde te verhuren. Gelet op de analogie met de gevallen die zijn geregeld in de artikel 7:225 en 7:230a BW, past het immers in het stelsel van de wet de schade van de eigenaar in het onderhavige geval naar objectieve maatstaven te berekenen. Het causaal verband tussen deze verrijking en verarming ligt in de omstandigheden van het geval besloten. Ten slotte is aanvaarding van een verrijkingsvordering in beginsel niet onredelijk omdat het gebruik van de bedrijfsruimte welbewust door de gebruiker is voortgezet, en het daaruit resulterende voordeel hem dus niet is opgedrongen, terwijl de vordering slechts toewijsbaar is tot het laagste bedrag van de verrijking en de verarming.”
Kortom, de Hoge Raad oordeelt dat concrete schade niet hoeft op te treden, maar dat de schade “naar objectieve maatstaven” moet worden berekend.
Wat dat laatste precies inhoudt, zegt de Hoge Raad er echter niet bij. Het valt verder op dat de Hoge Raad zijn beslissing motiveert door te wijzen op de analogie met de gevallen die zijn geregeld in de artikelen 7:225 en 7:230a, terwijl hij niet verwijst naar artikel 6:97. In dat laatste artikel is bepaald dat de rechter de schade begroot. In de parlementaire geschiedenis is opgemerkt dat de rechter bij toepassing van dat artikel de vrijheid heeft om de schade abstract te begroten. Ondanks het ontbreken van een dergelijke verwijzing valt niet uit te sluiten dat de Hoge Raad een abstracte begroting van de schade bedoelt, die mogelijk ook kan worden toegepast buiten gevallen waarin een analogie bestaat met de gevallen die zijn geregeld in de artikelen 7:225 en 7:230a.12