Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/10.4.3
10.4.3 Het bewijs van de schuldgradatie (opzet of grove schuld)
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940200:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie HR 15 april 2011, V-N 2011/20.4, BNB 2011/207, NTFR 2011/946, in het bijzonder r.o. 4.5.2 en 4.5.3, waarover nader in paragraaf 9.3.3.3 en paragraaf 16.6.2.
HR 28 juni 2013, V-N 2013/32.7, BNB 2013/207, r.o. 3.11.3.
De toepassing van dit arrest levert in dergelijke gevallen dan ook uiterst summiere motiveringen van de schuldgradatie op, zie bijvoorbeeld Hof Den Haag 16 november 2016, V-N 2017/11.5. Vgl. in dit verband Hof Amsterdam 29 maart 2012, NTFR 2012/1309, r.o. 5.5.1.4, dat het aannemelijk achtte dat de boeteling de rekeningen in Luxemburg had geopend om het vermogen buiten het zicht van de fiscus te houden, waarmee het bewijs van opzet was geleverd. Ik zie in dit verband een parallel met de in het strafrecht gangbare redenering dat opzet soms kan worden afgeleid uit de uiterlijke verschijningsvorm of de aard van de gedraging (zie bijvoorbeeld HR 25 maart 2003 (Strafkamer), NJ 2003/552 en HR 23 juli 1937, NJ 1938/869).
HR 28 juni 2013, V-N 2013/32.7, BNB 2013/207, r.o. 3.11.3. Ook Hof ’s-Gravenhage 11 januari 2013, V-N 2013/22.1.2, had deze omstandigheid al redengevend geacht.
Hoewel het arrest HR 28 juni 2013, V-N 2013/32.7, BNB 2013/207 op dit punt dus uiterst summier is gemotiveerd, acht ik het wel degelijk in lijn met de strikte richtlijnen uit HR 15 april 2011, V-N 2011/20.4, BNB 2011/207, NTFR 2011/946.
Hof ’s-Hertogenbosch 16 juni 2016, V-N 2016/67.5, r.o. 4.11.
Dat is ook op grond van de reguliere regels van bewijslastverdeling het geval: het enkele feit dat de ene partij het tegendeel niet heeft gesteld en bewezen, kan niet als een behoorlijk bewijs van de eigen stelling van de wederpartij gelden. Zie daarover paragraaf 7.3.4.3 (en paragraaf 10.2.4 hiervoor).
HR 8 april 2022, BNB 2022/68, V-N 2022/17.10, waarover nader in paragraaf 13.3.
Zie hiervoor in paragraaf 10.4.2.1.2 onder ‘Bewijs ‘beyond reasonable doubt’?’.
Extrapolatie ter zake van het kale beboetbare feit heeft geen betekenis voor het bewijs van de schuldgradatie. De feiten en omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat de boeteling met opzet of grove schuld heeft gehandeld, zullen door de inspecteur, telkens per jaar en per correctie afzonderlijk, moeten worden gesteld en bewezen.1 In paragraaf 10.4.2.2 heb ik al op enkele mogelijke problemen gewezen, die extrapolatie in het licht van de grondslagkoppeling kan meebrengen. Zo is het object van de schuldgradatie bij extrapolatie naar andere tijdvakken niet duidelijk: hoe kan opzet of grove schuld worden vastgesteld ten aanzien van fouten in een ander tijdvak, als die fouten als zodanig nooit zijn geconstateerd?
Uit de jurisprudentie inzake extrapolatie in KBLux-achtige gevallen kan in dit verband worden afgeleid, dat ook voor het bewijs van de schuldgradatie kan worden geleund op vermoedens en feiten van algemene bekendheid.2 De Hoge Raad oordeelde dat het niet-aangeven van aanzienlijke tegoeden, aangehouden in een land met een bankgeheim, in het algemeen reeds opzet oplevert, nu het van algemene bekendheid is dat dergelijke tegoeden en de vruchten daarvan moeten worden aangegeven.3 Aan de vaststelling van de opzet per afzonderlijk jaar maakte de Hoge Raad, in tegenstelling tot de vaststelling van het kale beboetbare feit, weinig woorden vuil. Voldoende was dat de belastbaarheid ‘voor jaren als de onderhavige’ van algemene bekendheid was.4
Ik versta het arrest zo, dat de relevante feiten in elk afzonderlijk jaar aanwezig waren, zodat er ook wat betreft elk jaar sprake was van voldoende bewijs voor opzet.5 Naar mijn mening mag uit de summiere bewoordingen van de Hoge Raad echter niet worden afgeleid dat het bewijs van opzet in feite min of meer gegeven is zodra vast komt te staan dat een belastingplichtige niet-aangegeven vermogen in het buitenland heeft aangehouden. Hof ’s-Hertogenbosch achtte het bijvoorbeeld ‘niet aannemelijk dat belanghebbende niet wist dat de desbetreffende vragen beantwoord moesten worden’ en achtte mede daarom voorwaardelijk opzet bewezen.6 Naar mijn mening is dat onjuist: dat de boeteling het tegendeel niet aannemelijk maakt, brengt immers nog niet mee dat de inspecteur het positieve bewijs van (voorwaardelijk) opzet heeft geleverd.7 Bovendien hoeft de boeteling niet te bewijzen dat hij geen beboetbaar feit heeft begaan. De facto heeft het Hof de bewijslast dus omgedraaid, hetgeen in strijd is met de onschuldpresumptie.
Het voorgaande geldt a fortiori in het licht van het arrest van de Hoge Raad van 8 april 2022, waarin duidelijk werd dat de inspecteur de centrale stellingen (dus ook de schuldgradatie) ‘beyond reasonable doubt’ moet bewijzen.8 Zoals ik eerder heb opgemerkt,9 is het niet geheel duidelijk of de Hoge Raad ten tijde van de KBLux-zaken die zware bewijsgradatie in het achterhoofd heeft gehad. Het is dus ook niet helemaal zeker of de Hoge Raad van oordeel was dat de inspecteur het bewijs van de schuldgradatie voor elk jaar afzonderlijk ‘beyond reasonable doubt’ heeft geleverd.