Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/4.2.9
4.2.9 Keuze, weging en waardering van bewijsmiddelen
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940494:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Nijboer noemt de rechter vrij in ‘de bewijzende betekenis’ van de resultaten van het (voor)onderzoek, Nijboer 2011, p. 70.
HR 23 oktober 1984 (strafkamer), NJ 1985, 319, HR 1 juli 1985 (strafkamer), NJ 1986, 161, HR 6 mei 1986 (strafkamer), NJ 1987, 60. Zie ook Corstens/Borgers 2014, p. 848.
HR 28 januari 1935 (strafkamer), NJ 1935, 428. Zie ook Nijboer 2011, p. 156, die erop wijst dat de strekking daarbij echter niet mag worden opgerekt of aangevuld (‘gedenatureerd’).
Corstens/Borgers 2014, p. 848.
Corstens/Borgers 2014, p. 848-850.
Zie Corstens/Borgers 2014, p. 843-845.
HR 23 januari 1928 (strafkamer), NJ 1928, 289.
Zie ook Corstens/Borgers 2014, p. 849.
Zie ook paragraaf 4.2.8. Zie voorts Corstens/Borgers 2014, p. 849 en voor een voorbeeld HR 3 april 1973 (strafkamer), NJ 1973, 283.
Zie Corstens/Borgers 2014, p. 852 e.v. en Nijboer 2011, p. 70 en par. 4.6. Behalve om betrouwbaarheidsverweren kan het ook gaan om zogenoemde Meer en Vaart-verweren, Dakdekkersverweren en onrechtmatigheidsverweren. Dat moet dan wel gebeurd zijn in de vorm van een zogenoemd ‘uitdrukkelijk onderbouwd standpunt’, zie art. 359 lid 2 Sv.
Hoewel de rechter beperkt is tot de wettelijk voorgeschreven bewijsmiddelen en de bewijsminima, is de rechter vrij in zijn oordeel over de geloofwaardigheid of overtuigingskracht van het bewijs.1 Zowel de keuze van de bewijsmiddelen als de weging en de waardering daarvan, is een zaak van de feitenrechter.2 Ook bepaalt de rechter zelfstandig de inhoud en strekking van een bewijsmiddel.3 Cassatiemiddelen gericht tegen het geloofwaardigheidsoordeel zijn derhalve vruchteloos.4
Als er wettig bewijs is en de voorgeschreven bewijsminima zijn gehaald, dan is de rechter derhalve geheel vrij om zijn eigen afweging te maken over de vraag of uit dat bewijs volgt dat de verdachte het feit begaan heeft. Hij mag dus – ondanks een overweldigende hoeveelheid belastend bewijs – vrijspreken als hij niet is overtuigd, terwijl hij op basis van zeer mager, maar rechtens voldoende bewijs kan veroordelen als hij wel overtuigd is. De Hoge Raad toetst in dat verband marginaal, door de vraag te stellen of het bewezenverklaarde uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid.5
De rechter moet de bewijsbeslissing in het vonnis uitdrukkelijk motiveren.6 In het bijzonder moet deze motivering voor een bewezenverklaring een opgave van ‘de daartoe redengevende feiten en omstandigheden’ behelzen.7 Dit vereiste komt erop neer, dat de rechter in het vonnis moet specificeren welke bewijsgronden hij uit welke bewijsmiddelen heeft gedestilleerd, die volgens hem bijdragen aan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit inderdaad heeft begaan.8 De Hoge Raad rekent de feitenrechter scherp af als hij steken laat vallen op dit punt. Een bewezenverklaring die stelt dat de mazen 14 millimeter wijd zijn, terwijl het bewijsmiddel vermeldt dat de mazen ‘omstreeks’ 14 millimeter wijd zijn, houdt dus geen stand.9 Het bewijs dat de mazen precies 14 millimeter wijd zijn, kan dan immers niet worden teruggevoerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. Kortom: er mag geen beslissende schakel missen tussen de feiten en omstandigheden zoals die zijn af te leiden uit de bewijsmiddelen enerzijds en het te bewijzen, tenlastegelegde feit anderzijds.10 Een andere kwestie vormt de vraag of uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen moet volgen, dat er geen andere gang van zaken dan de tenlastegelegde mogelijk is geweest. Dat is niet het geval: zeer onwaarschijnlijke scenario’s mag de rechter terzijde stellen.11
Op zuivere bewijsverweren (ontkenning van de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, en daardoor van hetgeen ten laste is gelegd) hoeft de rechter in het vonnis niet afzonderlijk in te gaan.12 Wel bestaat er voor de feitenrechter een motiveringsplicht wanneer hij gebruik maakt van een bepaald bewijsmiddel (bijvoorbeeld een getuigenverklaring), terwijl de verdachte gemotiveerd verweer heeft gevoerd tegen bijvoorbeeld de betrouwbaarheid daarvan.13